![]() |
GenPage.nl |
|||||||
|
Marten Haringsz. de Koe (1737-1787) Wat kun je verwachten over een voorvader te
vinden, als je meer dan 265 jaar terug gaat in de tijd? Niet veel, zou je
denken. Maar je kunt altijd hopen dat je een levensteken vindt. Een schets kunt
maken over zijn tijd of van zijn leefomstandigheden. We zullen eens zien wat er
van deze verre vader valt te achterhalen. Hij werd geboren in Woudsend in de zomer van 1737, waar hij bij zijn doop op 18 augustus de naam Marten meekreeg. Baby's werden nog stijf ingebakerd in luiers, of - zoals ze toen zeiden -in de luren gelegd. Daarbij werd het kind - inclusief armpjes en beentjes - als een cocon ingepakt. Alleen het gezichtje bleef vrij. Soms deden moeders dat te strak, waarop de kleine het warm kreeg en begon te brullen van kwaadheid. En terecht. Wat zou jij dan doen als je te heet gebakerd was? Marten was het eerste kind van zijn
ouders en zijn vader, die Haring heette, was toen 26 jaar. De huiskamers van
tijdgenoten hadden vaak wanden met een plint van kleine tegeltjes en in jonge
gezinnen werd gekozen voor afbeeldingen met daarop kinderen die eigentijdse
spelletjes deden. Hoepelen, bikkelen, dat soort dingen. En als kinderen zich
eens verveelden, brachten die tegeltjes uitkomst. Hun moeder zei dan gewoon
'loop jij de kantjes er maar eens bij af', want dat zou ze vast wel op een idee
brengen! Dát kinderen zich ''verveelden'' zouden zijn ouders overigens nooit gezegd hebben. Die kreet werd alleen gehanteerd als het om heel andere zaken ging. Zoals bij konijnen. Die verveelden (vermeerderden) zich toen ook al razendsnel. Maar dit terzijde. We hadden het over Marten. Die groeide op aan de goeie kant van een bloeiende gemeenschap. Het dorp Woudsend had z'n welvaart te danken aan het water, reden waarom iemand het eens treffend 'een zeestad tussen twee meren' noemde. Het herbergde mastmakers, touwslagers,schippers en nog veel meer lieden met aan het water verbonden beroepen. Ook hij zou z'n nering daar in vinden. Later - toen Marten zelf kinderen had - liet hij ze al op jeugdige leeftijd aan de zilte zeelucht wennen, zoals hij dat zelf als jongen ook zal hebben meegemaakt. Er wachtte hem een toekomst als
koopman. Nee, niet zomaar een koopman. Dat zou tekort door de bocht zijn. Nee,
als koopman óp het water, zoveel staat vast. In de loop van dit verhaal, kom je
er vanzelf wel achter wat dit zoal inhield. Een Koopvaarder, want zo werd je
dan genoemd, zorgde vaak zelf voor bevrachting van zijn schip. Had Marten nog
geen lading, hing hij - dat was de gewoonte onder de schippers in de
'Súdwesthoeke' - een ankertje aan de gevel van zijn huis; dan wist iedereen dat
hij nog beschikbaar was. Een andere manier om aan koopwaar te komen, was
naar de Beurs te stappen, die bij de Ee gevestigd was om te kijken of er handel
was. Slaagde hij daar, kwamen zijn verkoop-talenten aan de beurt. De koopwaar
moest verkocht worden en het was zaak dat hij zowel zijn inkoop- als
afzetgebied dondersgoed kende. Zijn werkterrein beperkte zich níet
tot de plaatsen rond de Zuiderzee, maar bleek zich zelfs ver voorbij onze
landsgrenzen uit te strekken. Marten dreef handel vanaf de landen grenzend aan
de Oostzee - zoals Duitsland, Denemarken, Polen en Rusland - tot aan Frankrijk,
Spanje en Portugal aan toe. Hij voer er heen, verkocht zijn spullen en kocht
van het verdiende geld weer handelswaar in. In het noorden konden dat zaken
zijn als hout en tarwe, die hij dan vervolgens elders verkocht, bijvoorbeeld in
Frankrijk. Vond hij daar handel - wijn, zout - vulde die het ruim en werd koers
gezet naar de volgende afnemer. Hij moest veel weten over de
goederen die hij vervoerde en de prijzen die er golden. Verder moest hij op de
hoogte zijn van de handelsgewoonten in heel veel landen. Maar bovenal moest hij
een goeie schipper zijn en van Portugal tot Rusland zijn scheepsvolk, zijn
schip en de lading steeds weer in veilige haven weten te loodsen. Geen
gemakkelijke opgave trouwens, want niet altijd waren 'bij het doorklieven der
groengetinte wateren van het Noorden, de elementen onze Oostzeevaarders gunstig
gezind. Wanneer in de lange herfstnachten de storm in het Kattegat loeide en de
vuren der eilanden Anholt en Lessoë, door den dikken, ijzigen nevel aan des
zeemans vorschend oog onttrokken waren, kwam meermalen het oude volksrijmpje in
vervulling: "Lessoë und Anholt, machen manchen Sturman kolt.' ( 1). Er schijnt zelfs ooit een dominee op Anholt
geweest te zijn die in zijn gebed vroeg of er bij slecht weer niet eens een
rijk beladen Hollands schip mocht stranden, want daar zouden zijn arme
ingezetenen wel bij varen!(vrij naar
Holl. Mercurius v. 1659
pag. 142) Marten zal op zijn handelsreizen de
nodige grillen van de natuur hebben meegemaakt. Ook de zuidelijker gelegen
gebieden die hij bevoer hadden hun specifieke omstandig-heden. In het
Nederlandsch Jaarboek van 1758 (pag. 1195) staat: 'de cabottage is de vaert van
eene Fransche plaets naer de andere, waerin de Scheepvaert van Vriesland zo
sterk geïnteresseerd is' en het is zeer aannemelijk, dat hij zich daar ook mee
bezig hield. Zo voer hij van februari tot november langs de kusten van Europa. Handeldrijvend en
handenwrijvend, want het ging hem goed. Omdat hij een succesvol jongmens is
en niet onbemiddeld, kan hij zich met gemak een bruid veroorloven. Zij is de
dochter van Tjitske Tromp en haar man Anne Baukes. Voor beide kanten een goeie
partij en daarnaast voor Marten een beste leerschool vanwege het feit dat zijn
schoonvader hetzelfde beroep uitoefende. Een man uit de praktijk, met weet van
de handel, maar ook met kennis van de schaduwzijde ervan. Nog maar kort tevoren
- in 1757 - hadden Corker kapers hem nog te grazen genomen. Reken maar dat hij
zijn toekomstige schoonzoon tot voorzichtigheid gemaand heeft! In het najaar van 1759 - Marten is
dan 22 jaar - belooft hij eeuwige trouw aan Wytske Annesdr. Een vrouw naar zijn
hart zoals je zult begrijpen, omdat de scheepvaart ingebakken zat dankzij haar
vader, maar ook vanwege haar Pake Hylke Michielsz. Tromp. Een bekende voor
iedere dorpeling, omdat hij de plaatselijke scheepstimmerman en Mr.
Schuitemaker was. Een ander eerbiedwaardig beroep werd uitgeoefend door dominee Petrus Theodurus Couperus, die de eer had het huwelijk van het jonge paar in te zegenen.'Den 23 Septemb: 30 en 7 October hebben de huwelijks Proclamatie gegaan van Marten Harings de Koe en Wijtske Annes beide van Woudsend en zijn op Den 7 october Na Noen alhier bevestigd.'Wat een strategisch gekozen tijd was voor het verliefde stel, want de winter bracht een koopvaarder - ijs en weder dienende - veelal thuis door. ''s Winters genoot de koopvaardijschipper, in tegenstelling der vermoeienissen en gevaren in 't overig gedeelte van het jaar doorgestaan, een kalm en genoeglijk leven in zijn welvarend tehuis. De boeken werden dan aangewerkt, de afrekeningen opgemaakt, brieven daarover en over nieuwe bevrachtingen gewisseld en den overigen tijd aan den huiselijken haard gekort door ''om te boeren'' met andere zeeschippers' schrijft notaris Haagsma in ''Ee n blik op Frieslands Koopvaardij in 't midden der 18e Eeuw''. Hij be-schrijft hier dan wel een Hindelooper schipper, maar het zal voor Marten, als Wouds-ender koopvaarder, niet veel anders geweest zijn. 'Aan den huiselijken haard' slurpt hij vanaf een schoteltje aan de door de VOC schippers meegebrachte koffie of thee, die hier steeds populairder werd. Slurpen ja, dat zei ik. Vanaf het schoteltje. Dat vond men chique. Als in 1760 het nieuwe vaarseizoen
is ingegaan, ligt hij op 20 maart op de rede van Lemmer, net als zijn vader
Haring die ook kapitein is. Ze bevinden zich tussen 31 koffen, galjoten en
andere zeeschepen, waarvan er 15 klaar liggen om naar Frankrijk te varen.
(1/68) Marten is dan schipper op de Kof ''De Jonge Auke Benolda'' (ook wel
omschreven als Bewolde en Eenolda), die in 1756 'nieuw was uitgehaald' en als
maten 89 x21 vt 2dm x 9vt 10dm had. Als ik het goed heb is dat een lengte van
ongeveer 25,18 mtr. Hij zou lang mede-eigenaar van dit
zeilschip zijn en pas vele jaren later - op 24 maart 1777 - zou het in
Amsterdam geveild worden. Dit scheepstype - de Kof dus - was een waardig
opvolger van de Smak en uiteraard was er bemanning op nodig. 'Een Smak telde
gewoonlijk 5 à 6 man. Koffen en in grootte en tuigagie daarmede overeenkomende
Galjoten meestal 7 à 9 man.' (1). Tegen dat aantal manschappen aan boord van Nederlandse schepen werd al jaren door buitenlanders, weliswaar bewonderend, maar ook een tikkie jaloers aangekeken. De schrijver van de Tegenwoordige Staat IV 2 st. p. 599. noteert: 'De Friezen vinden in hunne spaarzaamheid en het gering getal van Manschap, waarmede zij in vergelijking van andere Natiën hunne scheepen bevaaren, doorgaans de middelen ter instandhouding van een zo nuttigen tak.'Ze kunnen met minder mensen toe, betalen kleinere salarissen en kunnen tóch mensen genoeg krijgen. Zeven man aan boord, als die Oosterlingen - mensen van rond de Oostzee - d'r 10 nodig hebben, zeggen ze. Logisch dat die gasten meer verdienen! Voor de eerste reis van het seizoen
had Marten al in de winter voor vulling van de hongerige buik van het schip
gezorgd. Dat konden exotische producten zijn, zoals door de VOC schippers
meegebrachte specerijen of stoffen, maar ook andere zaken waar ik later op
terugkom. Was dat niet toereikend, laadde hij zand als ballast, wat nodig was
om de stabiliteit van het schip te waarborgen. Hij voer naar Frankrijk of
Portugal enkieperde - voor de haven
aangekomen - het zand overboord. Een truc die later overigens verboden werd,
omdat iedere schipper dat deed en er daardoor in de buurt van de haveningang
zandbanken ontstonden. Hij verhandelde z'n waren en kocht
van de opbrengst zout. Dan in noordelijke richting, niet naar, maar lángs
Nederland - daarom noemden ze het soms ook ''voorbijlandvaart'' - en
rechtsreeks door naar de Sont om de Oostzeegebieden te bereiken. Daar - in een
koelkastloos tijdperk - was zout een onontbeerlijk product, omdat je vlees, vis
en andere etenswaren alleen langer kon bewaren door het te conserveren in zout.
Zout was van oudsher zo gewild, dat mensen van heel vroeger zich soms in zout
lieten uitbetalen. Woorden als ''salaris'' en ''soldij'' herinneren daar nog
aan. Dat de reis niet altijd met het
hiervoor geschetste gemak ging, mag wel uit het volgende blijken. Marten was
natuurlijk niet de enige die de vaarroutes kende. Er waren kapers op de kust.
En zeerovers én piraten. Wat drie verschillende dingen zijn en ook weer niet.
Piraten 'schoten met Snaphanen door onze zeilen en hebben in de cajuit alles
aan stukken geslagen' lees ik. Een andere schipper beschrijft het gedrag van
z'n Engelse belager. Die riep 'niet anders als een malle Hond en knarsten op zijn
tanden: Godt dem, tik al.' Er waren zeerovers die je zelfs
'themt van 'tgat vroegen, getuige een schipper die meldt: 'dat zij mij beroofd
hebben tot de broeken van het ligchaam.' (1) En kapers dan? Kapers kregen van
hun regering gewoon toestemming om het hiervoor genoemde uit te halen- als welkome aanvulling op de Staatskas - en
konden als daar om gevraagd werd een Kaperbrief tonen. Haalden dus exact
dezelfde rottigheid uit, maar wél met toestemming van regeringswege . . . . . .
Wat kon
je er tegen doen? Die voorouderlijke Smakken en Koffen waren niet gebouwd op
snelheid. Dán had je alle narigheid misschien nog kunnen omzeilen. Er moest
toch zoveel mogelijk handelswaar in kunnen? Dáár waren die schepen voor bestemd.
En - het moet maar gezegd - voor ons land was de handel met de
Oostzeelandeneconomisch gezien van
groot belang. Een financiële pijler zelfs. Veel belangrijker dan de weliswaar
exotische, maar ook geldverslindende reizen van de VOC. (3) Zeelieden
die voor de Compagnie voeren, worden in de ''Oost-Indise Spiegel'' van Nicolaes
de Graaff weinig vlijend omschreven als een waar toevluchtsoord voor 'verlopen
studenten, schurken, hoerewaarden, nagtlopers, straatschenders, dronken guiten
en fielten, dobbelaars, vegters en ga zo maar door. Van allerhande spul uit
alle heren landen was er te vinden aan boord: Polakken, Sweeden, Deenen,
Noor-luyden, Jutten, Moffen, Poepen, Knoeten, Hannekemaijers.' Kortom, aan
boord moet het een zootje ongeregeld zijn geweest. Er werd door onze
Oostzeevaarders ook met enige minachting naar gekeken. Respecteerde je jezelf,
dan voer je op de koopvaardijvloot in Europa. (3) De
gages betaald op de vrachtvaart in Europese wateren waren in vergelijking met
de lonen op andere takken van scheepvaart, zoals VOC en marine, hoger. Als je
daarbij in aanmerking neemt dat de risico's op de Oostzeevaart aanmerkelijk
minder waren, verge-leken met die van de VOC en de marine, dan mag duidelijk
zijn dat de vrachtvaart allesbehalve slecht betaald was. (3) Vanwege het grote belang dat de
Nederlandse regering aan deze tak van handel hechtte, stuurde men regelmatig
oorlogsschepen met de koopvaarders mee, die moesten dienen als bescherming van
de rijk beladen schepen. Een dienst waarvoor de schippers op hun beurt
konvooigeld betaalden. Nu was het zo, dat je - eenmaal in
Denemarken aangekomen – voordat je de Oostzee mocht bevaren eerst tol moest
betalen. Haagsma (1) beschrijft zo'n aankomst ter plaatse op een onverbeterlijk
romantische manier: 'Wanneer in den zonnigen lentetijd geheele vloten
koopvaarders, geconvoyeerd door oorlogsfregatten, een frissche bries in de
hagelwitte zeilen, langs de Lap uit het Kattegat kwamen aanbruisen, om weldra
onder het donderend saluut der oorlogsschepen, het wapperen van vlaggen en
wimpels, het klapperen der halfgestreken zeilen en het gejoel van het zeevolk,
vóór 't kasteel ten anker te komen, dan heerschte daar op den stroom een
opgewekt leven en ene bonte bedrijvigheid.' Zie je 't voor je? Daar zou je toch zo bij willen zijn? Marten, bruine kop, ogen halfdicht tegen het schitterende zonlicht, wind door de haren, glimlach om de mond . . . . . . . ! Dat kasteel waar ze in Denemarken voor anker gingen, is trouwens Slot Kronborg, gele-gen aan de ingang van de Sont, de toegang tot de Baltische Zee. Vandaar had je uitzicht op de Zweedse oever, waar slot Helsingborg lag. Beide oevers vormden samen een nauwe doorgang, waardoor het de ideale plek was om tol te heffen op passerende schepen. Dat werd gedaan aan de Deense kant, waar Marten afmeerde in de haven van Helsingør, dat door Nederlanders voor het gemak Elseneur werd genoemd. Omdat er per dag tientallen schepen binnenliepen, was het er een drukte van belang. Marten liep naar de Øresunds Toldkammer, betaalde het tolgeld en kreeg in ruil daarvoor zijn Sontpas. Er kwamen al jaren zoveel schepen
uit onze streken, dat er in Helsingør al sinds de 17de eeuw een eigen
Nederlandse vertegenwoordiging was. Lang zijn dat leden van het geslacht Van
Deurs geweest en in 1714 besloot één van hen (ene Arend) voortaan lijsten naar
de Staten Generaal te sturen, waarop hij de passagedatum noteerde, de naam van
de schipper, zijn thuishaven, de herkomst zowel als de bestemming van het schip
en het soort lading dat hij vervoerde. Een prima idee van de man, dat navolging vond bij zijn opvolgers. Vooral geweldig, omdat die met de hand geschreven overzichten bewaard zijn gebleven en Marten er regelmatig op voorkomt! Zodoende kunnen wij ons nu een beeld vormen van waar hij heen ging als hij de Sont passeerde en wat hij zoal aan boord had. Vaar je mee? Datum:Thuishaven:Vertrokken uit:Met
als bestemming:Lading: ----------------------------------------------------------------------------------------------------- 22-07-1761Woudsend NoirmoutierOostzeeZout 31-08-1761WousendKoningsbergenAmsterdamTarwe 24-04-1762BolswardNoirmoutierKoningsbergenZout 25-05-1762WoudsendKoningsbergenAmsterdamTarwe 06-09-1762WoudsendKristiansandKopenhagenHaring 27-10-1762WoudsendDanzigAmsterdamTarwe 06-05-1763FrieslandNoirmoutierKoningsbergenZout 18-06-1763FrieslandKoningsbergenBremenRogge 02-08-1763WoudsendBremenOostzeeBallast 06-09-1763WoudsendKoningsbergenAmsterdamZaad In 1762 licht Marten zoals je kunt
zien het anker in het haventje van Noirmoutier, geladen met zout. 'k Zocht het
even voor je op, dan krijg je een idee van wat hij daar dan wel te zoeken had. Noirmoutier ligt aan de Baie de
Bourgneuf in Frankrijk, ter hoogte van Nantes. Daar waren zogenaamde zoutpannen,
waar ze in de warme zuidelijke zon het zeezout droogde. Het zout werd geladen
en vervoerde hij naar Koningsbergen, wat weer één van de belangrijkste
uitvoerhavens van het Oostzeegebied was voor granen. Dat graan nam hij dan weer
mee naar Amsterdam, omdat er ook Nederlandse hongerige magen gevoed moesten
worden. Koningsbergen zou overigens tot 1945 zo heten, waarna Stalin het naar
zijn maatje Kalinin noemde: Kaliningrad(=Kalininstad), zoals het nu nog heet. In Friesland heeft Martens' vrouw -
Wijtske - hem inmiddels een trotse vader gemaakt. Maar het leven is als de zee,
'tkan ebben en 'tkan vloeijen. Tot zijn groot verdriet sterft zijn moeder
Gerrijtje en op 24 maart 1763 wordt de erfenis bij de notaris vastgelegd.
Daarbij krijgt hij het huis toebedeeld waar hij al in woont, de 'Huizinge
geleegen tot Woudsend, hebbende de Ee ten Oosten en Sake Durks ten Westen.' Omdat de bedragen van de verdere 'moederlijke goederen' niet de waarde vande 'genoemde Huizinge' overstegen, moet Marten wat bijbetalen en belooft hij zijn vader 'ofte desselvs Regt hebbende, te zullen voldoen en betaalen in klinkende munte' een bedrag van vierhonderd Carolingische Guldens. Want naast het huis, erft hij ook 1/8 portie- of part van het schip waar hij dan op vaart ''De Jonge Auke Benolda''. Het is het zelfde schip, waar hij op 9 januari 1768 mee 'ter reede van Texel' ligt, de plek waar de koopvaarders zich verzamelen die onder bescherming van konvooischepen de reis willen aanvangen.
Over wat ''parten'' zijn, even een
kleine uitleg. De schepen waar de verre vaders op voeren waren meestal voor een
deel eigendom. En soms waren ze eigenaar van delen, of parten van meerdere
schepen tegelijk. Koopvaarders en andere mensen die over voldoen-de geld
beschikten namen deel aan de zogenaamde "partenrederij" en zou je
vandaag de dag aandeelhouders noemen. Partennemers of kopers - zoals Marten - noemden ze
reders en de reder die de leiding had heette boekhouder of directeur. Die
laatste regelde soms ook de bevrachtingen, betalingen,etc. Je kon meedoen voor 1/2, 1/4 of 1/8
deel, maar kon ook participeren voor b.v. 3/16. Voordeel daarvan was, dat je je
geld niet in één schip of één lading stak, maar je de risico's spreidde over
meerdere schepen. Zo kreeg je altijd wel een deel van het verdiende geld. En
deed je niet mee? Dan had je part noch deel. Ongevaarlijk was het werk dat
Marten deed zeker niet. Hij had te maken met lieden die het op zijn lading
hadden voorzien en met slecht weer waar hij in verzeild kon raken. En wat dacht
je van de oorlogen die er met grote regelmaat op zee werden uitgevochten. Dat
spreiden van de risico's deden ze dus bepaald niet voor niks! Nu kon je nog zoveel parten hebben
als je wilde, alles draaide wél om de schipper. Die had ook een stem in de keus
welk schip hij wenste te bevaren. In 1774 verscheen er een berichtje in de
Amsterdamsche Courant over een Kofschip waar Marten mede-eigenaar van was. Het
droeg de verrassende naam "De Jonge Cornelis de Koe" (!) en was met
schipper Fred Rijnders aan boord, op 18 mei 1774 gepraaid. Met andere woorden:
ze hadden geprobeerd bij hem aan te klampen. Toe, je weet wel, zeerovers,piraten of ander gespuis. De 36-jarige Marten was inmiddels
met zijn vrouw naar Lemmer verhuisd. Zijn gezin bestond uit vier zonen en een dochter
en hij bezat niet alleen parten van meerdere schepen, maar was ook eigenaar van
een aantal huizen, die hij soms verhuurde, soms verkocht. In februari 1774 verkoopt onze 'Grootschipper
woonagtig in de Lemmer',aan Aukjen
Hessels en haar man Ruird Tjittes 'Seekere Huisinge gelegen te Woudsendt
hebbende Rintje Johannis ten Oosten de Voorstraat ten Westen, een buuse (?)
steeg ten Suiden, en een dito ten Noorden,' waarvoor het Strijkgeld bedraagt 'Een
Hondert en ses en Seventig Goud Guldens veertien stvrs tot agt en twintig Ses
't stuk, te betalen in goed gemunt en hier te lande gangbare gelde.' De
huurpenningen zal hij nog ontvangen tot 12 mei 1774, daarna zullen die 'tot
profijte van de Coperse' zijn. Er bestonden nog geen banken waar je
geld kon lenen. Marten beschouwde z’n scheeps-porties en huizen als zijn
kapitaal. Wilde je niets verkopen en toch ergens in investeren, leende je geld
bij mensen die genoeg hadden liggen. Bij voorkeur was dat familie, of
aangetrouwde familie. En als je jezelf wilde bedruipen verkocht je gewoon wat
van je bezittingen. Het jaar 1774 was dat laatste
kennelijk aan de orde, want naast het net genoemde huis, verkoopt hij aan
Wijtske Michiels Tromp en haar man Wieger Annes Visser 'Seekere Huisinge en
Hieminge, staande en geleegen te Woudsend, wordende tegenwoordig bij Alle
Broers cum uxore bewoondt en gebruikt, hebbende tot naastleegers de Ee ten
Oosten, Jan Palses ten Westen, Auke Alberts ten Zuiden en de vrije opslag van
Obbe Haantjes Erv. ter brete van vier voeten tot de Ee toe ten Noorden, welke
vier voeten de Cooper nooit sal mogen bebouwen.' Marten zal hiervoor 'vier hondert Gout gulds: veertien strs, ijder g:glden 20 strs' ontvangen en meldt keurig dat hij aan buurman Jan Palses al toestemming gegeven heeft om de 'mandelige muir hoger te mogen optrekken als des verkopers huising, míts Jan Palses aannam om de lekkagie daar door moge komen, altoos op sijn costen digt houden en 't hogergebouwde alleen onderhoud.' Want hij is wel goed, maar niet gek. We leven nu - het is rond 1775 - nog
volop in de pruikentijd. Marten Haringszoon de Koe is 38 jaar en blijft vanwege
zijn internationale werkzaamheden goed op de hoogte van de laatste mode. Hij
zal er met plezíer naar gekeken hebben. Zeker als hij Frankrijk aandeed zal hij
dames hebben gezien zijn bij wie deze mode - ook ooit uit Parijs overgewaaid
naar de Nederlanden - nog zeer in zwang was. Daar droegen ze kapsels die
voorzien waren van bloemen, veren of fruit, die vaak tórenhoog waren. Een
Engelse correspondent in Parijs zou zelfs verzucht hebben dat 'het gezicht zich
tegenwoordig in het midden van het lichaam leek te bevinden.' Niet alleen
dames, maar ook veel heren konden de verleiding niet weerstaan en kochten zich zo’n
‘kunststukje’. Wat er onder die pruikjes gebeurde?
Een rijmpje van Jacob Cats kan dat misschien verduidelijken. Nee, hij was geen
tijdgenoot van Marten, maar de adviezen van 'Vadertje Cats'- zoals hij ook wel liefdevol werd genoemd- werden nog op grote schaal gevolgd: Wast u handen, wast u
tanden Dickwijls, want het is u goet. Maer wast selden uwen voet. Doch al wat immer u geschiet, Wast u hooft sijn leven niet! Pruiken - pontificaal op de ongewassen hoofden
geplaatst - werden tijden achtereen gedragen. Maar zo af en toe hadden ze toch
een opknapbeurtje nodig en daar was de coiffeur dan goed voor. Voor hij begon
met kappen, verwijderde hij eerst het ongedierte dat zich er tevreden in
genesteld had en kamde er vervolgens - hij was nu toch bezig - en passant de
luizeneieren uit. Of er inFriesland in brede lagen van de bevolking aan
de mode werd meegedaan weet ik niet, maar het lijkt me dat ze niet erg veel op
hadden met extreme malle fratsen. Friese dames hadden bovendien hun eigen
klederdracht en zullen daar meestal wel de voorkeur aan gegeven hebben. Het was
alleen niet voor iedereen weggelegd een welvarend leven te leiden. Om de minderbedeelden te steunen, bedachten
sociaal voelende Woudsender Dorpsvoogden in 1775 het plan 'tot ondersteuning
van de Dorpsarmen,' en stellen de 'Articulen van t Merkgelt te Woudsend' op.
Ter goedkeuring vragen ze 'onderdaniglijk aan Zijn Hoogwelgeboren' meneer
Rengers, de Grietman van het dorp 'dat zijn Hoogwelgeborene dese nabenoemde
Artijkelen tot ondersteuning der gemelde armen, Goedgunstig gelieve te
Approbeeren, en met zijn Hoogwelgeborene handteekening te bevestigen.' Dit is de bedoeling: 1. Dat van een Aak, Sleed met binnenvis,
aal of spiering of een koopman met spelden, naalden, veters of andere
kleinigheden verkoopt zal betalen -:-1-: 2.Een Doekdrager of kramer met een pak
kroode of korf Langs de Straad zijn goed verkoopt, zal betalen -:-2-: 3.Dat een ordinaar beurtschip, of ander
Schip Sonder onderscheid die Goederen uitzet en verkoopt, of een visjager met zeevis, of een
Schip met beesemrijstakken, talhoud of anderhoud , of Raapen, kool, wortels,
aardappels, appels & ofte ijets van waarde verkoopt, zal betalen -:-2-: 4.Van
Een Pot en panschip of Zoetelaar -:-3-: 5.Dat een turfschip die turf
uitpresenteerd te verkopen, of een Praam of tjalk met swolse bomen, kromhoud of
ander swaarhoud & presenteerd, of verkoopt zal betalen -:-4-: 6.Dat de kooplui of kramers op de
Woudsender Merk 3 dagen zullen vri wesen, maar Langer als 3 dagen staande ijder
kraam zal betalen -:-3-: En een Tafelet, of houblok & zal betalen -:-2-: Nu was er beslíst begrip bij de
dorpelingen. En ze onderkenden gerust wel de noodzaak de armen te helpen. Dat
van dat Marktgeld was ook een heel goed idee. Op zich dan. Maar ze konden het
ook te gek maken, die Dorpsvoogden. Er kwam oppositie en naast artikel 6 werd
in de kantlijn gezet 'NB de Inwoonder of Burger van Woudsend, is van
Nevenstaande artykelen bevrijd van merkgelt,' waarna de Grietman Rengers op '19
Maij 1775' zijn handtekening plaatste en iedereen tevreden was. In 1776 geeft de dominee van Lemmer in het lidmatenboeken aan, dat 'Den 20 November met Attestatie van Woudsend tot deze gemeente overgekomen is Marten Harings de Koe.' 1776? Tot deze gemeente gekomen? Maar in 1774 hadden we hem er toch ook al aan-getroffen? Je weet wel, ''Grootschipper in de Lemmer'' stond er toen hij daar wat huizen verkocht. 't Kan zijn dat hij binnen korte tijd een aantal keren verhuisde van Woudsend naar Lemmer v.v., maar wat vind je van de optie dat hij misschien een periode gebruik maakte van dan het ene, dan weer het andere huis? Handig ook, in het vaarseizoen. Je was immers - komende vanuit een buitenland - sneller thuis in het aan de Zuiderzeekust gelegen Lemmer, dan in het meer landinwaarts gesitueerde Woudsend. Het is maar een idee hoor, maar het kán als je een paar huizen hebt. Op het wereldtoneel komt het
belangrijkste nieuws uit de Verenigde Staten, waar men zich in het jaar 1776
onafhankelijk van moederland Engeland verklaart. De Engelsen leggen zich daar
echter niet zonder slag of stoot bij neer en de Amerikaanse revolutie wordt met
wapens uitgevochten. Friese afgevaardigden binnen de Republiek der Zeven
Provinciën zouden later - in 1782 - overigens als eersten met het voorstel
komen de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika te erkennen. Het Amerikaans congres biedt
tegengas door Kaperbrieven uit te geven, waarmee - zoals je je herinnert -
zeeroverij gelegaliseerd wordt. Lees even mee onder het kopje ''Buitenland
Nieuws'' van de Leeuwarder Saturdagse Courant van 10 mei 1777: In Engeland gebruikte men
pakketboten voor het vervoer van post en passagiers, zoals bijvoorbeeld de
lijndienst tussen Londen en Harwich. Op vrijdagmorgen 2 mei krijgt de stuurman
van de Engelse boot een onheilspellend 'driemast schip, voerende geen vlag, in
het zigt.' De hele dag blijft het ding treiterig in de buurt hangen, maar er
gebeurd niets. Maar dan valt de avond en 'kwam dit schip nader by en de
paketboot gepraaid hebbende, klampte het dezelven aan boord.' Met een man of 20
lopen ze 'met geladen pistolen en bloote houwers in de handen.' De stuurman
probeerde nog plichtsgetrouw, maar vergeefsde belangrijkste papieren overboord te gooien en werd samen met de
passagiers in de kajuit opgesloten. De kaping was een feit. De luitenant van het Amerikaanse
kaperschip kwam naar de passagiers, 'hen verzeeke- rende dat zy gerust konde weezen, dat hun niets
zoude ontnomen, en zy des anderen daags aan de wal zouden gezet worden; dogh
ondertusschen bleven zy in de kajuit, met schild-wagten voor de deur.' Later
kreeg een ''visschers pink'' de opdracht iedereen aan boord te nemen en
vergezeld door de kapers werd men aan land gebracht in Scheveningen. Toen de kaper vertrok 'liet hij een witte vlag met roode streepen afwaayen, en salueerde hen drie schooten.' En tegen één van de passagiers zei hij: 'Als gy nu te Rotterdam komt, kunt gy zeggen, dat gy door een Amerikaan genomen zyt geweest, maar zegt er dan meteen by hoe men u behandeld heeft.' 'Golf'-oorlogje anno 1777. Onderwijl zat Marten niet stil. Als
koopvaarder had hij met heel wat mensen te maken, zoals medereders en
bevrachters. Maar in feite had hij een eenmanszaak en was druk als een klein
baasje. Hij moest er voor zorgen dat hem niet de loef werd afgestoken en was
altijd bezig met de volgende klus. In mei 1777 - hij vaart dan zélf met
het schip ''De Jonge Cornelis de Koe'' - accepteert hij een opdracht van de
kooplieden Johannes en Willem van Brienen en Zonen, om met '100 lasten reine
Hennep naar Ferrol'te reizen. Hij
krijgt 45 dagen om het schip te lossen. De vrachtprijs bedraagt '23 gld. per
last van 6 schippond, 10% voor Averij en 20 gld. per extra ligdag.' Dergelijke bevrachtings-contracten werden altijd
keurig bij een notaris geregeld. Voor deze acte was dat de geachte heer
Engelbertus M. Dorper, die er als bijzonderheid aan toevoegde: 'Het garnier is
voor rekening van de schipper, de matten voor de bevrachter', en 'Kaplaken: 42
gld. voor de schipper'. Weet je 't niet? Wat 'garnier' en
'matten' is? Dan moet je het zelf maar weten: hier komt de uitleg. Gevonden in
het door Nicolaes Witsen geschreven 'Architectura Navalis et Regimen Nauticum
ofte Aeloude en Hedendaegsche Scheepsbouw en Bestier' uit 1690: 'Garnieren is het schip binnewaerts, van onderen
en ter zijden met plancken beschieten, tot bewaring der ingelaede goederen,
welck dexel een Garnier genaemt wert.' En: 'Matten zyn t'zamen geweven kleden van dunne
touwen van platting: deze worden op de groote en focke-ree geleght, en op
draei-reepen, opdat zy tegen de maste niet aen stucken vrijven, als oock op de
boeg-spriet, en dolboort van het Schip, by de groote halzen, opdat de zeilen
niet aen stucken vrijven, oock om de schoot-horenen te bereiden.' Zo. Nu nooit
meer vergeten hè? En kende je dat woord al, kaplaken?
Ik ook niet. Nieuwsgierig zoeken in een hedendaags woordenboek leverde niets
op. Gelukkig bood ook hier een oude uitgave uitkomst: 'KAPLAKEN is een soms
bedongen bijslag op de zeevracht; Frans: "droit de chapeau". Vóór
1Oct. 1937 werd het nog genoemd in art.
599, 2e W.v.K.; het aardige woord is bezig in onbruik te geraken.' Aldus de
Winkler Prins Encyclopaedie van 1948. In 't kort: Voor Marten als kapitein
betekende het een lekkere fooi en het goeie gevoel dat de volgende opdracht ook
weer in de knip zat.
'Actum Lemmer den agsten Juny zeventien
hondert zeven en zeventig' verklaren Marten en Wijtske 'door deezen opregt en
deugdelijk Schuldig en ten agteren te weezen aan Haring Cornelis de Koe (de
vader van Marten) woonagtig te Elahuizen, een Soma van zeeven hondert en
vijftig Car. guldens xx stvrs ijder ter zake verschootene penningen.' Een en
ander dient 'tot betalinge van ons een agste deel van het Cof schip genaamt de
Jonge Cornelis de Koe, tans bij mij wordende gevoert,' waardoor Marten
mede-reder van dit schip wordt. Tegen schade aan je schip of lading, kon je je geheel of gedeeltelijk verzekeren, want er bestonden in diverse plaatsen al verzekeringsvormen. Deze verzekering werd vaak de Teekening genoemd en deze keer kozen zij 'tot Borge de Groote teekening van de Lemmer in dewelke wij ons met voornoemd schip hebben begeeven met volle magt om in cas van Ongeluk (dat God verhoede) daarin ten onzen voordeele kunnende.'Er moest wel wat tegenover staan, dus gaven ze 'ten onderpand alle Goederen General en Special onze inboel en huisgeraden.' (Leuk dat 'in cas', in plaats van 'in geval van'. Doen de Engelsen nu nog steeds.) Kleine opsomming van wat we van het
Kofschip met de illustere naam ''De Jonge Cornelis de Koe'' weten: -Het
schip werd in 1760 gebouwd. Reder was waarschijnlijk Dhr.Witteveen. -De Jonge Cornelis de Koe, Schipper
Fred Rijnders, 18 mei gepraaid (de Amsterdamsche Courant van 14 juni 1774) -Turks Paspoort verleend door de
Admiraliteit van Friesland (kon je aan zeerovers mee laten zien dat onze
regering goede betrekkingen onderhield met hún gezags-dragers, in de hoop dat
ze je verder met rust zouden laten) - (Lijst B I 424) - In de Amsterdamsche Courant: "In
1777 Cofschip De Jonge Cornelis de Koe - schip van 1760 nieuw uitgehaald (= gebouwd) L. 92vt
(=zo'n 26 mtr. lang) W22, 5vt hol 11vt - voor 4050,-- opgehouden''. Toch nog
eens navragen wat dat betekent, dat 'ophouden'. Terugkoopbedrag na een kaping ? -Amsterdamsche Courant van 12 april
1785 en Ned. Merc. 1785 bldz. 148: op 18 april is het schip te Amsterdam in
veiling, Kapitein Marten Harings de Koe. -25 Januari 1790 te Amsterdam in
veiling, Kapitein Sjouke Jacobsz., verkocht voor f 2000,-- (Ned. Merc. 1790
bldz. 28). Deze gegevens gevonden bij het Scheepvaart Museum
Amsterdam (verzameling J. van Sluis) en bij het Rijksarchief Leeuwarden,
bijeengebracht door J.Y Feenstra. En mocht je iets willen weten over
wat een Kof zoal aan boord had, wat de schipper bijvoorbeeld nog meer nodig
had dan zijn fats en een oude aap, de kok dan zijn ortketel of kokscomaliewant
en de bootsman dan z'n zaadschoppen en marrelpriemen, dan moet je er de uitgebreide
inventarislijst eener kof maar eens
op na lezen. De hoofdstedelijke krant hield veel
informatie over schepen - ook wel "scheepstijdingen" genoemd - bij.
Waarschijnlijk kregen ze die rechtstreeks door de Sonttol administratie
toegestuurd. Er woonden dan ook veelboekhouders (leidinggevenden bij een parten-rederij, zoals je inmiddels
weet), waaronder veel Friezen. Zij hadden vanuit dit centrum goed zicht op de
te verhandelen goederen. Je zag het al regelmatig gebeuren, dat - als het
genoeg opbracht - de ruimte in een schip werd verhuurd om er lading van anderen
in te vervoeren. Er werd so wie so veel vanuit Amsterdam gevaren omdat de stad
zowel de belangrijkste overslaghaven als de grootste zeehaven van de
Nederlanden herbergde. Van de - ondanks de Frans klinkende
namen - Amsterdamse kooplieden Jean Courtian en Jean Pascal La Costa kreeg
Marten op 2 juni 1778 de opdracht, om 105 lasten rogge vanuit Amsterdam naar
Riga te vervoeren. Eenmaal aangekomen moest hij zich melden bij Blanckenhage en
Comp. en de rogge lossen. Daarop ''Reine Hennep'' laden en naar Ferrol brengen.
Ferrol ligt in Galicië, aan de westkust van Spanje. Vervolgens zou hij in
Spanje 45 ligdagen krijgen om te lossen, nadat hij zich eerst had laten zien
bij Manuel Martin. Kaplaken was 50 gld. voor de schipper. Kijk, dàt graantje
pikte hij nog mooi even mee dankzij die rogge. Grof bemeten, had hij vanaf
vertrekpunt Riga zo'n 3000 kilometer voor de boeg. Misschien vraag je je af waar hennep voor gebruikt werd? Bij de scheepsbouw was dat een onontbeerlijk product. Van hennep werd touw gemaakt en om de schepen waterdicht te kunnen maken, werd het touw los geplozen en in teer gedrenkt.''Het breeuwsel''- want zo heette het dan - werd vervolgens met behulp van een breeuwijzer en hamer tussen de planken van een schip gepropt. Om bij de onderkant te komen, werd het schip aan de mast opzij getrokken (gekrengd). 'Kalefaten' werd het ook wel genoemd, waarmee ze 'het veroude aen een schip herstellen' bedoelden. Hier en daar hoor je nu nog wel eens dat er iets 'opgekalefaterd' moet worden. Niet? Goed, maakt niet uit: daar werd dus hennep voor gebruikt. In oorlogstijd hadden de kooplieden
vaak dik geld verdiend als ons land neutraal bleef. Die strijdvoerende landen
hadden het dan druk met elkaar, en onze koopvaarders grepen de kans handel te
drijven met beide ruziënde partijen. Maar tijden veranderen. Een groep
mannen begint zich nu wel ernstig zorgen te maken en stuurt in februari 1779
een brief aan de Heren Staten Generaal. Genoemde personen waren er namelijk
toevallig achter gekomen dat er een afspraak was gemaakt tussen de Nederlandse
en de Franse regering, die voor hen alleen maar slecht uit kon pakken. In dit ''REQUEST'' steken ze hun verontwaardiging
en zorg niet onder stoelen of banken: 'De ondergeteekende Kooplieden, Boekhouders
en Reeders woonagtig in de Provincie Vriesland, vertoonen met verschuldigde
Eerbied, dat aan hun is ter hand gekomen, een Reglement van de Koning van
Vrankrijk de dato 15 December 1778 betreffende de Commercie en Zeevaart der
Hollanders op dat Koninkryk: uit welke zy met de grievendste aandoening gezien
hebben de bezwaarnissen, die daar door op onze Zeevaart gelegd zyn.'In dat reglement stond ondermeer een besluit
van de ''Heeren Staaten Generaal'' om geen konvooi meer te verlenen (geen
bescherming meer te bieden) aan met hout geladen schepen op weg naar Frankrijk.
Dit zou tot gevolg hebben dat de onbewapende
koopvaarders overgeleverd zouden zijn aan de grillen van ieder hen
tegemoetkomend oorlogsschip en aan iedere willekeurige kaper! Buiten de dwang van het- nota bene door hún regering - goedgekeurde
reglement, had men al tegenwerking genoeg en hier zaten ze dus helemaal niet op
te wachten. 'Wij zyn onmogelyk in staat om onzen Zeevaart, die reeds op
allerhande wyzen, door andere Natien onderdrukt word, te mainteneeren, en
moeten dus een florissante Tak van s'Lands welvaren abondonneeren' stellen ze
vast. Belastingen en veilinggelden waren al verdub-beld en lagen in Franse
havens veel te hoog. Zij zien echt niet 'hoe zeer ook de Vragten steigeren,
gedragen, en goedgemaakt kunnen worden' en vrezen dat deze bedrijfstak ten dode
is opgeschreven. Als het nu alleen om hen zou gaan -
zeggen ze - zou er nog geen man overboord geweest zijn. Maar ze zijn bang dat
de rampspoed zich zal uitstrekken'over
een gansche meenigte hoog en laag van stand, ryk en arm.' Als de wind hen uit
de zeilen genomen wordt, zal dit onherroepelijk onplezierige consequenties
hebben voor velen. Mensen als Marten, of - in groter verband - Het Scheepvarend
Volk,zorgde immers voor een belangrijk
deel voor beschikbare arbeidsplaatsen? Een enorme rij beroepen van bij de zeehandel
betrokken personen wordt opgesomd, van Kuipers tot Kopersmeeden, van
Scheevhouten totSchyvemakers. Daarnaast zal de narigheid de
''Tweede Classe'' treffen, waaronder de Friese toeleve-ringsbedrijven. Zij
bezetten een belangrijke plaats in de Natie, zowel voor bouwmate-rialen, als
voor 'Victualie voor het Scheepsvolk; nu meest, ja byna eenig uit Producten van
deeze Provincie bestaande, als Tonnevleesch, Spek, Erweten, Boonen, Scheepsbrood,
Bier, Boter, Kaas &c.' Verder mopperen zij, dat het wel
normaal lijkt te worden dat Nederlanders buitenlandse Effecten kopen 'en
dus geen de minste belang hebben, by de bloey of ondergang van ons lieve Vaderland.'
Tenslotte heffen zij nog een waarschuwende vinger naar de heren
regeringsleiders: 'Een land bloeyt, wanneer er meer gelden van buiten ingebragt
worden, dan er behoeven tot betaaling van buitenlandsche Producten uitgevoerd
te worden; het geraakt in decadence, als het teegengestelde plaats heeft.' Hun oordeel is duidelijk:
het evenwicht is zoek. De risico's, zowel de persoonlijke
als de financiële, werden dus steeds groter. Maar had Vadertje Cats al niet
gezegd 'tMach wayen, stil zijn, vloeyen of ebben. Die niet waeght en sal niet
hebben'? Notaris E.M. Dorper moet op 27 mei 1779 weer z'n pen pakken om een
afspraak vast te leggen, die Marten maakt met zijn eerder genoemde Amsterdamse
handelspartners J. Courtian en J.P. La Costa. De reis gaat naar Riga (hij moet zich melden bij
Herman Fromhold) en vandaar naar Ferrol, waar hij een andere bekende zal
tegenkomen: zijn Spaanse handelsagent Manuel Martin. Op 29 mei 1779 laat hij de Monster
Rollen in orde maken, formulieren die altijd kort voor vertrek werden
uitgeschreven. Hij belooft er in zich aan het Zeerecht te zullen houden en
'geen Tabak of andere Contrabande goederen mede te voeren voor negotie, op de
boetens en straffe daar toe staande.' Je kunt het nalezen op de 'Monster Rolle
van de Officieren en Matroosen die haar verhuurt hebben, ende op de navolgende
Conditien aangenomen zyn, ten dienste van het Schip, genaamt d'Jonge Cornelis
de Koe, daar voor Schipper op commandeert Marten Harings de Koe.' Niet alleen de kapitein heeft zijn
verplichtingen, maar ook de manschappen. Die onder-schrijven 'Dat zy de
beveelen en ordres van den Schipper, ofte deszelfs Officieren in alle
gehoorzaamheyt ten dienste van het Schip en Goet, zullen naarkomen, ende zonder
tegenspreeken uytvoeren; Byzonderlyk het zelve tegens alle gewelt ende overlast
van Vyanden, met Gods hulpe, naar vermogen, is het doenlyk, bescermen, zonder
den Schipper in eenige noodt te beswyken ofte verlaaten, als eerlyke Officieren
en Matroosen betaamt.' Eén van de matrozen op deze reis, is zijn inmiddels
17-jarige zoon Haring en als 'jonge' zeilt zoon Anne mee, die dan 14 jaar is.
Zoals gezegd, deze trip voert hem naar Riga in Lijfland, dat toen bij Rusland
hoorde. Moest hij nu z'n Russisch oppoetsen?
Dat viel eigenlijk wel mee. Langs de hele Oostzeekust werd namelijk een soort
Platduits gesproken dat veel op Nederlands leek. Er woonden bovendien veel
Nederlanders die hun eigen taal spraken en op zeevaartscholen werd
regelmatigin het Nederlands les gegeven.
Zelfs op buitenlandse schepen was vaak een Nederlandse gezagvoerder te vinden
en de bemanning begreep dan snel genoeg uit welke hoek de wind waaide. (3) Voer je ''bij de wind'' (dat is
zoveel mogelijk naar de kant waar de wind vandaan komt) noemden ze dat in
Denemarken ''bi di vind'', in Zweden en Noorwegen ''bi de vind'' en in Rusland
''bejdevind''. Daar kwamen ze onder elkaar dus wel uit, de mannen. Nederlands
was de internationale voertaal en de invloed ervan was merkbaar in zowel Noord-
als Zuid Europees zeemansjargon. 'Hier zien wij zoo goed, hoe verschillende
sociale groepen bijna van nature internationale kringen zijn, die spotten met
grenzen of verschil van landstaal.'(12) Dat gold onverkort voor Marten, de
volbloed Fries die ongetwijfeld Nederlands sprak als hij reisde. In Woudsend tekent hij op 24
november 1781 een verklaring, als hij geld leent van zijn zwager Hylke Martens
Smid: 'Ik ondergeschrevene Marten Harings de Koe, woonagtig in de Lemmer,
bekenne onvangen te hebben van Hielke Martens, tans woonagtig onder den dorpe
Woudsend, de Soma van zeeven hondert en agt en dartig Caroli Guldens Agt
Stuivers en 13 penningen aan Winkelwaeren' zijnde een deel van de erfenis van
Hylke, uit de nalatenschap van 'wijlen mijn vrouws moeder Tjitske Annes.' (Een foutje trouwens. Moet Tjitske Hijlkes
zijn. Haar man heette Anne! En zou schoon-mama Tromp een winkel gehad
hebben?) Het lijkt er op dat Marten na de
dood van zijn ''vrouws moeder'' zijn schoonvader in huis neemt en verzorgt. Hij
zegt namelijk toe de schuld aan zijn zwager in termijnen van 100 gulden per
jaar te voldoen, onder aftrek van de kosten gemaakt voor 'onze vader Anne
Baukes tot wiens onderhoud gemelde Hijlke Martens meede voor een derde part
volgens moeders uitterste Wil verpligt is.'Marten mag er ten gunste van zijn schoonvader 'zo veel vangebruiken als nodig geoordeeld zal worden
voor zijn onderhout.' In het daaropvolgende voorjaar wordt
op 'den 21e Maart 1782' in Sneek dan ook het huis van Tjitske Hijlkes Tromp -
Martens schoonmoeder - financieel verdeeld over haar kinderen. Bij deze
gelegenheid verklaren schoonzus Hinke Annes en Wieger Annes Visser (die als
curator optreedt voor zwager Hijlke Martens Smid) 'dat zij in vollen Eigendom
overdragen hunne 2/3 gedeeltens in de Huizinge Cum annexis te Woudsend,
hebbende de Steeg ten Oosten, Jelle Hanses ten Westen, met alle lasten zo van
ouds' aan Wijtske Annes. Anders gezegd : Wijtske en haar man Marten de Koe
hebben er wel zin in het huis over te nemen en beloven er 500 karoliguldens
voor te betalen. We laten Marten even met rust, maar
blijven wél in stijl. Het isde hoogste
tijd voor: "Het Financiële
Nieuws van 1782'': Die naam Carolingische gulden
(Car.Gldns), of karoligulden, werd al gebruikt sinds 1521, de tijd van Karel de
Vijfde. Het muntje op zich bestond ten tijde van Marten al lang niet meer maar
de naam werd gebruikt als vaste omrekenfactor. Er waren namelijk nogal wat
steden en provincies die eigen munten, met ieder hun eigen waarden sloegen en
daarnaast was er veelbuitenlandse geld
in omloop. Omdat iedereen de waarde van de karoligulden kende, was hij zoiets
als de Euro van zijn tijd. In de Noordelijke Nederlanden was 1
gulden 20 stuivers waard en 1 stuiver was 16 penningen. De schrijfwijze was
meestal zo: 1-19-15, ook wel 1.19.15 of 1:19:15 (1 gulden, 19 stuivers, 15
penningen). Maar bij een optelsommetje moest je toch nog knap doorrekenen. Kwam er bijvoorbeeld 1-24-18 uit, begon je achteraan.
Denk even met me mee: - 18 penningen = 1 stuiver en 2
penningen (2). Stuiver optellen bij die 24 stuivers, wordt 25 stuivers. -Maar
25 stuivers = 1 gulden en 5 stuivers (5-). -Ene
gulden bij de andere optellen, wordt (2-). De uitkomst is (of wel 1-24-18 is
gelijk aan) 2-5-2 (2 guldens, 5 stuivers, 2 penningen). Ben je d'r nog ? Tastte je diep in de buidel, trof je
daar verder nog mijten, plecken, daalders, schellingen, duiten, penningen en
oortjes aan. Dat laatste oortje - een muntje met een lage waarde - moest je
niet versnoepen, dan had je helemaal niks meer over. En een duit was ook geen
cent waard.Die kon je dus net zo goed
in het (kerke)zakje doen. ''Op de penning'' moest Marten trouwens wel zijn,
want het is je duidelijk dat er nogal wat financiële zaken speelden in zijn
wereldje. Beknopte belastinggeschiedenis van Marten Haringszoon de Koe, te Woudsend: -Speciekohier van 1761 Woudsend staat
Marten vermeld als hij voor ''1 schoorsteen en 2 hoofden'' 6 Car. Gldns.
betaalt (RAL bldz. 21, nr. 136). -Reëelkohier van 1767, een soort onroerendgoed belasting. Een huisje, waar hij aan ''huiren'' per jaar 12 gulden voor ontvangt en (de 4e en 5 1/2 penning) 2-3-10 voor moet betalen. (GAIJ boek 105, bldz. 47 nr. 129). -Reëelkohier van 1787 is Marten Harings eigenaar en 'meijer' van ''Een Huis & Helling'' waarvoor een huur ontvangen wordt van 40 Car. Gldns. en de 4e en 5 1/2 penning betaalt wordt, ten bedrage van 7-5-6 (GAIJ boek 106, bldz. 61 nr. 131. Dit huis was in 1767 in het bezit van Michiel Hylkes Tromp). Al eerder zag je dat hij zich tegen
financiële ongemakken kon verzekeren. Woudsend kende zelfs in 1705 al een vorm
van scheepsverzekering en tot vandaag de dag zit er een grote
verzekeringsmaatschappij, genaamd Woudsender Verzekeringen. Maar zover in de
tijd is het nu nog lang niet. In 1783 werd er in navolging op die van het begin
van de 18e eeuw een nieuwe "Teekeninge" in Woudsend opgericht, deze
keer onder boekhouderschap van Ages Hylkes Tromp. Gelukkig heeft Marten geen verstand
van verzekeren. Hij vaart en viert feest, want in februari trouwt Haring -zijn oudste zoon - en een paar maanden later
zal oudste dochter Gerritje de bruid zijn. Niet dat er nou véél tijd was om bij
stil te staan;ze moesten aan de bak. Even voorstellen aan alweer een
handelsman waar hij mee in zee gaat: Francois Jacobus Dura, van de Firma Dura
en de Haen, koopman te Amsterdam. Aangenaam. Marten heeft kennelijk iets anders
te doen en laat zich op die 25ste maart 1783 in Amsterdam vertegen-woordigen door
Denijs (zeg maar Dennis) Tentje, van de firma van Heinen en Tentje. Denijs spreekt als plaatsvervanger
alvast de route af die gevolgd zal gaan worden. Marten wordt geacht vanaf
Lemmer het ruime sop te kiezen richting Pernau, gelegen aan de Oostzeekust.
Daar wordt vlas geladen, die vervolgens naar Oporto in Portugal gebracht moet
worden, waar hij 42 dagen denkt nodig te hebben om de zaken aan wal te krijgen.
Er staat nog als bijzonderheid in dit contract 'de schipper mag geen pakken met
vlas losmaken.' Wat bedoelen ze daar nou mee!? Misschien deden
sommige schippers dat om het laden te vereenvoudigen? Of duwde je opengemaakte
pakken makkelijker weg in de hoeken en gaten van het ruim en werden ze daarom
losgemaakt? Wie het weet mag het zeggen. Dan krijgt Marten er behoefte aan
het roer om te gooien. Hij besluit vanuit Lemmer terug te keren naar zijn
geboorteplaats, waar hij zich kan gaan warmen aan al het vertrouwdedat Woudsend te bieden heeft. Het is er weer
goed toeven, en 'ook ontbreekt er niets van 't geene tot uitrusting der schepen
noodig is.’ Want ‘behalve eenige Hellingen ofTimmerwerven worden er ook den vereischten
houtzaagmolen, lijnbaan, blok- en zeilmaakereij, benevens meer dan één smederij
gevonden. Voorts is dit dorp zeer vermaakelijk, weegens de groote doorvaart van
allerleije schepen, die van Leeuwarden, Sneek en van elders naar de Lemmer
gaan.' Zo is te lezen in ''De Tegenwoordige Staat'' van 1788. Toch laat de achteruitgang van de
koophandel zich nu ook bij Marten voelen. Als je maar genoeg regels verzamelt -
om er dan vervolgens iets tussen te lezen - kom je daar achter. Let dus op. Op 24 augustus 1785 laat hij
noteren: 'Marten Harings de Koe Kofschipper woonachtig te Woudsend, verklare
schuldig te zijn aan de Heren van Heinen & Fentje Makelaars te Amsterdam,
een somma van Een Duizend Caroli Guldens, weegens verschooten geld.'
Verschooten = voorgeschoten geld. En de namen van die brave broeders ''van
Heinen en Fentje'' werden dan weer zus en dan weer zo verstoethaspeld, maar ze
heetten eigenlijk van Heiningen en Tentije. Doet er niet toe, maar dan weet je
dat ook maar weer. Als tegenwaarde (voor die fl. 1000,--) biedt hij de 3/16 portie in het 'Kofschip de zes gebroeders Visser genaamd, dat door mij als Schipper staat gevoerd te worden en in deeze Jare van Wieger Annes Visser Scheepstimmerbaas te Woudsend nieuw uitgehaald, tot welkers betalinge deeze penningen zijn verstreeken.' Anders gezegd: hij wilde van het voorgeschoten geld 3/16 portie van het genoemde schip kopen. Het had als maten 96x23,5x12vt en was daarmee ruim 27 meter lang. De boekhouder en bouwer van dit
schip - Wieger Annes Visser - kwam oorspronkelijk uit Heeg, maar nam een
belangrijke plaats in binnen de Woudsender gemeenschap. Gelovig als hij was, prees hij zijn
scheepsbouwbedrijf als volgt aan bij mogelijke klanten: 'dat als de Heere wil
en ik leeve de uiterste mij mogelijke viegalantij zal worden behartigd om alles
op het spaarsaamste en voordeligste voor de Reederij behartigd zal worden.'
Bescheiden over zichzelf, zegt hij: 'Ik kan zeggen: geene in Vriesland de
Scheepen zo laag uithalen, maar om hier niet breed met Reedenen in te gaan, dat
ik op goede gronden zoude kennen doen, zo wil ik liewer dat de ondervindinge
dat bewiest want het is gelijk den Apostel zegt, niet den geenen die zig zelwe
prijst, maar die Een ander prijst is beproeft.' Nu zou dat zo klinken: Als u mij de opdracht geeft, zal ik er op letten
dat er zo goedkoop mogelijk gebouwd wordt. Ik durf te beweren dat niemand in
Friesland dat voordeliger doet dan ik. Daar wil ik verder niet op in gaan,
alhoewel ik - zonder mezelf nou op de borst te kloppen - daar bewijzen genoeg
voor heb. De ondervinding zal het u wel leren. En nauwgezet was ie ook, die Wieger,
zeker als het ging om zijn administratie. Zodoende weten we ook welk soort
kapiteins hij zich wenste op de schepen die hij bouwde. Naar zijn idee was een
schipper iemand 'die in het Burgerlijke Deftig, zonder vloeken, sweeren, Liegen
etc. maar die opregt is, kundig in de zeedienst, kloek, en Spaarsaam in de
Scheeps-behandeling.' In dat beeld en in die sfeer moet je
Marten dus plaatsen. Op 'den 26 Augusty 1785' - een dag na zijn vorige lening -
heeft hij nog steeds behoefte aan handelsgeld. Hij geeft onder het toeziend oog
van de notaris aan 'regtveerdig schuldig te zijn aan Rintje Johannes Tromp te
Slooten en Tjets Haijes Visser te Woudsend' ieder een bedrag van1000,-- Car. guldens, 'te zamen 2000
CarGuld:'. Daar moet hij dan een rente over betalen van 5%, of - in tijdstaal
uitgedrukt - 'van ieder hondert sjaarlijks zonder cortinge tot Interest vijf
Car.Guldens.' Verder betaalt hij 9% als verzekeringspremie 'voor 't pericul der
zee.' Rentes die toch geen kleinigheid waren. En genoemde Tjets, of Tjiets was trouwens
de schoonmoeder van zijn dochter Gerritje. Hij belooft: 'in Cas van ongeluk
(dat God genadiglijk verhoede) stelle ik mijne Crediteuren vrij van
vijandelijkheden en alle Haverij, hoe ook genaamd, en behouden varende te
varen.' Als onderpand dienen alle goederen 'tot Meubelen en huisgerade
incluis', alsmede het 3/16 scheepsportie van het 'in mijn als Schipper bevaren
Kofschip De Zes gebroeders Visser genaamd en dit jaar te Woudsend nieuw
uitgehaald.' Kennelijk was er flinke druk op
financieel gebied. Misschien wilde hij een buffertje creëren. Wie weet bleek
het kopen van een aandeel in dit schip voor Marten hoger uit te vallen dan hij
eerder veronderstelde. Het was de Heren uit het eerder genoemde REQUEST immers
ook al opgevallen dat 'de Reeders, die nu die Zaak verscheidene Jaaren hebben
aan de hand gehouden met weinig voordeel, dog op hoop van beetere tyden,'die hoop zagen vervliegen door de
beslissingen op regeringsniveau. Op 27 augustus 1785 - dus weer een
dag verder - verblijft hij bij Wieger Annes Visser, dienoteert: 'Haar Ed: voor het Beloop van 3/32 Part in 'tNieuwe Coffe Schip
de Ses Gebroeders Visser, waarop Schipper is Marten H. de Koe, voor de zomma
van 2062-10-0.' Wat een zéér aanzienlijk bedrag is. Maar geen 3/16 part! Drie weken later, op 17 September
1785, vaart hij met dit schip - het ruikt nog nieuw, naar hout, naar touw en
teer - de Amsterdamse havenmond uit om koers te zetten naar de nodige
verdiensten. De Amsterdamse vrachtenmarkt bood meestal goeie mogelijkheden,
maar deze keer was er geen vaste afspraak of gegarandeerde handel. Geen nood,
dan maar met 'De Ses Gebroeders Visser op Avontuer naar waar den captijn syn
orders koomen te vallen.' Eerst moest de aanmonstering
vastgelegd worden - je zag het al eerder - in de Monster Rolle der Officieren
en Matroosen. Al sinds jaren was dat een plicht die diende om ongeregeldheden
tussen schipper en bemanning te voorkomen. Die betreffende formulieren werden
ingevuld in het bijzijn van de Amsterdamse Waterschout of één van zijn
assistenten. Zij waren belast met de ordehandhaving aan de IJ kant, waar het er
vaak ruig aan toe ging. De heren liepen bewapend rond en dat schijnt geen
overbodige luxe geweest te zijn. In Martens' dagen was Hendrik Nobbe de
Waterschout en diens gezag uitstralende hoofd moet hij goed hebben gekend. Vanzelfsprekend was het beter
personeelsproblemen te voorkomen. Daarom had Marten meestal vertrouwde mensen
aan boord die konden meehelpen een oogje in 't zeil te houden, zoals
familieleden,of anders dorps- of
provinciegenoten. Was er uit die hoek niet voldoende aanbod, stapte hij naar de
zeemanskroegen, waar hij goede kontakten had en altijd wel werkwillige
zeelieden te vinden waren. Dat ging ongeveer zo. Die zeelui kwamen vaak van ver en
hadden hier geen vaste woon- of verblijfplaats. Daarom logeerden ze in kroegen
bij logementhouders, ook wel slaapbazen genoemd. Vaak waren dat personen die
aangesteld waren als makelaar ter zeevaart, wat inhield dat ze niet alleen
onderdak boden aan die gasten, maar ook zorgden voor een nieuw schip. 'Zeelui waren vaak zeer afhankelijk van hun
slaapbaas. Als de verdiensten niet voldoende bleken om de gemaakte kosten te
dekken, moest de zeeman bij de slaapbaas aankloppen voor een voorschot. Het
bedrag dat aan hem moest worden terugbetaald, werd niet zelden verhoogd met
30%! Daarmee belandden veel zeelui in een vicieuze cirkel, waarbij ze feitelijk
voeren om de schulden aan hun slaapbaas te kunnen voldoen.' (6) Het is wel duidelijk;
nooit een charitatieve instelling geweest, een kroeg. 'Als een kapitein (lees: Marten) bemanning
nodig had, zocht hij een makelaar ter zeevaart op, die een voorlopige equipage
voor hem aannam. Zodra het schip gereed lag, ging de kapitein naar het logement
waar de bemanning voor hem bijeen was gebracht; meestal was dat het logement,
waar de makelaar eigenaar van was. Daar maakte de Waterschout in aanwezigheid
van de verzamelde bemanning de monsterrol op, nadat elk van hen zijn papieren
had overlegd. Het gebeurde soms ook dat de Waterschout aan boord kwam om de
monsterrol op te maken.' Iedereen tekende en ontving één of twee maanden
gage als handgeld. Dat hing af van de reisduur.(6) In het Jaarboek van het CBG 1998
staat een stukje uit de memoires van ervarings-deskundige C.T. van Assendelft
de Coningh. Hij zou voor het eerst als bemanningslid meezeilen en herinnert
zich hoe het toeging in dit soort logementen. 'Zoodra wij des avonds het
monsterhuis binnentraden, dat weinig meer was dan een gewone herberg met een
ruim voorhuis, ging de kapitein met zijn scheepsofficieren naar boven, waar de
waterschout met zijn klerk reeds wachtende was, en liet mij in het voorhuis
staan. Half verstikt door de lucht van jenever en tabak,
waaraan ik nog niet gewoon was, blikte ik schroomvallig rond, en bevond mij
tusschen dertig of veertig matrozen en slaapbazen, meerendeels half dronken,
wier gespreken doorspekt met vloeken, tusschenbeiden vergezeld van een
vuistslag op tafel dat het huis er van dreunde, alles behalve geschikt waren
mij op mijn gemak te zetten' ( . . . )(6) Deze weinig romantische herinnering,
is er een uit een Rotterdams 'monsterhuis' in 1880. Marten was nog weer 100
jaar éérder kapitein. Wat denk jij: Zou het er in het Amsterdam van 1785 béter,
of nóg beroerder aan toe zijn gegaan? Zo lagen de zaken en anders niet.
Waarschijnlijk was Marten een rechtvaardige maar strenge kapitein die zelf wel
van wanten wist. Hij zal de ingehuurde zeelieden dat gevloek en getier wel
hebben afgeleerd, want hij was een godvrezend mens. Bij personeelsgebrek klopte hij daarom rustig aan
bij Harmen Janssen uit de Raamakers-gang in Amsterdam. Of hij probeerde het bij
Lang Jan Jacobs, de baas van de Witte Valk in de Cromelbogsteeg. Daar kon hij
met zijn schip vlakbij komen, door vanaf het IJ, via twee bekende Amsterdamse
binnenwateren te varen. Eerst door het rak naar de Dam en van daar verder het
rak in. Bij het aanmonsteren tekenden die Herbergiers dan voor de jongens, omdat zij de schrijfkunst niet machtig waren, óf onze taal niet voldoende kenden. Niet vreemd voor jongelieden als Jan Jacobs van Beete Borg (gokje op Götenborg?) en Carel Elias van Rouwaan (dat zal wel Rouen zijn), twee van de varensgasten die Marten werk bood. En die vaarroute herkende je
uiteraard. Ja toch? Inderdaad, het Amsterdamse Damrak (vroeger Op 't Water
genoemd)en het deel dat nu Rokin heet.
Weinig water te bekennen heden ten dage. Alleen kantoorpanden. Maar dat
zijstraatje van het Rokin dat de naam ''Kromelleboogsteeg'' draagt is er nog
steeds! Met alle financiële transacties rond
Marten, is het moeilijk na te gaan wat hij aan bezittingen had, maar armlastig
was hij zeker niet. Mensen hadden alle vertrouwen in hem, waarschijnlijk omdat
hij bekend stond als nauwgezet en kundig koopvaarder en man van aanzien in het
dorp. Soms zal hij de wind mee en soms tegen gehad hebben. Dat is handel. Toch zal de slechter wordende
situatie rond zijn werkterrein hem parten hebben gespeeld. 'Die welke directe
betrekking hebben op de scheepsbouw en zeevaart, welke zedert de belemmering
der vrije Scheepvaart zeer aanmerkelijk geleden hebben en nog lijden' las ik
over die periode. Daarnaast werd de concurrentie met schippers uit andere
landen steeds groter. Terwijl ze in de Nederlanden de afgelopen jaren steeds op
dezelfde voet waren doorgegaan - zij waren toch de beste? Dus wat zou je
veranderen? - had men in andere landen veel gedaan aan de ontwikkeling van de
schepen. Het laadvermogen was vergroot, de snelheid sterk verbeterd. Marten Haringsz. geeft het enige
antwoord dat hij in zo'n geval kan bedenken: Hij gaat onverminderd door met
zijn handelsreizen. Op 25 juli 1786 geeft hij aan met de "Juffrouw
Tjetske" naar Bordeaux te willen vertrekken. Stuurman Jelle Pieters van
Malkom monstert aan, kok Ypke Fokkes van Wartena is er bij en matroos op deze
reis zijn Göran Hanssen van Gothenburg en Jan Borgers van Jouwer. ''Jongen''
tenslotte is Ens Jöuwerens. Een kleine twee maanden later, op 14
september 1786,worden in Amsterdam al
weer de namen ingevuld van de bemanning die mee zal gaan op de volgende reis.
Het schip "D sesgebroerders Visser" zal uitvaren
naar Portugal. Zoon Anne de Koe - hij woont inmiddels in ''Hogesand'' - is weer
Stuurman en als ''jonge'' treffen we de 14-jarige zoon van Marten aan,
Cornelis, degene die later geen zeeman, maar Chirurgijn zou zijn. Verder werd
het schip bemand door kok Tomas Jurians van Lemmer en zijn koksmaatje Hendrik
Tunis van Amsterdam. Tenslotte nog de matrozen Hans Claase van Glukstad en
Claas Willems van NesmerZielburg (hoe zegt u?). Marten was kennelijk weer eens
succesvol geweest bij de Witte Valk. Hij trekt 4 weken uit om Lissabon
aan te doen, 'ofte Eenige Hafens deser Landen.' Als andere haven komt een stad
als Setubal in aanmerking, waar ook zout werd gewonnen, net als in Noirmoutier,
waar hij al jaren kwam. Men had er een wat ruwere zoutsoort, maar het stond
bekend als van goede kwaliteit. Portugees zout werd zoals je weet soms voor het
Oostzeegebied, of voor gebruik in eigen land meegenomen, waar ook een aantal
raffinaderijen waren. Woudsend hadzelfs
z'n eigen zoutkeet voor de ''Zoutziederij''. Niet alleen in de koopvaardij moest
er intussen steeds meer geschipperd worden om de economische achteruitgang het
hoofd te bieden. Ook op andere terreinen was de concurrentie moordend. Volg de
- via de Leeuwarder Courant uitgevochten - broodnijd tussen de ''Witte Beer''
en de ''Amelandse Piep'': 'L.C. VAN DER VEER Koopman in de WITTE BEER te
Leeuwarden, adverteerd, dat by de Oostindische Compagnie in Maart laastleden te
Middelburg gehouden, heeft gekogt, een aanzienelyke parthy THEE, van de bèste
Sortimenten.' Pal daaronder staat: 'H. BOLMAN Koopman by de AMELANDSE PIEP te
Leeuwarden, adverteerdt, dat hy een party THEE uit Zweeden en Denemarken heeft
ontvangen, die gantsch beter is als die in Middelburg door de Oost
Indische Compagnie is Verkogt'! De geschiedenis vertelt helaas niet wiens
verkoopaspiraties in rook zijn opgegaan. . . . . Marten
is het altijd aardig gelukt die concurrentie aan te gaan en een zeer goed
belegde boterham te verdienen. Volgens het reëelkohier van 1787 (boek 106, nr.
131) bewoonde hij een ''Een Huis & Helling'', waarvoor hij een aanslag
krijgt van 40.--.-- en 7.5.6 aan 4e en 5 1/2 penning. Varen was zijn manier van
leven. Een leven waarin de kou van het Oostzeegebied, werd afgewisseld met de
warmte van Zuid Europa.Waarin het
rumoer van de havenstad een tegenhanger vond in de stilte op het water. De
juiste toedracht kennen we niet. Zelfs niet de exacte datum. Maar een laatste
levensteken van Marten vinden we op 26 september 1787, als Wieger Annes Visser
in de boeken noteert wat de opbrengst is geweest bij Martens laatste reis over
Europese wateren. 'Mij koomt van haar Ed: de zuiwer owergeschoten Gelden, van
het Cof Schip de 6 Gebroeders Visser, gevoerd door wielen Marten Harings
De Koe, Credit 2190.--.--.' Uiteindelijk
brengt de Leeuwarder Courant op 22 maart 1788 het bevestigende bericht, dat er
inderdaad een eind aan zijn bestaan is gekomen. De eindafrekening van zijn
intensief zakelijk leven kan dan gemaakt worden en een deel van zijn
bezittingen wordt een aantal maanden na zijn overlijden verkocht om de
crediteuren de bedragen die hen rechtens toekomen terug te kunnen geven. De
Leeuwarder Courant verwoordt dit als volgt: 'De Secretaris ADEMA, zal op Woensdag den
26 Maart 1788, 's Morgens om 9 Uur by Boelgoed Verkopen, ten Sterfhuize van
Marten Harings de Koe, in leven groot Schipper te Woudsend Meubilen en
Huisgeraden , Linnen en Wollen, Bedden, Mans en Vrouwen Klederen, Porcelein,
Zilver en Goud enz.' Dezelfde secretaris 'zal op
Donderdag den 27 Maart 1788, 's Avonds om 5 Uur by de 1ste Zitdag in de Herberg
te Woudsend publicq Verkopen: Een welbetimmerde HUIZINGE en ERV te Woudsend,
door Marten Harings de Koe laatstelyk bewoond en 1/32 PORTIE in 't Coffeschip
door Haring Martens de Koe als Schipper gevoerd,' waarmee alle aardse zaken
waren afgehandeld. Maar Marten de Koe - de zoon van Haring -maakte zich daar volstrekt niet meer druk om.
Die had de steven gewend voor een volgende reis. Een reis nog verder dan de
horizon. > verder naar de vader van Marten < terug naar zijn zoonCornelis
Deze pagina is onderdeel van www.genpage.nl |