GenPage

  GenPage.nl

  

Hessel Hiddesz. de Koe (1904-1982)

 

 

 

Hessel Hiddesz. de Koe

(1904-1982)

 

 

 

Ze woonden meestentijds in Woudsend, die voorvaders De Koe, een dorp gelegen in de Zuidwesthoek van Friesland, waarover een volksuitspraak luidt: ''Wâldsein is yn âldetiden op in pôlle groun oandriuwen komd en doe festrêkke. Dêrom neamt men it ek wol de Driuwpôlle.'' Voor de niet Friestaligen (ondergetekende dus) een vertaling:Woudsend is in vroeger tijden op een pol grond aan komen drijven en toen vastgeraakt. Daarom noemen ze het ook wel ''De Drijfpol''.

 

Een waterrijke omgeving dus. Altijd al geweest.

 

Wanneer je aan de terugtocht begint op het pad van de voorouders, denk je onwillekeurig: "Een armetierig bestaan was het soms wél!" Tja, achteraf zou je dat zo kunnen zeggen. Maar besef dan wel dat het een stuk makkelijker praat, met twee lange benen in de 21ste eeuw.

 

Gelukkig bleven het optimisten, want het leven ging door. Zo kwam het, dat op 23 april 1904 Hessel werd geboren, als tweede kind in het arbeidersgezin van Hidde en Durkje de Koe. Het spreekt voor zich dat ze geweldig trots waren op hun stamhouder. Net zo goed als de gevolgen vanzelfsprekend waren: hier was een extra mond die gevuld moest worden. Goed, dan maar iedere cent geen twee, maar drie keer omdraaien.

 

Ze verdienden niet veel, de mensen van toen, en voor een beter salaris moesten ze soms ver gaan. Hessels vader - Hidde dus - was dat wel gewend. Al van jongs af aan reisde hij vanuit Woudsend helemaal naar 'Duitschland' om er in het seizoen te werken als er daar meer viel te verdienen. Winterdag keerde hij dan weer terug naar Friesland. In de archieven staat dat hij er in 1907 zelfs met het hele gezin naar toe trok, dat inmiddels bestond uit vader Hidde, zijn vrouw Durkje, de dochters Pietertje en Anne en de 3-jarige Hessel.

 

Kinderen waren niet rijk bedeeld met speelgoed. Hessel moest zichzelf maar wat zien te vermaken en dat lukte hem best. Maar bij begrafenissen was er 'echt' werk voor hem aan de winkel. Dat kwam zo. Zijn Heit had een bijbaantje als drager bij het laatste ritje van zijn dorpsgenoten. Klein mannetje in stemmige streepjesbroek, lange zwarte jas en dito hoge hoed. En als er dan weer eens een sjouwtje was, liep Hessel met z'n vader mee en mocht de hoge hoed dragen, die in een ronde doos met hengsel opgeborgen zat.

 

Glimmend van trots liep hij op een dag, zwierig zwaaiend met de hoedendoos, op het pad langs de waterkant. Maar opeens vloog de deksel van de doos en ....... daar rolde de zwarte hoed de prutsloot in. Tja, wat doe je dan? Gelukkig hebben ze hem weer uit het water weten te vissen, waarna ze prut en kroos er zo goed mogelijk afveegden. Die middag deed zijn vader z'n droeve plicht met een gezicht dat hij maar eens extra op 'dood-ernstig' zette. Er was dan ook aardig wat vermogen voor nodig om de naar modder ruikende hoed te doen vergeten, die nog zo heftig nadruppelde, dat het riviertjes tekende op zijn weer-en-wind gezicht.

 

De straat waar hij woonde, - de Midstrjitte of Midstraat - was in het begin van de 20e eeuw dé winkelstraat van het dorp. Klompenmaker, kruidenier, drankenhandel, bakker, hoeden- en pettenmaker, alles wat een mens maar nodig had kon je er vinden. Verder had je erde Christelijke school - met Meester van der Brug als het Hoofd der school - die vanzelfsprekend een belangrijke plaats in nam in de jeugd van Hessel.

 

Wanneer er wat tijd over was, speelden ze in de steegjes bij de school, de klompen klepperend op de keien. En tijdens de lessen leerden ze lezen met het leesplankje van Aap Noot Mies, naar de gewoonte van die tijd. Schrijven kostte hem, omdat hij links was, wat meer moeite. Vandaag de dag - nu er zelfs speciale lesboekjes voor linkshandigen zijn - zou je denken: "Nou én?" Toen lag dat duidelijk anders. Links schrijven was zelfs verboden en een venijnige tik van de meester hield je dan in het gareel.

 

Gelukkig werd er veel gezongen en dat maakte alles weer goed. Trotse vaderlandse liedjes,zoals 'Waar de blanke top der duinen' en 'Wie Neerlands bloed door d'aderen vloeit, van vreemde smetten vrij' stonden er op het repertoire. Daar keek toen nog niemand vreemd van op.

 

Om half vier ging de schoolbel en dan stond Hessel in een mum van tijd weer op straat. Vaak zorgde hij dat hij in de buurt van de Eewal kwam, want bij De Beurs, de plek waar in vroeger dagen de bevrachting van de schepen werd verhandeld, besprak het Woudsender manvolk het laatste nieuws. En - kon het mooier - de glorie van de volwassenheid straalde dan op hem af.

 

Anthony Fokker, een jonge Nederlandse vent, was bijvoorbeeld groot nieuws. Wat die nou toch geflikt had? Oh ja, ieder kind wist wel dat het in 1903 een paar Amerikaanse broers gelukt was een vliegtoestel kort in de lucht te houden. Maar nu, in dit jaar 1911, verbaasde híj heel Nederland door met zijn zelfgebouwd vliegtuigje 'De Spin' rondjes te vliegen rond de toren van de Sint Bavokerk in Haarlem. Dat een Nederlander dat zomaar kon! Vliegen!De mensen voelden een vreemd soort trots, bijna alsof ze het zelf gepresteerd hadden. Aan de andere kant waren er ook die het met die nieuwerwetse fratsen niet eens waren en het gebeuren afkeurden. Zij meenden: "Als onze Goeie God gewild had dat mensen konden vliegen, had Hij ons wel vleugels gegeven." Maar Hessel hoorde duidelijk tot de eerste soort.

 

Bij de Ee hadden de heren het natuurlijk ook over dingen van dichter bij huis. Zoals over sommige boeren die hun melk uit zuinigheid verdunden met water. Nee, niet met water uit de pomp, maar met slóótwater. Toen de regering dat in 1912 verbood, knikten ze goedkeurend. Hessel hoefde alleen z'n oren open te houden om straks de laatste nieuwtjes aan tafel te kunnen vertellen. Vergat hij gelukkig ook wat er aan karigs op z'n bord lag.

 

Voor een jongen van zijn leeftijd was het uitbreken van de eerste wereldoorlog in 1914 alleen maar spannend. Generaal C.J. Snijders werd benoemd tot Nederlands opperbevelhebber, maar erg druk met oorlogshandelingen zou hij het niet krijgen. Dat was overigens meer te danken aan de Duitse legerleiding, die z'n manschappen liever inzette aan het oostelijk front. Want om nu te zeggen dat ze onder de indruk waren van ons leger? Nee.

 

Nederland was in deze oorlog neutraal, maar vanwege de mobilisatie marcheerden er toch levensechte soldaten door de straten van Woudsend. Ze zaten ingekwartierd in de oude herberg van Reitsma, op het hoekje van de Eewal en De Dijk, daar waar de hoge lindebomen stonden. En waar soldaten waren, zag je jongens die ze na aapten. Met grote mannen stappen, houten geweren en krijgshaftige mutsen, gevouwen van papier.

 

Januari 1916 was een rampmaand. Weer eens ondervond Nederland het nadeel van haar waterrijke ligging nadat een hevige zuidwester storm over haar heen raasde, die langs de hele kust dijkdoorbraken en overstromingen tot gevolg had. De water van de Zuiderzee stond meer dan 2,5 meter boven het normaal Amsterdams Peil. Mensen vluchtten - soms met vee en al - de kerken in, die vaak op hoog land waren gebouwd.

 

Sommige boeren, die geen land en geen voedsel meer voor hun dieren hadden, kregen van 'vriendelijke' collega's de aanbieding hun dieren tegen weggeef prijzen te verkopen, zodat zij er op hun beurt een aardige winst voor konden maken. Er was tenslotte nog steeds een oorlog gaande en de legers van niet-neutrale landen wisten wel raad met extra voedsel. Er verdronken bij deze catastrofe ook veel mensen en een massa raakte dakloos. De regering startte plannen om de Zuiderzee af te sluiten, zodat dergelijke ongelukken in de toekomst konden worden voorkomen.

 

Voor Hessel kwam er een eind aan zijn lagere school periode. Het werd tijd voor andere zaken, want voor doorleren ontbrak de belangrijkste schakel: geld. Op z'n klompen, de handen op de rug - z'n Heit naast hem gaf het goeie voorbeeld - stapte hij naar het Gemeentehuis. Daar noteerde de klerk wie Hesselseerste baas zou gaan worden: A. Tromp in Ypecolsga op de 12de mei 1917.

 

Een rare dag om te beginnen, denk je, de 12e? Dat kwam zo. In een aantal provincies was in het jaar 1700 de kalender bijgesteld. De eerste 11 dagen 'verdwenen' , door 1 januari simpelweg 12 januari te noemen en dat zo te laten. Maar die dagen bleven wel zoek! Dankzij de gemiste dagen was zowel de datum dat er huur werd betaald, als de eerste werkdag bij een werkgever nog heel lang de 12e van de maand. Die verdwijntruc uit 1700 was dus - zelfs na ruim 200 jaar - nog steeds merkbaar. Je zult hem in deze stamreeks nog vaak tegenkomen.

 

Daar ging Hessel, net 13 jaar oud, aan het werk bij een boer in het buurdorp Ypecolsga en was daarmee geen uitzondering. Sterker nog, zijn ouders vonden dat hij mazzel had. Hún arbeidsleven begon toen ze 10 waren. 'Niet zeuren' was hun motto, want een werkend kind was weer een mond die zichzelf kon vullen.

 

Toen hij op een leeftijd kwam dat hij meisjes interessant begon te vinden ging hij naar feestavondjes toe, waar werd gedanst, gekletst, geroddeld én gezongen. Soms was er zelfs een innige verstrengeling van die laatste twee, zoals bij Klaske en de eerbiedwaardige Burgervader. Je kent ze niet? Dit is hun verhaal.

 

'De Burgemeester van Woudsend bewoonde een deftig huis aan het Julianaplantsoen. Tot dan was hij een man van onbesproken gedrag, actief op maatschappelijk en kerkelijk gebied. Nu was hij onlangs weduwnaar geworden en in zijn eenzaamheid had hij genegenheid gezocht bij zijn dienstmeisje Klaske. Dat zou allemaal nog redelijk te begrijpen zijn, ware het niet dat de man 81 jaar was en zij een jonge blom van 18. Toch een leeftijdverschil waar je zelfs vandaag nog vreemd van opkijkt. Dat de Burgemeester op zijn oude dag een prima prestatie had geleverd bleek toen hun samenzijn een gevolg kreeg.Klaske werd zwanger en beviel 9 maanden later van een tweeling.

 

Het was een gebeurtenis die lang het gesprek van de dag was en zoveel indruk maakte, dat er een ballade op werd gemaakt die nog lang in het geheugen bleef hangen. Nog heden ten dage zijn er mensen in de Zuidwesthoek van Friesland die de ballade geheel of gedeeltelijk uit het hoofd kunnen zingen.' Dat schrijft Jan J. de Vries in 2000 in 'De Driuwpôlle', het blad waar dit verhaal in werd opgetekend. Hij noteerde ook delacherige consternatie in het dorp, samengevat in de tekst van 'De Ballade van De Burgervaarder'. Gaan we:

 

Er woont een oude grijsaard

Het is een weduwnaar.

Hij huurde eene dienstmeid

Van omstreeks achttien jaar.

 

Het meisje vlug en moedig

Volbracht getrouw zijn zin.

Beloofde hem al spoedig.

Te zijn, zijn liefdemin.

 

Gij zult nu toch wel vragen:

Wat is er toch geschied?

Hij bracht in 't laatst der dagen,

dat meisje in verdriet.

 

Hij heeft dat kind geslagen,

met zijn Klok en Hamerspel.

 

(Er ontbreken vermoedelijk 2 regels van het voorgaande couplet).

 

De wond die wou niet helen.

Zij dacht: och kom toch aan.

En is toen uit verveling,

naar de Dokter toegegaan.

 

De Dokter heeft gesproken:

Ik vind het wel wat raar!

U heeft een vlieg gestoken,

van één en tachtig jaar!

 

Die vlieg dat is de vader,

van 't burgerlijke recht.

'k Vertel het u niet nader.

Dit heb ik u gezegd.

 

Zij loert nu met verlangen,

ziet telkens om haar heen,

om de oude vlieg te vangen.

Maar ach, hij is verdween.

 

Tot zover het verhaal van de misstap van de Burgemeester, die zijn gezichtsverlies onderstreepte door een poosje te verdwijnen. 'Maar', voegt Jan J. de Vries er nog aan toe 'laten we vooral niet vergeten dat hij een waardevol lid van de Woudsender samenleving is geweest. Bovendien heeft hij de gevolgen van zijn daden uiteindelijk op een keurige manier geregeld.' Waarvan acte.

 

Een en ander nam niet weg dat op genoeglijke avondjes in het dorp dit lied - al naar gelang het peil van de drank - met grote regelmaat werd aangeheven. Hessel was niet zo'n drankorgel. Veel te duur. Die dronk zuinig z'n kogelflesje leeg en gaf z'n ogen de kost. Zag hij wat aardigs, dan was het de kunst een afspraakje te regelen om haar naar huis te mogen brengen. En woonde het onderwerp van zijn bewondering 10 kilometer verderop deed dat hem niks, want in zijn achterhoofd gloorde dan al de hoop op een beloning in de vorm van een kusje, of wat meer. Dat je dan bij nacht en ontij weer in je eentje terug moest lopen hoorde bij het spel.

 

In 1920 en 1921 verhuurde Hessel zich nog als boerenarbeider in Elahuizen en aan de Indijk in Ypecolsca bij Tj. Kampen. Want boerenknecht, dat was z'n beroep. Z'n vader deed dat werk, z'n Pake ook en diens vader misschien ook al wel. Geen wonder dus dat ze die naam droegen: De Koe. Maar er was verandering op komst. In Woudsend waren niet veel arbeidsplaatsen, omdat het van oudsher geen agrarisch dorp, maar eerder thuishaven voor koopvaarders en bij de scheepvaart betrokken handwerkslieden was. Die nering was echter al lang geleden in verval geraakt, dus zochten arbeiders andere wegen het beter te krijgen.

 

Misschien kwam het ook wel door de enthousiaste verhalen van z'n tante Martje de Koe, die maar een paar jaar ouder was dan hij. Zij was met haar man Anske Schotanus vanuit Woudsend naar Amsterdam verhuisd, waar hij als wegwerker in dienst was getreden bij de Spoorwegen. Het waren gastvrije Woudsenders die voor veel Friese Holland-gangers die hun voorbeeld volgden, een startpunt zijn geweest. "Kom maar bij ons tot je een dak en een baan hebt" zei Anske dan.

  

Voor tante Martje was het soms wel wat druk. En zonder kosten ging het ook al niet. Maar om nou haar goedbedoelende Anske wat te weigeren was toch al te mal. Waarschijnlijk heeft Anske voor meerdere dorpsgenoten een goed woordje gedaan bij z'n baas. Dat kon hun zoon Cornelis, die dit verhaal vertelde, zich allemaal nog wel herinneren. En - je raadt het al - Hessel kon ook aan de slag 'bij het spoor'. De 2e april 1922 werd zijn eerste werkdag, wist een medewerker van de Spoorwegen nog uit de archieven op te diepen.

 

Hessel vond tijdelijk onderdak bij zijn pasgetrouwde neef Abe de Koe die ook bij de Spoorwegen werkte en bij Anske en Martje begonnen was. Maar soms was Hessel een dwarse, temperamentvolle jongeman en na verloop van tijd leek het beter de jonggetrouwden alleen te laten en op zoek te gaan naar een plek voor zichzelf. Bij welke hospita hij toen terecht is gekomen vertelt de geschiedenis niet.

 

Naast genoemde trekjes, was Hessel overigens een prima vent. Een goeierd ook. Dat blijkt wel uit een brief van zijn moeder Durkje, waaruit je kunt opmaken dat hij - buiten hun medeweten - een schuld voor z'n ouders afbetaalde. En z'n Mem - die bijna nóóit schreef omdat ze bang was fouten te maken - vertrouwde haar dankbaarheid als in één adem aan het papier toe:

'Geliefde zoon, jij zul wel op zien dat er al een brief is, maar ik had zoon ontmoeting bij Westen, dat ik was zoo in de war, want hij zij je hoef niks meer te betalen, dat was een verrassing waar ik niet op gerekent had ik zij tegen A geef mij maar een pen en inkt dan zal ik dadelijk schrijven want ik was er heel blij over, maar het was mij haast teveel!' En even verderop staat: 'ik dacht al zijn er ook 20 fouten dat kan mij deze keer niks schelen.' Gelijk had ze!

 

Zo was de start van Hessel’s Amsterdamse jaren. Een periode van hard werken volgde. Misschien een vriendinnetje hier of daar en een incidenteel bezoekje aan z'n ouders in Friesland. In die dertiger jaren was het volop crisistijd en velen hadden het ronduit slecht, maar Hessel zat wel goed met z'n vaste baan als wegwerker bij Het Spoor.

 

Toen kwam het jaar 1932, waarin hij in de Amsterdamse Tsaar Peterstraat bij een tramhalte zijn toekomstige vrouw Lene Tiddens ontmoette. Ze raakten aan de praat omdat ze beiden juist van een koorrepetitie kwamen en dat zorgde voor de nodige gespreksstof. En - alsof het zo bedoeld was - ook Leentje was van Friese afkomst. Na een paar genoeglijke ontmoetingen werd er op 6 april 1933 getrouwd in het Amsterdamse stadhuis aan de Amstel. De huwelijksinzegening vond plaats in de Nieuwe Kerk op de Dam, waarna ook nog een deftige receptie werd gegeven. Vervolgens werden de twee trappen van hun nieuwe onderkomen beklommen en kon het huwelijksleven beginnen.

 

In 1935 worden Hessel en Lene verblijd met de geboorte van Hidde en in 1939 komt - als rijkeluiswens - dochter Bep. Dan breekt de tweede wereldoorlog uit en wordt Hessel - en velen met hem - na verloop van tijd verplicht om in Duitsland voor de 'arbeitseinsatz' aan het werk te gaan. Zo lieten de Duitsers zich helpen de oorlogsmachine draaiende te houden. Hessel weet hieraan te ontkomen door onder te duiken bij de familie Schouten-Schotanus in Holysloot, die Friese connecties had. Tijdens die oorlogsjaren blijft hij officieel in dienst van de Spoorwegen en als die is afgelopen, kan hij er weer aan het werk. Nu als onderploegbaas, waar hij de leiding krijgt over 40 personen.

 

Als Hessel’s vrouw Lene een periode niet erg lekker is, zegt de huisarts dat het een klein vrouwen probleempje betreft, dat hij een 'vleesboom' noemt. Pas na 6 maanden zwangerschap - want dat bleek het te zijn - moest hij toegeven dat zijn diagnose niet de juiste was geweest. Nakomertje Dirk, genoemd naar Beppe Durkje, werd in het barre begin van 1947 geboren, waarin dokter en vroedvrouw zich, om bij de kraamvrouw te komen, eerst een weg hadden moeten banen tussen de manshoge sneeuwwallen door. Devroedvrouw zou de protesterende jongste telg opgepakt hebben en profetische woorden hebben gesproken toen zij zei: 'Die gaat later met zijn mond z'n brood verdienen!'

 

Een paar maanden later is Hessel 25 jaar aan het spoor en dat wordt groots gevierd. Bij die gelegenheid schrijven zijn collega's een gedicht, waarin een aantal ''subtiele trekjes'' van hem in aan bod komen.

 

Een paar regels:

 

'Hij wou maar vlot de sporen in de hoogte gaan sjorren,

En zou hiervoor graag deze mensen met de schop in de ribben porren.

Hierbij waren reuze domme elementen.

Die dachten, ik kom hier om de centen.

Dit nam Vriend Hessel weer niet,

Dan kreeg hij een hoofd als een biet.

Pas op, met zoiets is hij niet te genaken,

Want liefst zou hij de hele zaak dan kraken.

Maar heeft hij het eenmaal weer gezegd,

Dan is de zaak ook spoedig weer bijgelegd.'

 

Zo denken zijn 'onderdanen' bij de Spoorwegen over hem op die 2e april 1947. Nadat hij er zijn sporen had verdiend en in 1955 afscheid nam, startte hij zijn werkzaamheden bij het Rijksmuseum, waar hij nog jaren de wacht zou gaan houden over de 'Nachtwacht', als nachtwacht.

legitimatie rijksmuseum hessel de koe 

Ik herinner me nog dat tijdens die loopbaan Nederland in de ban was van een razend spannende TV serie, die 'Het spook van het Louvre' heette. Het ging over mysterieuze moorden, gepleegd in een museum. En de butler had het niet gedaan. Iedereen bleef er voor thuis en griezelde mee. En dan moest HIJ weer de nachtdienst in. Nou, ik kan je vertellen dat het knap tot de verbeelding sprak! Hessel liet zich dan ook tijdens zijn nachtelijke wandelingen altijd vergezellen door twee trouwe metgezellen: een oversized gummiknuppel en een gevaarlijk ogende boksbeugel. Want je wist maar nooit wie je tegenkwam in het donker!

 

Zijn kinderen bezorgde Hessel, samen met zijn Leentje, prachtige jeugdjaren. Er was een warm welkom voor vrienden en vriendinnen en vaak was er tijd voor spelletjes, variërend van klaverjassen tot trik trak en van hartenjagen tot sjoelbak. En, oh ja, een spel dat ringspel genoemd werd. Nooit meer gezien na die tijd. Dat zorgde soms voor dusdanig hilarische taferelen, dat er dames waren die het niet droog hielden.

 

Er werd een glaasje Riedel of Extase gedronken en soms waren er zoute pinda's, die werden geserveerd in een klein houten bakje. Daarbij hoorden schaaltjes van nog geringere afmetingen. Hooguit een centimeter of 6. Ik geloof dat er in ieder huishouden toen wel zo'n 'pindasetje' stond. Het toppunt van feestvreugde was wel als die minieme bakjes voor een tweede keer werden gevuld. Wat zuinigheid was wisten ze wel in die naoorlogse jaren. De zaterdagavond was gereserveerd voor speciale 'etentjes'. In tegenstelling tot het vaste eetpatroon, werd er dan gekozen voor uitsmijters of boerenomeletten.

 

Nog gedurfder lekkers kwam van de afhaal Chinees. Er was een rit door weer en wind naar Amsterdam Oost voor nodig (15 kilometer heen en terug schat ik), omdat er nog geenChinees in Noord gevestigd was. Zo gingen kroepoek en bami, samen met een loempia (sambal bij?) achterop de Batavus en bovenop de warme schoot mee naar huis. Daar lagen de eieren al in de pan, sinds de eerste geluiden van het aanstormende brommertje te horen waren geweest. Dan snel in de 'aanval' , want anders was het zaakje koud. Niks 'zulluh wuh maar effe wat bij de Chinees haluh.' Een féést, vond je dat!

 

En altijd werd er tijd gemaakt voor het luisteren naar muziek, de factor die Hessel en Leentje van meet af aan gebonden had. Nee, niet zomaar even luisteren. Als het op z'n mooist ging, hoorde daar een recept bij, waarbij de volgende ingrediënten een must waren: de lichten gingen uit, de kaarsjes aan. Een drankje werd op grijpafstand gezet. Vervolgenswerd er een orgelconcert of koorplaat op de - op aandringen van de jongste aangeschafte - uiterst moderne B&O pick-up gelegd, en de boxen minutieus in het gelid gezet. Apparatuur dietussen haakjes ook al een rit achterop dat brommertje had over-leefd. Vanaf dat moment werd er - tot aan het gaatje - in alle stilte geluisterd tot de laatste klanken waren weggestorven. Dat waren nog eens tijden.

 

In zijn jeugd had Hessel gehoord over Anthony Fokker, de eerste Nederlander die vloog. De ontwikkelingen in de luchtvaart gingen echter snel. Zo snel zelfs, dat sommige mensen het nauwelijks konden bijbenen. Een zwager van Hessel - Bote was zijn naam - geloofde er geen snars van dat er ooit mensen op de maan zouden landen. Dat zou zijn God nooit toestaan, meende hij. Hessel was ruimdenkend en er juist van overtuigd dat het wél mogelijk was. Het heeft een jarenlang stilzwijgen tussen de twee zwagers opgeleverd.

 

Oom Bote zat er naast. De ruimtevaart deed zijn intrede en in 1969 zagen Lene en Hessel op hun eigen TV - ''dat grijze oog'' zeiden mensen die zich zo'n ding niet konden veroorloven neerbuigend - hoe de Amerikaan Neal Armstrong op de maan landde en deze kleine stap voor een mens, maar oh zo grote stap voor de mensheid zette.

 

Zijn eigen luchtdoop beleefde Hessel in 1972 toen hij per vliegtuig voor een weekje Parijs vertrok. Volkomen ondersteboven was ie ervan en dat liet hij - terwijl hij in dat vliegtuig door het gangpad liep - aan iedereen die het maar horen wilde weten ook. Ik hoor het hem nog zeggen, met zo'n lang aangehouden R: 'Pwrrrrrràchtig! Voor mijn part vliegen we door naar China!'

 

Misschien kwam het wel door zijn mateloze bewondering voor al dat 'kunst en vliegwerk' dat hij altijd enthousiast zei: 'Als ik doodga, wil ik wel terugkomen als mééuw. Dan kan ik zélf vliegen!'

 

Inmiddels was de jeugd uitgevlogen en twee van de drie kinderen woonden in Friesland. Omdat er daar ook kleinkinderen waren, kwam de gedachte al snel er weer te gaan wonen. Er werd een woning gevonden in Wolvega en in 1972 keerde Hessel, samen met zijn Leentje, terug naar de provincie van zijn geboorte waar hij nog jaren zou genieten van zijn kleinkinderen Erik, Linda, Menno en Ellen. De laatste van het rijtje kleinkinderen: ene Hessel Niels, die in 1979 werd geboren. Dat de jongste spruit naar hem vernoemd was ontroerde hem, 'maar', voegde hij er snel aan toe 'ze zijn me allemaal even lief hoor!'

 

In zijn geboortedorp Woudsend blijkt hij in die jaren nog met enige regelmaat geweest tezijn. Zijn naam prijkt op de bezoekerslijsten van 1973, 1976 en 1980, als er reünies worden gehouden voor oud Woudsenders. In dat laatste jaar werd Beatrix de nieuwe Koningin der Nederlanden, waarmee zij de derde vorstin werd die Hessel meemaakte.

 

Niet lang daarna besloop hem een ziekte, waarvoor hij tenslotte in het ziekenhuis de Tjongerschans in Heerenveen belandde. Toen genezing onmogelijk bleek, wilde hij liever thuis zijn in Wolvega. Op 26 september 1982 liet hij zijn vrouw en de kinderen in vertrouwen achter. Hessel werd 78 jaar. Zijn Leentje zou hem nog 20 jaar overleven.

 

Tussen Woudsend en Wolvega speelde zich het leven af van Hessel Hiddeszoon de Koe. Hij werd begraven in dezelfde aarde als waar zijn voorouders rust in vonden. Teruglopend van het kerkhof, hoorde ik boven me het triomfantelijk gekrijs van een meeuw. Onwillekeurig schoot er door me heen 'Zou het hem al gelukt zijn?'

 

 

> verder naar de vader van Hessel

< terug naar genealogisch overzicht

 

       
|
Niels
|
Dick
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Jelle
|
|

 

 

Deze pagina is onderdeel van www.genpage.nl