![]() |
GenPage.nl |
|||||||
|
Cornelis Martensz. de Koe (1771-1833) Hoe verder terug in de tijd, hoe geheimzinniger
het geritsel van die oude papieren klinkt. Daar wordt een mens ongegeneerd
nieuwsgierig van. Je raakt al aardig in de 18e eeuw verzeild, maar zou
je van zo lang geleden eigenlijk nog wel iets terug kunnen vinden? Werd
hij, net als later zijn zoon Foeke dat zou zijn,arbeider? Zou daar dan een nieuwe bevestiging
in te vinden zijn van de achtergrond van die naam: De Koe? Het eerste bewijs van het bestaan van deze
voorvader, is zijn doop op 27 oktober 1771 in Woudsend, waar hij wordt
ingeschreven als Cornelis, zoon van Marten de Koe en Wytske Annesdochter. En
arbeider - zo zou later blijken - werd hij niet. In zijn jaren zou de
verplichting volgen een achternaam te kiezen, maar in feite maakt zijn
levensloop zijn keus voor de naam "De Koe" steeds onduidelijker. Zijn vroegste jeugd bracht Cornelis door in de
luwte van zijn familie. Na een paar jaar in Woudsend gewoond te hebben, vertrok
hij met zijn ouders naar Lemmer. Tot zeker augustus 1783 heeft de familie daar
gewoond, tot er besloten werd terug te keren naar hun geboortedorp.Maar laat ik niet op de zaken vooruit lopen. Zijn vader - Marten - bleek geen man van het land, maar van het water te zijn. Een schipper was hij. Dat betekende dat hij regelmatig van huis was en hij zal gedacht hebben: voor een beter begrip, kan ik mijn kinderen maar beter bij mijn werkzaamheden betrekken. Omdat de beste opleiding die van de ervaring is, stelde zijn vader aan Cornelis voor eens te proeven van het zilte nat en liet hem, dan bijna 15 jaar oud, aanmonsteren als koksmaatje op het schip 'd Ses Gebroeders Visser'. Twee jaar later stierf zijn vader en wie weet is diens vroege dood wel van invloed geweest op de keuzes die Cornelis toen maakte. Vond hij dat er al genoeg water door de aders van de familie stroomde? Zijn drie oudere broers waren respectievelijk grootschipper, stuurman en galjootschipper, dus die redenering zou niet vreemd zijn. Of zag Cornelis zijn vader in 'ziekte en zeer' en onsproot daaruit de drang om mensen beter te kunnen maken? Wat er ook aan ten grondslag lag: Cornelis koos er voor om Chirurgijn te worden. Vóór zijn tijd - en hier en daar in
die jaren nóg wel - was dat een vreemdsoortige combinatie van barbier,
chirurgijn, aderlater en piskijker geweest. Maar, al had je er nog geen
universitaire opleiding voor nodig, het was inmiddels een eerbiedwaardig
beroep geworden. Kennis en de noodzakelijke praktijkervaring deed je
op bij een chirurgijn die zijn sporen al had verdiend; een opleiding
die ongeveer 4 jaar duurde. Een impressie uit de Leeuwarder Courant anno 1788: Een chirurgijn richt zich tot 'OUDERS of VOOGDEN geneegen zynde, hun Zoon of Pupil van Ouderdom tusschen 12 en 18 Jaaren de Chirurgie grondig te laten leeren op zeer aanneemlyke Conditien te betalen 's Jaars 75 goldens voor Kost drank in wooning en Leergeld, mits voor 4 Jaaren vast zig moetende verbinden, en bewysen van een ordentelyke opvoeding en gedrag kunnende produceeren, kunnen nader onderrigting bekomen by de Stads Chirurgyn.' En om het beeld nog verder in te kleuren, het volgende bericht. Een Chirurgyns-weduwe biedt via een advertentie de nagelaten attributen van haar overleden man aan, te weten ''Een deftige CHIRURGIJNS-WINKEL met een disteleervat, disteleer Ketel, een menigte Instrumenten, Vlessen, Bussen en potjes en eenige Medicamenten". Cornelis kan zijn opleiding in meerdere plaatsen gevolgd hebben. Amsterdam is een optie, evenals b.v. Leeuwarden. Via een veer waren beide plaatsen goed bereikbaar. Maar het meest waarschijnlijk is wel dat hij in zijn naaste omgeving 'nader onderrigting kon bekomen' . Op basis van wat achtegrondinformatie (18), durf
ik de volgende reconstructie aan In Heeg, een aardig havendorp in de
buurt van Woudsend, werkte een Chirurgijn die een uitstekende naam had
opgebouw. Hij heette Jan Willemsz. Hanekamp en was getrouwd met een
vrouw van oud Friese adel: Magdalena Catharina Harinxma thoe Heeg. Samen
bewoonden ze "'t Hospitael" bij Kippenburg. Cornelis had van
deze bekwame man gehoord en trok er heen om er vakkennis op te doen.
Voor zijn toekomst een belangrijke beslissing, want de Hanekampjes bleken
twee lieftallige dochters te hebben - Gerarda Maria en Wopkjen - waar
hij het bijzonder goed mee kon vinden. Vooral de laatste viel in de
smaak en het stel werd verliefd. Tot zover niks bijzonders, zou je zeggen,
maar dan vergis je je. Cornelis hoorde van de vrouw die zijn schoonmoeder
zou worden het verhaal van háár verkeringstijd. Dat zij
alsadellijke dame haar keus had laten vallen op
een niet-adellijk persoon, was nogal onbehoorlijk en ongebruikelijk.
Magdalena Harinxma thoe Heeg had dan ook al haar overredingskracht nodig
gehad om met haar man, burger Jan Hanekamp, te mogen trouwen. Haar vader - de stinsbewoner Edzard
Jacob Harinxma thoe Heeg - had zich jaren tegen hun huwelijk verzet,
ook al was zijn toekomstige schoonzoon dan een eerbiedwaardig chirurgijn.
Het verhaal gaat dat hij - toen hij de strijd verloren bleek te hebben
– van verdriet zou zijn gestorven. Dat blijkt overigens zwaar overdreven,
want hij leefde daarna nog 25 jaar. Het had wél een jaar geduurd voordat
de kerkelijke inzegening mocht plaatsvinden en dan nog - om de "schande"
zoveel mogelijk te beperken! - in een andere plaats. Maar toen kregen
ze dan ook een nieuw huis, naast de oude state. Haar vader Edzard, zo
vertelde schoonmama verder, had in de gauwigheid wel bedongen, dat -
als er kinderen zouden komen - zij háár adellijke naam moesten dragen.
Voor Cornelis de Koe was dit geen onbelangrijk
verhaal, omdat hij weliswaar een beloftevol, maar ordinair "burger"
was, die met een meisje uit een deftig geslacht verkeerde. Toch kon
hij kennelijk hun goedkeuring wegdragen en zou in een latere fase de
zegen krijgen van zijn schoonouders. Misschien vonden zij de liefdevolle
benadering naar hun dochter en de betrokkenheid die hij toonde aan zijn
patiënten belangrijker eigenschappen dan het hebben van blauw bloed.
Er was rond 1788 - de studietijd dus, van Cornelis - in Frankrijk nogal wat gaande, dat z'n echo zou hebben tot in Woudsend aan toe. Koning Lodewijk XVI had de kromme gewoonte meer geld uit te geven dan er binnen kwam, bijvoorbeeld aan het bouwen van wegen en het draaiende houden van zijn leger. Maar er verdween ook een niet onaanzienlijk deel in het geldverslindende leventje dat hij er met z'n adellijke vrienden op na hield. Omdat het geld toch ergens vandaan moest komen, liet hij zijn volk steeds meer belasting betalen. Verder dacht hij meer financiële armslag
te kunnen creëren door de Franse adel en de kerkelijke gezagsdragers,
die tot dan geen belasting hoefden te betalen, dat nu wel te laten doen.
Je begrijpt dat die er niets voor voelden dit kostelijk privilege op
te geven. Het volk was er ondertussen beroerd aan toe en werd geconfronteerd
met slechte oogsten, waardoor er te duur, of helemaal geen brood meer
op de plank kwam. Het gemor werd steeds luider, zeker toen ook nog eens
de geliefde Minister van Financiën werd ontslagen. Nu was het gepeupel het meer dan zat
- en ging protesterend de straat op. Op 14 juli 1789 bestormde een razende
menigte De Bastille, de gevangenis van Parijs. Daar in de buurt lagen
ook de wapens opgeslagen die ze best konden gebruiken in hun strijd.
Het leger van de koning deed maar weinig tegen dit oproer. Het merendeel
van de soldaten stond in feite achter het volk, want ook zij leden honger.
Ze beloofden niet op de burgerij te schieten en verklaarden: 'We zijn
eerst burgers, dan soldaten. Eerst Fransen, dan slaven'. De vrouwen van Parijs gingen door
het lint, toen er zelfs geen droog brood meer was om hun kinderen mee te
voeden. Ze stapten met hun verhaal naar de Koning, die daarop de moed had te
antwoorden 'Ach gut, is er geen brood meer? Nou, dan eten ze toch taarten'!
Toen de Koning op deze manier van hun klachten een klucht durfde te maken waren
de rapen gaar en vonden de dames het de hoogste tijd voor wat aanschouwelijk
onderwijs. Ze dwongen Lodewijk de 16e met vrouw en al het prachtige paleis van
Versailles - dat ongeveer 50 kilometer buiten Parijs lag - te verlaten en hun
intrek te nemen in de hoofdstad. In 1791 probeerde de Koning met zijn gevolg
nog te vluchten; een poging die jammerlijk mislukte. Onder leiding van pro-revolutionair
Robespierre werd een zware en bloedige strijd geleverd met tegenstanders
van de revolutie. Een slag die uiteindelijk door het volk werd gewonnen.
De mensen door wie ze tot op dat moment waren uitgebuit, of van wie
maar de minste veronderstelling bestond dat ze tegen de revolutie waren,
werden terechtgesteld. Van Robespierre onderkende men op zeker moment dat hij wel wat overdreef in het hanteren van de inmiddels botte bijl, waarop men besloot ook zìjn hoofd- en bijzaken te scheiden. Zelfs de Koning ging voor de bijl dankzij de succes story van Dokter Guillotin. Toen had ook hij geen kammetje meer nodig, was de revolutie een feit en Frankrijk een republiek. Die macht van het volk smaakte naar
meer en in 1793 verklaarde Frankrijk ons de oorlog. De zomer van 1794
was droog, heet en lang geweest, wel tot in oktober aan toe. Het was
alsof de natuur zich indekte voor de dingen die komen gingen. Die oudejaarsnacht
begon er een vorstperiode, die tot diep in maart zou gaan duren. De
rivieren - normaliter onze natuurlijke bufferzones - raakten dicht en
op 10 januari 1795 trokken Franse legers onder bevel van generaal Pichegru
de bevroren Waal over. Kort daarop marcheerden de troepen van generaal
Napoleon Bonaparte door Amsterdam. Dat alles is bijna zonder wapengekletter gegaan. Ze noemen het niet voor niets de Fluwelen Revolutie. Veel Nederlanders waren het namelijk óók niet eens met de macht die de adel had. En omdat de Fransen dáár een eind aan wilden maken, werden ze als bevrijders gezien en hun ideeën omarmd. De regering in handen van het volk! Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Dat leek ons Nederlanders ook wel wat! Oranjestadhouder Prins Willem V vluchtte in 1795 naar Engeland. Z'n hele paleisboeltje zou het jaar erna in Den Haag geveild worden en Nederland werd omgedoopt tot De Bataafse Republiek. Eerlijk gezegd vond de bevolking het niet eens een probleem dat hij hem was gesmeerd. Sterker nog, ze zongen vrolijk: Hop Marjanneke, Stroop in 't kanneke, laat de poppetjes dansen. Gisteren was er een Prins in 't land, en nu die kale Fransen. Of onze Chirurgijn Cornelis er ook zo over dacht weten we niet, maar hoe de gevoelens over de nieuwe machthebbers in zijn omgeving waren, lees je hier: 'In 1795 woonden te Woudsend Wieger Annes Visser, Fokje Reneman en Rijkje Sanders. Deze drie hielden bij 't feest der Bataafsche Vrijheid sierlijke aanspraken. Trommen, violen en fluiten brachten de lui in dankbare stemming en er werden 12 toasten geslagen, waaronder: 1.De heilige rechten van den mensch 2.Dat het gewapende burgercorps van Woudsend in zijn nageslacht eeuwigdurend zij. 4.De gezondheid van alle gewapende patriotten in Nederland. 5.De gezondheid van alle patriottische vrouwen en maagden.' (Gevolgd door luid applaus, zo weet de krant . . .) In dat jaar van de Bataafsche Vrijheid gaf Cornelis - 24 jaar - zijn jawoord aan Wopkjen Hanekamp in Heeg, het dorp waar zijn bruid geboren was en waar ze voorlopig zouden wonen. Hij volgde zijn schoonvader op als'Chirurgijn in den Dorpe Heeg' en in 1796 staan ze vermeld als echtpaar, 'wonende te Heeg in de Buuren als jonggetrouwde'. De blijdschap over de komst van hun eersteling in 1798, sloeg al snel om in verdriet toen het meisje kort daarop stierf. En zo zou het ook gaan met hun zoontje Jan, die in 1802 het levenslicht zag. De dochter die in 1800 ter wereld kwam bleek gelukkig recht van lijf en leden en haar noemden ze naar de moeder van Cornelis: Wytske. Napoleon bezocht op dat moment Egypte
en er waren heldhaftige lieden die daardoor hun kans schoon hadden gezien
de strijd met ons aan te gaan. Op 27 augustus 1799 landde er een flink
Engels leger - later geholpen door Russische en Oostenrijkse manschappen
- tussen Groote Keeten en Huisduinen, even onder Den Helder. Nee, bepaald
geen spielerei, er waren ongeveer 80.000 militairen bij betrokken! De Britten dachten ondertussen dat wij ons wel bij hen aan zouden sluiten, om ons zo gezamenlijk tegen de Franse overheersers te keren, maar zij kwamen bedrogen uit. Nederlanders verkeerden in een roes van verandering. En de Oranjes? Vonden ze prima. Maar nu even niet. Toch ging in eerste instantie de winst naar de Britten en hun kompanen. Totdat het ongenadig begon te regenen en de lieden letterlijk en figuurlijk vastliepen in de Noord-Hollandse modder, waarna ook in Friesland de vijandelijkheden plotseling werden gestaakt. Op 18 oktober werd door de betrokken partijen de capitulatie getekend en kwam er een eind aan de vijandelijkheden. Het leven van de gewone man gaat
intussen verder en ieder zorgt op z'n eigen manier voor het dagelijks brood.
Woudsend had meerdere bakkers, die hun beroep naar ik verwacht met plezier
uitoefenden. Bij één van hen zat de humor blijkbaar ingebakken, want dit stond
er op zijn gevelsteen (10): 'Het backen is mijn
hanteering en mijn kunst Daerom versoeck ick een yder sijn gunst Hier staen ick als een held en werk met lusten Waer het niet om geld, ick wou veel liever
rusten.' Het was een goeie gewoonte de kwaliteit van dat
brood van overheidswege te laten controleren en Woudsend had brood- en
meesterbroodbakkers, die - letterlijk - hun eigen stempel op het brood drukten.
Zo wist iedereen wie dit product had gebakken en zorgde het er tegelijkertijd
voor dat ze niet de mindere kwaliteit van een conculega in de schoenen
geschoven kregen. Als samenstelling, gewicht en waarde dan van
hogerhand goed bevonden waren, kon de prijsbewuste vrouw op 27 juli 1802 dit
als maatstaf nemen: Naam:Gewicht:Prijs: Gron Werke Bolle18
lood-.3.4 Duitse Bolle26
lood-.3.4 Fijne Franse Bolle28 lood-.3.8 Frans brood12
lood-.2.- Cornelis Martensz. de Koe maakt zich
geen zorgen over de broodprijs. Hij heeft voldoende financiële middelen
om belasting te kunnen betalen en bewoont in Heeg een huis, datals 'naastliggers'ten Westen Wigle Annes Visser, Yke Annes Visser
ten Oosten - eigenaar van een zeilmakerij – en tenslotte ‘den Straat
ten Zuiden’ heeft. De Specie Kohieren zeggen dat hij in dat jaar belasting
verschuldigd is over 1 koey (voor melk en 'eigen eet') en 1½ schoorsteen.
Wie weet - hij was tenslotte een jongmens met enig aanzien - droeg hij
wel zo'n staartpruikje, met in de nek een elegant zwart strikje, naar
de heersende mode van die tijd en kuierde zo bij tijd en wijle door
zijn woonplaats Heeg. Woudsend was sinds jaar en dag een
dorp met deftige straatjes, zoals de Midstraat - de Midstrjitte - waar Pake
Hidde later zou wonen. Die straten waren geplaveid met klinkers, Friese
geeltjes en Balstienen, wat zeerongebruikelijk was voor die tijd, net als het feit dat elk huis een eigen
stoepje had, dat afliep naar het midden van de weg. (10) Cornelis vat het plan op om er weer te gaan wonen en op 11 juli 1802 verkoopt hij 'zeekere Huisinge en Hovinge staande te Heeg' aan zijn buurman Wigle Annes Visser voor duizend 300 carolingische guldens. Daarna tekent hij op '1 v oct 1802' het koopcontract voor 'Zeker Deftige Huizinge' in Woudsend, waarvan de prijs 'een summa van een duizend car.guld:' is. Verkoper is de uit Den Haag afkomstige Chirurgijn en Vroedheer Cornelis Mostman, die sinds juni 1792 werkzaam was in Woudsend. Dan volgt er een periode, waarin hij hoogstwaarschijnlijk een aanvullende opleiding geniet in Leeuwarden, waarbij hij zijn vrouw en dochter meeneemt. Die mogelijkheid is ingegeven door twee feiten. Bij de aankoop van laatstgenoemd huis in Woudsend staat vermeld'Cornelis de Koe Chirurgijn en Wopken Hanekamp Echtelieden te Leúwarden'. Daarnaast doceerde Prof. Mulder in de Friese hoofdstad, die een ijverig voorstander van de inenting met natuurlijke (koe)pokken was. Cornelis heeft, denkelijk in Leeuwarden overtuigd geraakt, later heel wat afgeprikt. Daarover straks meer, maar nu eerst de dominee aan het woord. Op zondag 'Den 14 augustus 1803 is alhier van den Predikstoel aan de Gemeente bekend gemaakt, dat alhier met Kerkelijke Attestatie van Heeg tot ons zijn overgekomen Cornelis de Koe en Wopkjen Hanekamp, echtelieden'. Het mooie leven in Woudsend had voor hun tweetjes moeten beginnen. Helaas is voor Wopkjen de tijd in het geboortedorp van haar man van zeer korte duur geweest. Zij stierf er, op 12 november 1803. Cornelis Martens de Koe is door drie
heren, te weten de 'Landsoperateur & Lector in de ontleed- heel &
verloskunde J. Mulder, den medisch doctor J. Vitringa Coulon en den Chirurgijn
S.S. Stelwagen, in de ontleed- heel- en geneeskunde geexamineerd, volgens
certificaat dd. 16 van Bloeijmaand 1795.' Daarnaast werd hij 'door voornoemde Heeren J. Mulder & J. Vitringa Coulon in den Chirurg D: Pars en den verloskunde geexamineerd volgens certificaat dd. 29 van Zomermaand 1797'. Dan zie je dat Cornelis door de 'Dep. Commissie van Geneeskundig Bestuur te Leeuwarden wordt bevorderd tot Heel- en Vroedmeester volgens getuigschrift dd. 17 van Wintermaand 1801' en wordt hij door 'de Dep. Commissie van geneeskundig onderzoek en toevoorzigt in Vriesland geex(amin)eerd de 19e van Zomermaand 1804. Hij houdt Apotheek voor eigen gebruik, doch krijgt zijn medicamenten van geadmitteerden Apothecairs.' Ken je ze? De hierboven genoemde
heren? Nee? Dan maar eerst even kennismaken. Op de wandeltochten door Nederland
die Dirk van Hogendorp en Jacob van Lennep later in 1823 zouden maken (zij
hielden daarvan een reisdagboek bij dat in druk is verschenen), vonden ze het
beslist noodzakelijk de dan inmiddels bejaarde 'beroemden geneesheer J.
Vitringa Coulon' te ontmoeten. Die andere Medicus- Prof. Dr. Johannes Mulder - was indertijd
Leraar- en Landschaps-operateur. Dat hield in dat hij met regelmaat de
provincie introk om zijn helende arbeid te verrichten. Voor zijn studenten gaf
hij demonstraties in de tweede, later de derde Latijnse school in Leeuwarden en
leidde zo chirurgijns en vroedmeesters op, waar Cornelis er dus eentje van
geweest is. Voor die ontleedkundige demonstraties kreeg de professor 'twee
kadavers per winter.' Sociaal voelende man ook, die Dr.
Mulder. Hij regelde het zo, dat 'alle onderhoud genietende armen' in het
bijzijn van zijn leerlingen gratis werden geopereerd. Het mes sneed dan aan
twee kanten; de armen werden geholpen en zijn leerlingen - 'aan onze zorg
vertrouwde jongelingen' noemde hij ze zelf - kregen aanschouwelijk onderwijs.
Professor Mulder moet één van de bekwaamste chirurgen van ons land geweest
zijn, met zeer vooruitstrevende denkbeelden over het onderwijs in de heel- en
verloskunde. (8) 't Is maar even dat je weet dat het bepaald géén kleine jongens waren, die leraren en examinatoren van de Genees- Heel- en Vroedheer Cornelis Martenszoon de Koe. Het noemen van de namen van de
maanden zoals wij dat altijd doen, had - je kwam het net bij de resultaten van
zijn examens al tegen – een aardig alternatief, dat met regelmaat werd
gehanteerd; straks zie je daarvan nog een voorbeeld. Een kleine opsomming van welke maanden er bedoeld
worden: januari=louwmaandjuli=hooimaand februari=sprokkelmaandaugustus=oogstmaand maart=lentemaandseptember=
herfstmaand april=grasmaandoktober=wijnmaand mei=bloeimaandnovember=slachtmaand juni=zomermaanddecember=wintermaand Het jaar 1804 bracht Cornelis nieuw
geluk dankzij Piebbe, de dochter van Sytze Piebes de Jong en Yes Reinders
Zoethout. Hij heeft haar een deftige status te bieden. In de 'Staat van de
Rijtuigen en Plaijzier Jagten van Wymbritseradeel', ingegaan op 12 mei 1804, is
hij één van de 8 personen op de kleine duizend zielen die Woudsend dan telt,
die de beschikking heeft over een eigen Jagt. De beste manier van vervoer
indertijd, want 'voor rijtuigen was dit dorp steeds ontoegankelijk, uithoofde
van de breede wateren, waarvan het omgeven is.' (9) Het Jagt was 22 voet, iets meer dan 6 meter lang.
Hij zal het zeker gebruikt hebben om in dit waterrijke gebied zijn patiënten te
bezoeken. Een buitenboort motortje had ie d'r niet in en ik zie hem zich ook
niet in het zweet roeien; dat zou ten koste gaan van het decorum. Hij zal
misschien een mannetje hebben gehad, die hem met het scheepje kon verplaatsen.
Maar toch, een ''Plaijzier Jagt'' heb je ook voor de pret en zo bezien hoorden Cornelis
en Piebbe zeker tot de happy few. Een jaar na de trouwdag werd hun
dochtertje Yes geboren. Maar de periode waarin er rake klappen vielen bleek nog
niet voorbij. De feiten op een rij: Of het verband hield met de roodvonk die in
die periode nogal huishield in en rondom Woudsend weet ik niet, maar hun meisje
sterft als ze een half jaar oud is. Piebbe, de tweede vrouw van Cornelis, verwacht dan al weer een paar maanden haar tweede kindje. Ze bevalt - 8½ maand na de geboorte van haar dan inmiddels overleden dochtertje - van een jongetje genaamd Piebe. Dan treft het noodlot ook haar. Zij sterft in het kraambed en het kindje volgt haar 6 weken na zijn geboorte.
In deze vreselijke tijd vindt
Cornelis troost bij de dochter van Foeke Hylkesz. Smidt - Sipkjen - die zijn
derde vrouw zou worden. Hij trouwt haar 7 maanden na de dood van zijn tweede
vrouw en 4 maanden later ziet hun eerste kind het levenslicht. Een beetje snel?
Je hebt gelijk. Maar realiseer je dan ook, dat hij - een jonge vent van 35 jaar
- al eigenaar van 6 graven is, waar hij 4 van zijn kinderen en 2 geliefde
vrouwen naar toe heeft moeten dragen. Wie weet is het wel zo dat je dan haast
krijgt het leven te leven. Met Sipkjen wil hij 'zekere Huizinge
en Bleekveld' gaan betrekken. In mei 1808 zal het vrijkomen en op 29 januari
1807 tekent hij er op voorhand voor. Hij betaalt aan Ate Alles 'een Zumma van
zeshonderd CarGuld:' voor dit huis, dat 'ten O: de Straat ten W: W.G. Kingma,
ten Z: De Buuzesteeg (?) en ten N: Jentje Tjeerds' heeft. Is de drukte van de verhuizing
eenmaal achter de rug, kunnen ze wel even een ''stikje omrinne''. Vrij
vertaald: een straatje om. En in de ''Staat der Fabrieken en Trafieken'' kun je
lezen wat ze - buiten de woonhuizen dan - zoal tegenkomen tijdens deze
wandeling door het Woudsend van 1807.Je
hebt er: Twee Grof Smederijen Twee Blokmakerijen Twee Houtzaagmolens Een Korenmolen teffens Pelmolen Twee Looijerijen Een Lijnbaan en teffens Touwslagerij Drie Scheeps Timmer werven Een Taanderij Drie Zeilmakerijen Een Zoukeet en Een Wolkammerij De aanblik van al deze negotie
kennen ze al sinds hun vroegste jeugd. 'Dat alle deze zaken, ten naasten bij al
op den zelvden voet zedert de laatste dertig Jaaren zijn geble-ven', schrijft
het Grietenijbestuur in juli 1808. Daarnaast verschijnt er in dat jaar (te
lezen in het Missive boek) ook nog een Brandery van Jenever ten tonele. De scheepvaart en alles wat daarop
betrekking had, is in voorgaande jaren van groot belang geweest voor Woudsend.
Het was de financiële rode draad, waar bijna alle inwoners hun inkomsten aan hadden te danken. Het
jaar 1808 noteert men echter treurig dat het een stuk slechter gaat met de
zaken 'die welke directe betrekking hebben op de scheepsbouw en zeevaart, welke
zedert de belemmering der vrije scheepvaart zeer aan-merkelijk geleden hebben
en nog lijden.' Niet dat je het verbod op vrije zeevaart als enige oorzaak kunt
aanwijzen, maar het was wel de definitieve nekslag voor de branche. In de al eerder genoemde ''Staat der
Fabrieken en Trafieken'' - je zou het nu het econo-misch jaarrapport noemen -
vergelijkt men de situatie van 1808, met die van voorgaande jaren en daar wordt
je niet vrolijk van. Een paar voorbeelden: Voorheen ging het met de twee
Houtzaagmolens 'florisant, door de vrije zeevaart; en de Houtwaren tot een goedkoper
prijs', nu was de situatie 'Nadeliger; door de stremming der zeevaarten, en het
hout zo gemaklijk niet te krijgen, en daarbij veel duurder.' Met de Korenmolen
was het niet veel anders gesteld. Vroeger was het 'Florisanter; door de
Leverantien van Gort aan de Zee Schepen', nu was het 'Nadeliger; door dat er nu
zoo geen vrije Zee-vaart is, en zoo veel Schepen niet worden gebouwd, en dus
geen Leverantien.' En zo ging het ook met andere bedrijfstakken
bergafwaarts. Met de Grofsmederijen 'als wordende nu zoo veel schepen niet
gemaakt', met de Taanderij omdat 'de Binnen Landsche Schippers zoo veel niet
verdienen' en met de Zoutkeet doordat ' 't Zout niet gemaklyk te bekomen, en
daarby zeer Hoog in prijs is.' Woudsend bleek aan het begin te
staan van een eeuw, waarin de vooruitgang in het land stagneerde en er nieuwe
wegen gevonden moesten worden. Eerbiedwaardige beroepen, meestal aan huis
uitgeoefend, die altijd van vader op zoon waren gegaan, vonden geen emplooi
meer. Gilden, waarin vakbroeders zich hadden verenigd, werden onder Napoleon
verboden, waardoor ook de steun aan elkaar wegviel. Mensen moesten zich
omschakelen en bij anderen, vaak zelfs in andere plaatsen werk zien te vinden. Cornelis had - zoals je weet - voor
een medische beroep gekozen, een job die hij ''aan huis'' kon uitoefenen. Op
zijn werkterrein was de inenting met koepokken het nieuwste snufje. Hij bleek
zelf een warm voorstander van medicatie via de naald. Aan het eind van de 18e
eeuw, had de Engelse arts Edward Jenner ontdekt, dat wanneer mensen eerder
besmet waren geweest met koepokken, zij vrij bleven van de menselijke pokken.
Hij had het uitgeprobeerd op een aantal personen en het resultaat was
verbluffend. Omdat het tegelijkertijd inhield dat
iemand dan ingespoten werd met een dierlijk product, waren er ook
tegenstanders. En aan wilde verhalen natuurlijk geen gebrek. Er was in Engeland
zelfs een dame, die rondbazuinde, dat bij haar ingeënte dochter overal haar
begon te groeien en - ja, werkelijk waar - ze loeide ook nog! Sommige chirurgijns
waren er ook niet voor, maar dan meer uit economisch oogpunt; hoe minder
zieken, hoe minder inkomsten er te verwachten vielen. . . . . Op grond van wat bewijzen, kunnen we vaststellen dat Cornelis daar kennelijk lak aan had. Zo is er een brief, waarin hij 'zedert Loúwmaand Laatstleden verklaart de navol-gende perzoonen te hebben gevaccineerd.' Verder deed hij dat nog in de Sprokkelmaand, de Lente-maand, de Grasmaand, de Bloeimaand en in de Zomermaand, en één van hen was 'een zoon van C. de Koe.' In totaal maakt hij melding van 51 gevaccineerde perso-nen, waarna hij het epistel als volgt ondertekent 'den 4 van Herfstmaand 1809, C. de Koe, Genees- Heel- en Vroedmeester.' [Als ik denk aan het commentaar dat wij als 20ste eeuwse kinders gaven als we een prikje kregen - 'Bij mij gebruikte ze een HELE dikke naald.' 'Nou maar ík kreeg TWEE prikken en bij mij gebruikte ze ZUKKE dikke!' - dan vraag ik me opeens af hoe verfijnd dat naaldje uit 1809 eigenlijk was . . . . ] Terug naar Napoleon, want die is hier tenslotte op dit moment nog de baas. Hij bedacht dat iedereen een achternaam moest hebben. Tot dan hadden de meeste mensen genoeg gehad aan hun ''patroniem''. Dat werkte zo: je eigen naam werd gevolgd door je vaders naam. Dus Jelle, de zoon van Pieter, werd ''Jelle Pieters'' en kwam er een dochter zou ze ''Jeltje Pieters'' heten. Veel mensen dachten dat die belachelijke 'nieuwigheid', die het hebben van een achternaam toen was, nooit lang kon duren. Ze stonden voor de vaak Franse ambtenaren en gaven grinnikend namen op als Zondergeld, Niemandsverdriet, Poepjes en Smalbil. Dat ze dát niet altijd in dank is afgenomen, weten we nu. In het "Register der declaratiën
van de Hoofden der Familien ter voldoening aan het Keizerlijk Decreet van den
18 Augustus 1811 voor de Gemeente Woudsend" zegt Cornelis in alle vrijheid
voor zijn gezin de familienaam De Koe aan te nemen. Waren er andere opties? Jazeker! Hij had ook
kunnen kiezen voor ''Cornelis Martens'', "Cornelis de Vries",
"Cornelis van Woudsend", en zelfs "Cornelis Docter"; maar
nee, De Koe moest het zijn. Het staat er helder en duidelijk op die 29e december
1811: 'Voor Ons, Baljuw benevens het Gemeente-Bestuur van
Wijmbritzeradeel, waarnemende de functie van Maire in de Gemeente Woudsend,
Canton Sneek, Arrondissement Sneek, Departement Vriesland, gecompareerd
zijnde Cornelis de Koe, wonende te Woudsend, heeft dezelve verklaard,
dat hij aanneemt den naam van De Koe voor Familie-Naam.' Er zijn dan wat rustiger jaren
aangebroken, waarin zijn gezin groeit en hij z'n werk als chirurgijn
praktiseert. Zieken die zijn hulp bij avond nodig hebben kunnen op hem rekenen,
want in Woudsend zorgt een lantaarnopsteker voor licht in de duisternis. Maar
visites buiten het dorp legt hij alleen af als de maan zich laat zien. Er lopen
nu eenmaal duistere figuren rond die er niet voor terug deinzen je te beroven
en een mes tussen je ribben te steken. Nee, als het hart-steken donker was -
hartstikke zeggen we nu - kon hij de gok niet wagen. [Vreemd eigenlijk, dat wij ons anno NU zo négatief
uitlaten als we iets pósitiefs willen zeggen! We vinden iets ontzettend-
of ontstellend-, vreselijk- of verschrikkelijk, ja, soms zelfs godtergend
uhh . . . . . lekker! Hartstikke gek toch?] Cornelis pakt zijn werk altijd zeer
serieus aan en omdat ook in 1817 al de gewoonte bestaat rapporten te maken,
kunnen we over zijn schouder meekijken, als hij met kroontjespen en inkt zijn
verantwoording schrijft: 'Relaas omtrent de ziekte van het Huisgezin van Jentje Tjeerds Pekema te Woudsend' schrijft Cornelis. Bij een zoontje heeft hij "een goedhartige zinkziekte" waargenomen, die met normale medicatie na 14 dagen verholpen was. Maar nog meer familieleden werden ziek dankzij deze, naar later bleek, besmettelijke ziekte en niet alles liep goed af. 'Op 30 Januarij bij de vrouw geroepen, laboreerde aan zenuw ziekte, gepaard met gastrisen onreinigheden, verzeld met uitslag, dat men Miliares noemt. De ziekte welke met 14 dagen tot scheiding overhelde scheen door de zwakke kragten niet overwonnen te kunnen worden, soo dat de lijderesse bezweek', noteert hij verder. Meneer S. Sybes, de Schout, stuurt dit bericht door aan zijn baas - de Grietman van Wymbritseradeel - waarbij hij de opmerking plaatst, dat Cornelis bij zijn opsomming een zieke vergat te noteren. Hij acht het zijn plicht 'hiervan gewag te maken'. Twee weken later blijkt de reden. Cornelis is inmiddels zelf aangestoken, want, zo meldt meneer Sybes nu: 'C. De Koe is op heden zelfs geheel buiten ordre zo dat hij niet in staat zij UEdele Heer rapport omtrent de sieken in te senden.' Friesland heeft een lange traditie
van elkaar "controleren". Alles werd door iedereen besproken om
fouten te voorkomen. Zaken van provinciaal belang moesten vaak zowel door de
overheden van de 11 steden, als door de 30 grietenijbesturen behandeld worden;
nadeel was dat zaken daardoor soms op z'n 11 en 30st gingen. Soms lijkt het ook wel ver te gaan. In 1817 moest
Cornelis zelfs officieel bevestigen dat de kerkelijke voorganger van
dat moment, Dominee Cornelis van der Velde, op zondag geen verstek had
laten gaan omdat hij een baaldag had, maar 'omdat hij daartoe niet in
staat was geweest wegens ziekte.' (Arch. 243-01 van de Classis Sneek
van de N.H. Kerk). Tien jaar later
zou Cornelis over deze periode een brief met vragen krijgen. Misschien
kwam het omdat de Grietenijelijke administratie niet helemaal op orde
was of wellicht waren er dingen zoekgeraakt. Hoe het ook zij, er ontbraken
kennelijk wat gegevens en of hij die maar even alsnóg wilde produceren.
Cornelis heeft er flink de P over in, maar probeert zich in te houden.
Onderkoeld antwoordt hij de 'Edel Achtbaare Heer
S.V.W. Rengers, Grietman van Wijmbritseradeel' en meldt 'in den jare 1818 heb
ik een ampel verslag ingezonden van de kindziekte welke alhier toen heerschte,
en over de gevaccineerden. De gevaccineerden bedroegen dat jaar groot
Tweehondert personen, waarvan ik over de hondert gratis heb gevaccineerd, maar
ik hebbe toen geen medaillie gekregen, dien ik anders volgens een besluit door
Sijn Majesteit moeste ontfangen.' 'Nou wordt ie mooi', hoor je hem denken.
'Zij hun zaakjes niet op de rit hebben en dat lekker op mij af proberen te
schuiven. Zo werkt dat niet heren! Ik heb toen wel degelijk mijn papieren
ingestuurd. En nu we toch bezig zijn: Ik heb me toen een versuffing staan te prikken,
en er nooit - zoals Koning Willem I toch écht beloofd had - een medaille voor
gekregen. Eerlijk is eerlijk, zo'n ding in de kast had ik best leuk gevonden.
Kijk, normaal zou je mij daar niet meer over gehoord hebben, maar als er dan
toch gezeurd moet worden!' Kalm, kalm, kalm maar weer
Cornelis . . . . . neem een Plantivalletje . . . . . Over wat onze chirurgijn zoal verdiende
met zijn werkzaamheden heb ik nog geen gegevens gevonden, maar schilder/schrijver
Rien Poortvliet zocht dat eens uit in Zeeland. In 1823 kostte verloskundige
hulp fl. 2,50 . Voor een doktersvisite betaalde men binnen het dorp
fl. 0,30, en buiten het dorp fl. 1,--. Ondanks voortschrijdende kennis
sprenkelde men bij besmettelijke ziekten voor alle zekerheid azijn voor
het bed van een patiënt en rookte de dokter een zware pijp als tegenhanger
(!) voor de kwade dampen die er rond de patiënt zouden kunnen hangen,
wist hij verder te vertellen. In de 1ste week van februari 1825
werden de lage kuststreken van ons land geteisterd door een hevige stormvloed,
waardoor o.a. tweederde van Friesland blank kwam te staan. 'Ach de wrakken die
drijven, de huizen die ingestort zijn, het vee, het welk verdronken is, de
menschen die omgekomen zijn, en de menigte die vlugtende waren, met de
bleekheid op de wangen en de schrik in het hart ....!', zo verslaat de
Leeuwarder Courant de ramp. Heel veel vee en 17 mensen uit de provincie komen
door verdrinking om het leven. Daar zou het niet bij blijven.
Verzilting van de bodem was er de oorzaak van dat er een ziekte met een
epidemisch karakter ontstond, die ze malariakoorts noemden en waarmee
koortsachtige ziekten werden aangeduid (mal aria=slechte lucht). Deze ziekte
eiste in het daaropvolgende jaar nog vele slachtoffers. Ter ondersteuning van
de zieken kwam er zelfs hulp uit Brussel naar dit gewest. Het waren drie medicinale doctoren en een Eleve
(leerling) van de Ecole medicinale, te weten de heren L.A. de Man, J.A. de Ram,
M. Houlet en N. Konraad, 'welke dadelijk naar de Grietenijen Schoterland,
Wijmbritseradeel en Lemsterland zijn vertrokken, ten einde aldaar in de
medicinale behoefte te helpen voorzien, welke volgens ingekomene berigten zeer
groot is.' (14) In de Overijsselsche Courant van 28
november 1826 vinden we de uitslag van het medisch onderzoek: 'De Commissie, door het Gouvernement benoemd, om
een grondig onderzoek van den waren aard der ziekte te doen, heeft haar verslag
overgeleverd; het komt hoofdzakelijk hierop neder: de eerste oorzaak van de
ziekte moet toegeschreven worden aan de overstroomingen des afgeloopene jaars,
van welke de slijkerige waters in eenen kleiachtigen grond zijn ingetrokken, en
hebbende aldaar eene verandering in hunne geaardheid ondergaan. In de maand July heeft het twee achtereenvolgende
dagen een weinig geregend; dit water heeft aan het reeds in den grond bedorven
slijkerige water eene gisting doen ontstaan, welke er de lucht met doodelijke
dampen besmette, en deze dampen hebben de ziekte veroorzaakt. De opmerkzaamste
bijzonderheden welke het opnemen der lijken, aan deze ziekte overleden, aan de
commissie heeft opgeleverd, zijn geweest, eene groote inkrimping der milt,
welke een sponsachtig aanzien had gekregen, terwijl de lijken zelfs slechts
eene zeer geringe hoeveelheid bloeds bevattende.' (14) Voer voor medische biologen
. . . . . . De Leeuwarder Courant schetst in
1826 nog eens de situatie: 'Sommige dorpen vooral werden deerlijk geschokt en
getroffen. Woudsend verloor van zijne 980 zielen bijna het achtste gedeelte, en
slechts één mensch bleef van de ziekte bevrijd.' De geschiedenis vertelt helaas
niet wie dat was. In een brief van Cornelis, geschreven te 'Woudsend den 5 Nov. 1828' staat over die periode: 'het jaar 1825 heb ik laatstemaal gevaccineerd, 1826 en 1827 sijn hier de meeste kinderen gestorven, te zeggen de jonge kinderen, en in 1827 sijn weinig kinderen geboren sooals UEachtbare wel weet.' Als arts stond hij natuurlijk dicht
bij deze ellende en zal er, met al de tot zijn beschikking staande kennis,
alles aan gedaan hebben ieders leed en lot te verzachten. Er waren wat
mogelijkheden proefjes te laten doen in laboratoria, om op die manier
een zo juist mogelijke diagnose te kunnen stellen. Het is 29 augustus 1829, als hij zijn kleindochtertje Hotske inschrijft in het "REGISTER van Koepokstof-inënting". De ergste naweeën van de overstroming zijn achter de rug maar bij Cornelis beginnen de krachten dan af te nemen. Hij heeft kort hiervoor, op 2 juli, bij Notaris Oeberius in Heeg zijn testament op laten maken en bezit dan: '1e De helfte in eene Zathe en Lande cum uxore staande en gelegen ten dorpe Woudsend en onder Teroele, de huizinge te Woudsend, genoteerd met No. 223, hebbende tot naastlegers ten oosten de Vaart, ten westen de Straat, ten zuiden de oude wijk en ten noorden Sybolt O. de Vries en de landen gelegen in 4 stukken, als 1. Vier bunder bijna 61 roedes onder Woudsend 2. Vier bunder zes roedes onder Teroele 3. Vijf bunders 69 roedes aldaar en 4. Zes bunder 64 roedes buitenland roede onder Teroele gelegen 2e De helfte eener Huizinge met Hieminge staande en gelegen te Woudsend genoteerd met nr. 28 hebbende tot naastlegers ten oosten de Straat ten westen de ........, ten zuiden de wijdesteeg en ten noorden Hipke (?) Berends Silstra. 3e De helfte, van een zesde gedeelte in zeker Bosch gelegen onder het behoor vanden dorpe Tjalberd Grietenij Engwerda Arrondissement Heerenveen de grootte niet bekent.' Toen was het tijd voor de grote finale,
waarin Cornelis en zijn Sipkjen afscheid van elkaar moesten nemen na
hun liefdevol en rijk leven. Cornelis heeft veel mensen kunnen helpen
en Sipkjen maakte haar man gelukkig. Zij schonk hem 11 kinderen. Nadat
hij in 1833 voor de laatste keer de ogen sloot, liet zij in de taal
van haar dagen nog één keer weten hoeveel hij voor haar had betekend:
Voor dat 'zalig wederzien' met Cornelis
heeft Sipkjen nog wel een poosje geduld moeten oefenen, hoe groot haar
'erlangen' dan ook was. Maar dat het wachten de moeite waard geweest
moet zijn? Dat is wel duidelijk. > verder naar de vader van Cornelis
Deze pagina is onderdeel van www.genpage.nl |