![]() |
GenPage.nl |
|||||||
|
Haring Cornelisz. de Koe (1710-ca. 1790) Op zoek naar de puzzelstukjes van het leven van de volgende vader, kom je al gauw terecht bij het doopboek van Woudsend. Hij blijkt het zevende kind in het gezin van Cornelis en Baukje de Koe en moet rond half november 1710 geboren zijn. Dominee Rinso Haanstra schrijft tenminste in zijn kerkelijke administratie: 'Op 16 November is gedoopt een kint van Cornelis Jelles genaamd Haring, zijnde: een soontje.' Bij de geboorte van zijn eigen dochtertje gebruikt dominee wat meer tekst: 'Op 25 Januarij 1711 hebbe ik Ds. Rinso Haanstra, predicant in Woldsent, mijne jonge dochter Hiltje Hillena gedoopt, die geboren is 's daags te voore, zijnde Saturdag, 's morgens tusschen 7 ende 8 uijren', want blije dominees zijn ook maar mensen. Probeer je eens een voorstelling te maken
van Haring’sjeugd in Woudsend. Met de
Ee als kruispunt van waterwegen, was er een levendig komen en gaan van allerlei
schepen. Hij had zát om zich mee te vermaken en omdat er een enorme
handelsgeest heerste, was er een drukte van belang in dit dorp waar alles wel
te maken leek te hebben met het water. Koopvaarders en vissers zorgden er voor,
dat er voor neringdoenden zoals blokmakers, touwslagers en - niet te
vergeten- molenaars en hun knechten
altijd wel werk was. Molens vormden de belangrijkste
industriële gebouwen van die dagen, noodzakelijk als ze waren voor b.v. het
verzagen van hout voor de bouw van schepen en huizen. Weer andere molens
maalden het graan, voordat het aan de maaltijd van de burgers werd
toever-trouwd. Haring was toevallig een bevoorrecht kind. Hij had twee
moleneigenaren in de naaste familie en hoefde maar bij één van z'n ooms naar
binnen te stappen om de werking van dichtbij te kunnen bewonderen. Daar stond de trotse rogmolen Het
Lam. Hij was in het bezit van zijn Oom Jelle Cornelis Hollander en zijn Mouike
(Fries voor tante en je spreekt het ongeveer uit als ''mojke'') Haentzen
Jurjens Nauta. Granen voor de altijd gretige kiezen van de molen werden
aangevoerd door schepen, die hun vracht uit één van de Baltische staten, tot in
Woudsend hadden gebracht. In 1719, Haring zal een jaar of 9
geweest zijn, laat zijn andere Oom, Jelle Jurjens Nauta, samen met Mouike
Geertje Dirks de machtige houtzaagmolen De Jager langs het water van de Ee
bouwen. Een slimme zet in een plaats waar zoveel koopvaarders woonden die het
hout -rechtstreeks uit Oostzee gebieden
- bij hem voor de deur konden afleveren. Vaak waren dat familie- of dorpsgenoten en die
pasten er wel voor op hun goede naam niet te verliezen. Goed spul moest het
zijn waar je bij Jelle mee aankwam. Later zouden ze die broer van zijn moeder
de erenaam "Jelle Zoethout" geven vanwege de goeie kwaliteit hout die
hij leverde. Haring moet er als jongen vaak met open mond hebben staan te
kijken. Want wat werd die molen hóóg! En ongetwijfeld zal zijn blik regelmatig
van de molen, naar de Ee zijn gedwaald, waar de zeilschepen lagen waaraan hij
zijn hart had verloren. Toen hij volwassen werd, koos hij er
dan ook voor schipper ter koopvaardij te worden, net als later zijn zoon dat zou
doen. Schipper was je natuurlijk niet zomaar. Meestal ging de kennis
daaromtrent over van vader op zoon. Daarnaast werd in veel dorpen de wintertijd
gebruikt om - koopvaarders onder mekaar - kennis over te dragen en gegevens uit
te wisselen. Ze leerden pijltouwen te gebruiken, waaraan dwarstouwtjes bevestigd waren. Aan het eind ervan zat een pijllood met een kuiltje. Hierin smeerden ze vet. Aan het aantal touw-tjes dat onder water verdween konden ze zien hoe diep het er was. Verder raakte het peillood de bodem, waardoor er wat grond aan het vet bleef kleven, die ze dan konden proeven en ruiken. Een prima manier om nauwkeurig te bepalen waar ze waren. Schippers - vaak zowel kapitein als koopman - leefden met de natuur en konden deze als het ware ''lezen''. Ook tekenden ze de contouren van havensteden die ze op hun reizen passeerden, om exact te weten op welke hoogte ze voeren. In zakboekjes noteerden ze waar ondieptes waren of wrakken lagen, en in meer praktische zin leerden ze hoe je kon voorkomen aan lager wal- of zélfs ontroerd te raken. Met alle dankbaar opgedane kennis ging Haring aan de slag. Het was een goede gewoonte onderaan de ladder te beginnen, en het is heel waarschijnlijk dat hij als jongeman eerst allerlei klusjes aan boord moest opknappen terwijl hij meevoer met een ervaren schipper. Best kans dat het z'n vader Cornelis is geweest. Als hij 24 jaar is schrijft de dominee in zwierige letters in het Trouwboek: 'Den 8 jannoarij werden aangegeeven de houwelijks Gebooden van Haaring Kornelis van Wouds-end ende Gerrijtje Martens van Sneek en zijn op de 23 dato, naar Noen alhier bevestigd.' In 1737 wordt het huwelijk bekroond met de geboorte van zoon Marten, genoemd naar de vader van zijn vrouw Gerrijtje. Een jaar later treffen we hem voor het eerst vermeld als ''smakschipper'' aan. Hij meert af aan het Houten Hoofd in Hoorn, waar hij aan de westelijke oever van de Zuiderzee een veilige haven opzoekt: 'Anno 1738, nov. 27', betaalt de dan 28-jarige Haring Cornelis de Koe 'Ut Haven-gelt der stadt Hoorn' voor 't smakschip De Drie Gebroeders (20 Lasten). De kosten bedragen 3 guldens, 4 stuivers. Had de kleine ijstijd (1620-1740) hier iets mee te maken en kon hij vanwege ijsgang de oversteek naar Friesland niet maken? Had een straffe novemberstorm zoveel water uit de Zuiderzee geblazen dat er ondiepten waren ontstaan en hij niet naar Friesland kon komen? Of leverde hij misschien staven, hout of graan aan de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) die ook in Hoorn zetelde? Kan allemaal. Om je zijn varend leven wat beter voor te kunnen stellen, is het wel aardig iets te weten over het soort schip waar hij op voer, de Smak. 'Het maakte zijn entree in de zeventiende eeuw en werd dé kustvaarder van de achttiende eeuw. Omdat hij door zijn beperkte afmetingen en zijn platte bodem diep in het binnenland kon doordringen was er geen overslag (=het overladen van vracht, van een groot naar een kleiner schip met geringere diepgang) noodzakelijk. De relatief grote, met losse luiken afgedekte luikenkap boven het ruim, vergemakkelijkte het laden en lossen.' En verder staat er te lezen: 'Smakken waren in feite binnenschepen, die met een ervaren schipper aan het roer, een paar extra kleden over de luiken van het ruim en een flinke dosis geluk met het weer, de eigenaar jarenlang een lonende exploitatie en een behouden thuiskomst konden bieden.' (3) Haring had kennelijk zowel de juiste
kwalificaties, als het nodige geluk. Zal ik je maar gelijk vertellen, dat ook
zijn gezichtsveld ver reikte? En dat hij internationaal handel dreef van de
Baltische- tot aan de Franse kusten aan toe? Sterker nog, het kan best zijn dat
hij ook de havens van Spanje, Portugal, of Engeland bezocht, alleen zijn daar
nauwelijks meer gegevens van te vinden. In de onderstaande gevallen koos hij
voor de Sont route. Diepstekende schepen hadden een loods nodig om door de Sont
te manoeuvreren, maar het smakschip waarop Haring voer had hij juist gekozen
vanwege de geringe diepgang, om loods en overslagkosten te besparen. Haring is
regelmatig terug te vinden in de administratie, die werd bijgehouden in het
Deense Helsingør. Elseneur noemden ze het ook wel en zelfs Klein-Amsterdam, wat
te danken was aan de vele Nederlanders die er tijdelijk of permanent woonden. Het markant aan de ingang van de
Sont gelegen Slot Kronborg, ten zuiden van de stad, was zelfs ontworpen door
Hollandse architecten en tot vandaag de dag kun je er een overvloed aan
Hollandse kunst bewonderen. De Deense vorst was daar namelijk dol op. Enfin,
dit even terzijde. In die stad was Haring dus verplicht tol te betalen in het
plaatselijke tolhuis (de Toldkammer), om de Oostzee te kunnen bevaren. Deze belastingheffing was ooit
ingesteld door een Deense koning en zijn opvolgers handhaafden die regel maar
al te graag. Op die manier konden ze de vaart op de Oostzee uitstekend
controleren en vingen ze ook nog eens een lieve duit, dus geef ze eens
ongelijk! Bij het betalen ervan, moest Haring opgeven wat hij vervoerde en waar
naartoe hij onderweg was. Hier zijn wat fragmenten uit zijn 'agenda': Datum:Thuishaven:Vertrokken uit: Met als bestemming:Lading: ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- 22-03-1741HarlingenAmsterdamRigaBallast 29-05-1741Woudsend RigaAmsterdamRogge 25-09-1741HarlingenLe CroisicKoningsbergenZout 05-11-1741AmsterdamDanzigAmsterdamGranen 27-04-1742LemmerBourgneuf en RéKoningsbergenZout 27-08-1742LemmerStockholmMiddelburgTeer 24-07-1743FrieslandLe CroisicKoningsbergenZout 23-08-1743LemmerKoningsbergenBergenRogge Wetenswaard: Koningsbergen heet nu Kaliningrad en Danzig nu Gdansk. De Franse plaats Bourgneuf en Ré heet vandaag Bourgneuf en Retz en Riga lag in Lijfland, dat nu Estland heet. Grappige bijkomstigheid: Le Croisic, gelegenaan de Loire (Fr.),trefje in oude zeetijdingen vaak aan als Crooswijk en Krooswijk. Amsterdam kom je ook tegen in deze
opsomming van zijn bestemmingen en je kunt er dus donder op zeggen, dat Haring
er een regelmatige gast was. Als grootste overslaghaven van de Nederlanden, nam
de hoofdstad een belangrijke plaats in bij de besognes van koopvaarders,
graanmakelaars en nog een keur aan andersoortige handelaren. Verder zorgden de
VOC schepelingen voor aanvoer van de meest exotische producten als fossielen,
slangenhuiden, levende aapjes enzovoort. Kwam er weer een schip van verre, dan
spoedden geleerde Heren zich naar de Zeedijk. Zo werd de stad ook een centrum
van wijs- en geleerdheid. Ik las er over in een boekbespreking door Jolanda
Janssen, waaruit ik hierbij citeer. De Zeedijk (nu het stuk Prins
Hendrikkade tot de Nieuwmarkt) beschermde de haven-plaats al sinds het jaar
1275 tegen het dreigende water van het IJ.Daar achter lagen de wallen van de stad, waar het een komen en gaan was
van een internationaal getint publiek, want alles wat het zeevarend volk nodig
had, bevond zich zo dicht mogelijk tegen de IJ wal. Van schoenmaker tot smid,
van logement tot dansgelegenheid. En voor de VOC bemanning, die vaak
maanden, soms jaren van huis was, kon je er nog een andere beroepsgroep vinden:
de hoeren. In het boek De Stad Amsterdam (door Arne Zuidhoek, Uitgeverij
Fontein, Baarn) kun je erover lezen. Een verdere bloemlezing, met hier en daar
een eigen interpretatie: De ruige zeelui van de Verenigde
Oost Indische Compagnie waren zo ongeveer desperaat. Maandenlang waren ze op
een schip onder mannen geweest, geslagen, belasterd, en klein gehouden.
Eindelijk mochten ze weer mens zijn en zich even koning voelen. Ze wilden
gezelligheid en muziek, en daarna volgden drank en copulatie. Een vrouwenhaar
is nu eenmaal sterker dan een scheepskabel, zo wisten ze uit ervaring. De zeeman werd al belaagd door
vrouwen voordat hij nog maar één voet aan wal had gezet. Ze kwamen in kleine
bootjes en sloepen naar zijn schip en lokten hem met hun bekoorlijkheden en een
fles drank. Daarna was het op naar de Zeedijk, waar de wijn rijkelijk vloeide,
het leven bruiste en er geen schipper met straffen klaar stond. Hij jaste zijn
gage er binnen de kortste keren doorheen. En omdat hij alleen verdiende als hij
voer, was hij - tot hij het voorschot op een volgende reis ontving - aangewezen
op leningen bij zijn slaapbaas. Op last van het stadsbestuur waren
al in 1500 de Pijlsteeg en de Halsteeg (nu de Damstraat) aangewezen als
officiële peesruimte. Als een vrouw haar beroep buiten dit gebied uitoefende,
werd ze op een open kar naar ''huis'' gereden, begeleid door tamboers en
pijpers, zodat het ‘keurig’ volk haar onderweg fijntjes kon uitmaken voor rotte
vis. En de geachte H.H. cliënten die opgewonden van haar diensten gebruik
hadden gemaakt? Die werden met rust gelaten. Amsterdams achttiende-eeuws
gedoogbeleid. De vrouwen van de Zeedijk waren een slag harder dan die van de Pijlsteeg. Alhoewel ze onder ''bescherming'' van schout en schepenen werkten, konden díe zich maar beter niet op de dijk vertonen. Waagden ze toch een kansje, werden zij er door de dames vakkundig afgeknikkerd. De dijkhoeren hadden hun gedrag aangepast aan hun klanten om ze de baas te blijven. Ze waren zo brutaal als de beul. Ze konden drinken als ketters, stelen als raven, vechten als een stier en stonden bekend als de meest meedogenloze hoeren ter wereld. Door het succes aangetrokken, kwamen er ook buitenlandse dames op zoek naar klandizie, die - vanwege de klantenbinding - een wat soepeler prijsbeleid hanteerden. De dijkhoeren reageerden op geheel eigen wijze: ze schopten ze van de Zeedijk. Er was een levendige handel in vrouwen. In Utrecht werd rond deze tijd een vrouw in de boeien geslagen, die jonge meisjes met voorschotten verleidde, hen vervolgens naar Amsterdam bracht en in hoerenkasten liet werken. En geloof me, alhoewel deze dames de kroon spanden, zullen voor Haring deze in het boek "De Stad Amsterdam" beschreven taferelen vast geen wereldschokkend nieuws geweest zijn. Eerder onderdeel van wat hij tegenkwam in zoveel havenplaatsen. 'Ze doen maar' zal hij wel gedacht hebben. MaarHaring - de brave Oostzeevaarder – had dan ook makkelijk praten. Hij kon regelmatig aanleggen in de thuishaven. Misschien
vroeg je je al eens af hoe hij bij nacht en ontij in verre streken toch de weg
kon vinden. Nou, dat ging inderdaad niet altijd even gemakkelijk. Zeker, er
waren vuurtorens, waar toen uiteraard nog echte vuren op brandde, maar of die
altijd goed functioneerden is de vraag. Er waren met grote regelmatig
problemen, o.a. met de vuurbaak bij 't Kol. De Oosterschen Handel en Rederij in
Amsterdam had er belang bij dat het de koopvaarders goed ging en liet in 1743
een aantal schippers hun ervaringen vastleggen. Die
verklaren bij deze gelegenheid 'dat het vuur op de gemelde toren 's nachts zeer
slecht en defectueus onderhouden en gestookt werd. Naar hun mening is het
onvoldoende voor de schipper om met dat vuur zich te oriënteren en is het zelfs
beter dat er in het geheel geen vuur brandt, omdat ze nu zoeken naar een vuur
dat onvoldoende is en men de koers daardoor niet goed kan vaststellen.' Men probeerde in
onze streken de bebakening via tonnen, bakens en vuurplaatsen zo goed mogelijk
te onderhouden, die deels werden bekostigd via het Paalgeld, een belasting op
de vracht, die schippers in sommige havens moesten betalen. Maar zeeman zijn
bleef een avontuurlijke onderneming. Aan
het eind van datzelfde jaar beleefde ons land een beangstigend natuurfenomeen.
Het was zondag 8 december toen de mensen verschrikt opkeken naar een staartster
die zich aftekende tegen de donkere avondhemel. En natuurlijk zag men het als
een voorbode van slechte tijden. Toen er later - in 1745 - veepest uitbrak,
waaraan een groot deel van de veestapel ten onder ging, wisten ze dan ook heel
zeker 'Dit hebben we zien aankomen. Die staartster!!!', want ze oordeelden naar
hun ervaringen en met de kennis van dat moment. Eigenlijk niet anders als wat wij vandaag de dag doen. Voor Haring was ondertussen handel
handel en aan alles kun je merken dat hem dat uit-stekend af ging. Bij de
volkstelling van 1744 - hij is dan 34 jaar - staat hij genoemd bij de
"Vermogenden van Woudsendt", wat met zich meebracht dat hij in staat was
om belasting te betalen. Een ingeroeste gewoonte in de Nederlanden. Toen al. Omdat er in 1748 een golf van
onlusten door de Republiek der Zeven Verenigde Neder-landen ging, moesten de
Friese Staten onder grote druk besluiten tot de afschaffing van de
"verpachte middelen". In plaats daarvan zou er een belasting naar
draagkracht worden ingevoerd. (Bron: RAF) In januari en februari van het jaar 1749 werden
daarom alle gezinnen genoteerd in de zogenaamde Quotisatiekohieren. In die van
Wymbritseradeel, de Grietenij waaronder Woudsend valt, vind je alle
"Sudwesthoek skippers op 't Quotosaesje kohier 1749, mei it tal persoanen
boppe en under de 12 jier". Bij Haring schreef men: smakschipper, 2
volwassenen en 1 kind. Hij werd aangeslagen voor 28 caroliguldens, 0 stuivers
en 0 penningen en noemt hem Haring de Coe. Misschien is 1749 ook wel het
roemruchte jaar waarin de eerste elfstedentocht werd verreden! Sommige
historici beweren dat namelijk aan de hand van een versje in een dichtbundel,
genaamd ''De winter, in drie zangen". Dit zou dan het bewijs voor de tocht
der tochten zijn: De knaap was lang berucht Voor het baasje dat gelijk een vogel door de lucht kon vliegen over 'tijs. 't Is Pier de ellef Steden van Friesland, op een dag, heeft in het rond gereden, en nog zijn maal met vrede at in den Oliekoek te Bolsward in den stal, bij Veltje van den Hoek. Zeker is, dat de toentertijd nogal geïsoleerd liggende steden en dorpen op de schaats veel makkelijker bereikbaar waren en er werd door een hoop mensen dankbaar gebruik gemaakt van de gelegenheid eens een andere omgeving te zien. Omdat een aanzienlijk deel van de varende bevolking in de wintertijd thuis was, werden die dichtgevroren trekvaarten, sloten en meren, door hen als een bijzonder welkom verzetje gezien. Het is je al lang duidelijk dat
Haring niet de enige was die in Woudsend iets met de scheepvaart te maken had.
In de collectie Roorda (Ryksargyf Leeuwarden) staat: 'Fan Fryslân libben yn de achttsjinde ieu in
greate smite (=groot aantal) minsken fan de skipperij,' want, zo heb ik het
verder vertaald, in 1749 kom je via de kohieren op ongeveer 45 procent van de
bevolking die hier hun werk in vond. 'Mar yn wurklikheid lizze dizze
persentaesjes noch folle heger. Ommers houtforkeapers, houtmounders, smidden, toukeaplju
en winkellju fortsjinnen (=verdienen) ek oan skipperij.' Zo ging het bijna iedereen in Woudsend voor de
wind. De koopvaardij stond niet garant
voor een kalm voortkabbelend bestaan. De koopwaar aan boord had een grote
aantrekkingskracht op figuren die op een eenvoudige manier aan geld wilden
komen. Je moest je flink weten te weren, anders kon het gebeuren dat je je
schip, je lading of zelfs je leven verloor. Er waren regelmatig oorlogen die voor bepaaldelieden een vrijbrief leken te betekenen om zich te buiten te gaan aan piraterij. Weliswaar was er 'den 21 Nov. 1752 met Marocco de vrede gesloten, doch met Algiers, de voornaamsten roofstaat, ontstonden in 1755 weer nieuwe verwikkelingen, die de kooplieden en reeders hier te lande den schrik op 't lijf joegen. Er dreigde gevaar, daar de Barbarijsche staten alléén van roof bestonden. Nu waren het in 't bijzonder onze rijkbeladen koopvaarders die zeer in hunne smaak vielen.' (1) Liep alles echter zonder problemen
kon het zó gaan: Hij kocht in een Franse haven zout in, bood het in Danzig te
koop aan, kocht met het verdiende geld rogge, die vervolgens werd verhandeld op
de Amsterdamse graanbeurs. E.e.a. kon ook via tussenpersonen geregeld worden.
In de hoofdstad hadden bijvoorbeeld rond die tijd al meer dan 395 makelaars in
granen een benoeming. Officieel dan, want daarnaast liep er nog een geschat
aantal van 800 ''beunhazen en bijlopers'' rond. (13) De Amsterdamse korenbeurs was
gelegen ''boven het water van het Damrak, toen nog 'Op 't Water' geheten. Het
lag ten zuiden van de Oude Brug en had rondom een vierkant plein, waarop zich
een gaanderij bevond, waaronder banken en kastjes voor het bewaren van
graanmonsters. Het was een houten beurs, die later - in 1766 - vervangen zou
worden door een stenen gebouw''. (13) Haring zal beide exemplaren heel wat
keren bezocht hebben, als hij rogge naar de hoofdstad bracht. Zo reisde hij van het vroege
voorjaar tot diep in de herfst met zijn koopwaar van land naar land. De laatste trip voordat het winterseizoen inging, moest je overigens zorgvuldig plannen, want als je tijdens je Ommelandvaart in Oostzee gebied lag terwijl het begon te vriezen, liep je de kans dat je daar maanden moest blijven liggen. Winterdag had je zo noordelijk niets te zoeken, dan lagen de havens er dicht met pakijs en was je beter af in de beschutting van je eigen omgeving, bij eigen huis en haard. Op zijn schip was hij heer en
meester, de trotse koopvaarder, maar thuis wachtte een vrouw, die door zijn
voortdurende afwezigheid heel best wist hoe ze haar zaakjes diende te regelen.
Ze stond er immers meestal alleen voor? Nee, dit waren geen dametjes die
stilvielen als manlief langszij kwam. Het zal hem dankbaar gestemd hebben te
weten dat hij het reilen en zeilen thuis gerust aan haar kon overlaten. Toch,
na een lange, lange winter kon Haring bijna niet wachten weer onder zeilen aan het werk te gaan. Wanneer hij in het voorjaar in de Oostzee terecht wilde komen, kon hij verschillende routes nemen. Voer hij via de Grote of de Kleine Belt richting 'het Balticum'- alhoewel dat meestal aan de lokale bevolking werd overgelaten - gaat dat helaas aan ons zoekend oog voorbij. Gelukkig richtte hij de stevenregelmatig naar de Sont. In deze smalle zeestraat tussen Denemarken en Zweden lag aan Deens kant zoals je weet het plaatsje Helsingør. Haring kocht er zijn Sontpas, waarna hij de Oostzee mocht binnenvaren. In de registers vind je hem als Haring Cornelis terug, maar ook als Haering de Coe. We mogen die tollenaren wel dankbaar zijn, want nu kunnen we weer wat reisjes meemaken en met eigen ogen zien waar deze voorvader zijn handel zocht: Datum:Thuishaven:Vertrokken uit:Met als bestemming:Lading: ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- 15-06-1751WoudsendLe CroisicRiga
Zout 06-08-1751WoudsendRigaAmsterdamBallast 23-03-1752FrieslandAmsterdamDanzigBallast 29-04-1752FrieslandKoningsbergenAmsterdamRogge 24-09-1752WoudsendStettinBordeauxStaven Mocht je niet weten wat 'staven' zijn: dat is een ruw product van ijzer, o.a. noodzakelijk bij de bouw van schepen. In het 1752 verschijnt "De
Leeuwarder Saturdagse Courant" voor de allereerste keer. Er staat een
rubriekje BYZONDERHEDEN in en lezers kunnen hiervoor opvallende zaken aan de
redactie melden. Het bevat verhalen, die het 'waardig syn tot het nakomelingschap
overgebragt te worden.' In onderstaande editie betrof het wetenswaardigs, dat
per brief uit Londen was binnengekomen: 'Een zeker Perzoon het ongeluk gehad
hebbende een zeker Bank-briefje te verliezen ter waarden van 15 Pond Sterlings,
was een gemeen Man dat oprapende zonder dat iemant het zag. De bezitter van dat
Briefje op die tyd dede alle mogelyke moeite om te weten wie de Eigenaar daar
van was;dat gewaar geworden zynde, ging
by hem, en vroeg hem of hy niet verloren hadde een Bank-briefje? De Eigenaar antwoordende
ja, maar dat vergeten hadde welke Numero het was. De bezitter het hem
wedergevende, weigerde niet alleen eenige Guinies, welke de Eigenaar hem wilde
geven, maar antwoorde dat het zyn Eigendom was, en niet de zyne, en dat hy door
het vinden van het zelve geen 'tminste
recht op zyn geld hadde, maar zelfs geloofde, dat hy ongelyk zou doen aan zyne
eerlyke Denkbeelden (niet tegenstaande zyne geringheid) indien hy voor deze
daad de minste beleeftheid ontving.' Korte eigentijdse samenvatting? Een
man verloor een briefje van 15 Pond. Iemand zag het liggen en ging op zoek naar
de eigenaar, die hij uiteindelijk vond. Die wist zich niet het nummer van het
biljet te herinneren, maar kreeg toch zijn geld terug. Toen hij de eerlijke
vinder voor zijn goeie daad wilde belonen, weigerde die dat aan te nemen, omdat
hij vond dat hij - ondanks het feit dat hij een straatarme man was – geen
aansprak kon maken op een vindersloon. Hij beschouwde het teruggeven van het
geld als een normale daad, die paste bij zijn eerlijke denkbeelden. Wat ik hier nou zo bijzonder aan vind? Dat die eerlijkheid 'wel in de krant mag',in 1752! Als hetzelfde blad in 1752 voor de achtste keer in zijn bestaan verschijnt, staat onder het kopje KOOPHANDEL: 'Van Holstein verneemt men, dat de Negotie der Deenen in Ysland van Dag tot Dag voordeliger werd, en dat er drie Schepen te Gelukstad met een conside-rabele Lading uit die Landen aangekomen zyn.'Kijk, dat is pas nieuws dat onze Haring boeit; dat heeft met zijn handel te maken! Het artikeltje vervolgt met de 'Friesche Schepen die de Zond gepasseert zijn', waaronder'De 2e September Haring Cornelis de Koe en Pyter Mathijssen van Amsterdam na de Oostzee met Ballast.' Die ballast gebruikte Haring
overigens niet alleen om z'n schip stabiliteit te geven, maar het was ook
handel. Vaak werd er zand voor gebruikt, eventueel aangevuld met via VOC
kanalen verkregen bijzondere goederen zoals zijde en porselein. Ook lonend was het in Friesland gefabriceerde rode dakpannen, bakstenen, vloer- of wandtegels in te laden voor de reis die zo'n 11 tot 15 dagen zou gaan duren. Die meege-nomen bouwproducten werden vervolgens verkocht, zodat het ruim vrijkwam voor nieuwe handel. Dat en het feit dat heel wat Nederlandse architecten op de golven van de lucra-tieve handel hun werkgebied uit konden breiden, heeft er trouwens voor gezorgd dat je in de Oostzee landen zoveel huizen ziet die je aan Nederlandse havenstadjes doen denken. Daar hebben de Friese koopvaarders een aardig steentje aan bijgedragen! In deze periode moet zijn vrouw Gerrijtje Martensdr. in Woudsend overleden zijn. Haar sterfdatum heb ik nog niet teruggevonden. Als je de familiegeschiedenis zo proeft, kun je er van uit gaan dat hij troost en steun gevonden zal hebben bij zijn familie en vormde zijn geloof een andere belangrijke factor. Sommige mensen menen zelfs dat het
geloof de belangrijkste voedingsbodem voor het succes van de zeevarende
kooplieden was. 'Dankzij juist onze koele religiositeit, waren wij Nederlanders
voorbestemd om de groote wateren te trotseeren. Een gerust geweten en een koel
hoofd, zijn in barnende gevaren de plechtankers van onverschrokken durfmoed.
Wij hebben er bij 't ontleden van ons algemeen volkskarakter reeds op moeten
wijzen, hoe wij de zee - en de zee ons getemd heeft.' (bron: Handboek der Ned.
taal Deel II. De sociologische structuur onzer taal II door Jac. van Ginniken) Als gelovig mens was de zondag
Haring heilig en daarom de aangewezen dag om de kerk te bezoeken. Daar kwam hem
ongetwijfeld ter ore dat er sinds een tijdje wat gedoe was - ja, 't was te gek
voor woorden! - over wie nu eigenlijk wáár mocht zitten in die kerk. Het
geruzie liep zelfs zo hoog op, dat de 'Hoog Wel Geboren Heer J.S.G.J. Van
Burmania Rengers' de Grietman van Woudsend, zich er mee moest bemoeien. 'Dan maar regels opstellen,' moet het
hooggeplaatst heerschap gedacht hebben. Hij 'doet te weeten, om voor te komen
de menigvuldige desputen, die dagelijks sijn, in de Dorpe Woudsend over de
Sitplaetsen in de kerke, het naevolgende Reglement omtrent de Plaetsen in de
Gemelde Kerke te Statueren.' Artikel 6 zegt dat 'Het Stoel geld sal in gaen met
den eersten januarius 1753.' De Grietman beslist in zijn wijsheid, dat de opengevallen plaatsen in het vervolg vergeven zullen worden door de beide oudste Burgemeesters - ze hadden er toen meerdere per dorp -, 'mits altijt een Ledemaet, en getrouwde Vrouw boven andere begunstigde.' De mooiste zitplaats bracht voor de kerk 20 stuivers per jaar op en zat je ver bij preek-stoel of doophek vandaan betaalde je 6 stuivers. Bij een beperkt budget, kon je in 'twee terminnen betalen, te weeten, de eene helfte voor den 12e Maij en de ander helfte voor den 12e November, in handen van de Dorps Ontfanger, bij poena van Parate Excecutie.' Anders gezegd: betalen of je bent je plekje kwijt en krijgt nog straf bovendien. Poena ja, je weet wel, van "dat kost poen", van poenaliteiten, penitentie en van penalty. Straf dus. Op de schets die de Grietman bij dit
reglement voegde, kun je zien dat de vrouwen in het midden van de kerk de
stoelen waar het dispuut over handelde bezaten, want tegen de muren van de kerk
waren de zogenaamde ''mans banken'' geplaatst. Waaruit ik helaas voorzichtig
moet concluderen, dat het kennelijk het vrouwvolk was dat problemen
veroorzaakte. Zie je het voor je? Zondagmorgen, de
kerk gaat in. Vrouw Hoogindebol stevent zwart-gerokt in maatje grootzeil
kordaat af, op de enige stoel die kennelijk goed genoeg is haar pronte billen
te dragen. Ze laat zich er op zakken, haar blik zegt 'sterke vent die mij hier
weg krijgt' en ze plant haar tasje voor eeuwig op d'r schoot. Maar dan had ze
toch buiten Het Kerkelijk Gezag gerekend . . . . . . Eén van de ouderlingen - beschroomd,
maar dapper, want die Vrouw H. is me een tante! - schuifelt op de dame in
kwestie af en fluistert haar iets in 't oor. Langzaam trekt het boosrood naar
haar kruin, waardoor dunne slierten haar zich verrassend fel aftekenen tegen de
nu blozende hoofdhuid. De geachte medebroeders en zusters - vandaag zonder
uitzondering bijtijds aanwezig - houden de adem in. Dan, na eindeloos lijkend theatraal gedraal, haalt
Vrouw Hoogindebol dan eindelijk bakzeil. Alleen haar van woede zwangere zucht -
die de brave ouderling lichtjes met de ogen doet knipperen - wordt gehoord. En
terwijl haar vernietigende blikken de bood-schapper van het kwaad geen moment
los laten, schrijdt ze - zonder verder één woord te zeggen - naar de haar
toegewezen plek. Ach, ze wou misschien gewoon effe tsjekke . . . . . . . Een andere dame nu, die een
vermelding meer dan waard is. Uit het trouwboek van Lemmer: '1753 Den 25
Novemb: 2 en 9e Decemb: is afgekondigd het Houwelijk van Haaring Cornelis de
Koe van Woudsend, ende Geeltje Feites van de Lemmer, Waar af zij op den 21st
Decemb: Attestatie geligt hebben om in de Lemmer te trouwen,' waarna het
huwelijk op 23 december werd voltrokken. Geeltje, de tweede vrouw van Haring,
is helaas kort daarna overleden. Het zou me niks verbazen als dat in het
kraambed was. Griezelige tijden waren het soms voor de mensen. Niet alleen als je je voorstelt hoe vaak het
voorkwam dat er vrouwen stierven bij een bevalling -zou je blij zijn bij een zwangerschap, of
eerder angstig? - maar ook in de natuur-in-het-groot waren er nog heel veel
onopgeloste raadsels. Het was ongeveer in 1755, dat ze met een onbestemd
gevoel rondliepen door de aankon-diging dat er een komeet vlak langs de aarde
zou scheren. De laatste keer was dat voor-gekomen in 1682, maar, als de
voorspelling van Halley uitkwam, stond dat nu weer te gebeuren. Sommige
dominees preekten hun kerken vol, door citaten aan te halen die de mensen nog
angstiger maakten. Hoorde je bij hun 'club', dan viel er niets te vrezen. Johan Georg Muller, dominee in
Leeuwarden, haalde Lucas 21 aan, waarin aangekon-digd wordt, dat er 'tekenen
sullen geschieden aan de sonne en maan en sterren: en op aerden zal den lieden
bange zyn, en zy zullen zeer beangst worden: en de zee en de watergolven sullen
bruischen'. Daarop gaf hij een folder uit, die de opbeurende titel
'Voor-tekenen van de nabyheit van het vergaan der wereld en van den jongsten
dag' droeg. Alsof de duvel er mee speelde vond
er in Lissabon een immense aardbeving plaats, die een vloedgolf van meer dan 20
meter teweeg bracht. Water en vuur zorgden er voor, dat de stad totaal verwoest
werd. De beving was zo sterk, dat bij windstil weer de schepen in diverse
Nederlandse havens zo heftig heen en weer werden geslingerd, dat het leek alsof
het stormde. Er was nog maar weinig fantasie voor nodig om de aardbeving én de
komst van 'den schrickkelyken comeet' op één hoop te gooien in de strijd om
klantenbinding. Toch is het een invoelbare angst.
Steden en dorpen bestonden destijds nog grotendeels uit huizen van hout,
waardoor de kans groot was dat bij brand een hele woonomgeving in vlammen
opging. Dat betekende dat er initiatieven genomen moesten worden om in
voorkomende gevallen die schade zoveel mogelijk te beperken. Er zijn plaatsen
bekend waar men in de winter verplicht was 's nachts de wacht te houden bij
wakken of bijten zodat ze open bleven en er stonden fikse straffen op het niet
naleven hiervan. Bij brand moest er immers water voorhanden zijn? Een brandweercorps bestond nog niet,
maar in sommige dorpen had je wel een burger-brandwacht, die een enkele keer -
zoals in Woudsend - zelfs de beschikking kreeg over een heuse brandspuit. Er
waren strenge regels aan het gebruik ervan verbonden, en de man-schappen werden
met de grootste zorgvuldigheid gekozen. In 1755 kwam het 'Reglement weegens
De Brandspuyt in den Dorpe Wouds:End' uit, al was dat bepaald niet zonder slag
of stoot gegaan. Maar goed, de 'Hoogwelgeboren Heer Jhr. S:G:J: van Burmania
Rengers Heer van Oosterbroek en Cammingaburg, Grietman en Dijkgraaf over
Wymbritseradeel, ingesien hebbende de nootsakelykheit dat den Dorpe Wouds:End
wierde voorsien met een goede en Bequaame Brandspuyt ten Dienste en nutte der
ingeseetenen' ging dan toch eindelijk accoord met de aanschaf en stelde de
'Articulen waar na een yder sig stiptelyk sal hebben te gedragen' op. Vijftien gezagsdragende lieden uit
het dorp, waaronder 'scheepstimmermans baasen' Tiette en Michiel Hylkes Tromp
en de 'Baasen Reinder Soethout en Walle Hoytes' werden aangesteld als
'Brandmeesters en bestierders der slange'en als er onverhoopt iemand van de aangewezen personen zou komen te
overlijden, kwam de Grietman zelf wel even een handje helpen. De gebroeders De Koe konden ze hier
niet bij gebruiken, omdat die ander belangrijk werk te doen hadden. Zij waren
schippers ter koopvaardij en daarom niet altijd in staat om in geval van nood
aan te treden 'geduurende de brand, ofte onder het probeeren van de Spuyt.' Het
werk voor de verantwoordelijke personen bestond uit het bedienen van zuigers en
pompen en verder hadden zij de opdracht 'deselve Uit t Huysje te Haalen ter
aange-weesene plaatse te brengen, t pompen te verrichten en na gedaan werk de
Spuyt met syn toebehoren weeder in desselfs Huysje te besorgen.' Buiten de ontegenzeggelijke
voordelen aangaande de veiligheid die de spuit bood voor de ingezetenen van het
dorp, was er voor de brandweerlieden nog een andere plezierige bij-komstigheid.
Zij genoten''s Jaarlyks yder persoon
Een Car: Guld: en by yder keer als geprobeert werdt, een vierendeel Agt guldens
Bier en Vier Mingelen Jenever, en by ontstaane Brand int Dorp telkens nog een
Carl:Guld: per Hoofd.' Tenslotte werden de Turfdragers
ingeschakeld. Hen werd opgedragen bij oefening of brand 'telkens aan
weerskanten van de Linnen en Leeren slang langs te loopen, deselve naukeurig
nasien of er iets aan mankeert' en bij problemen een van de Brandmeesters te
waarschuwen. Ook dienden zij 'op te Passen dat niemandt op de eene of
andere Slange komt te trappen, ten einde sullen deselve sig moeten voorsien van
een goede stok.' [Van enige coulance vanwege de eventuele slechte jeugd van de
dader trof ik geen spoor.] Brandspuit en slangen. Ze waren van
het grootste belang voor het dorp. Daarom bepaalde men dat náást de
turfdragers, nog eens 'Drie Brandmeesters by de Leeren Slang sullen moeten
Blyven, als om de Lul piep te Regeeren, en den Twee andere om op de Leeren
Slang te Passen.' Grietman tevreden, handtekening gezet 'op Heeden den eersten
October 1755' en zo zou het voortaan zijn. Haring, de man van het water,
vertrouwde daar maar op. Hij kende zo z'n eigen problemen. Later zou over deze
periode geschreven worden dat dankzij de handel in 'Oostzeesche produkten velen
een groot vermogen gewonnen hebben, vooral in den oorlog tusschen Frankrijk en
Engeland van het jaar 1756 tot 1764; doch ook velen hebben daarna, door de
trouweloosheid der Engelschen, groote verliezen geleden. Dit middel van vertier
is vervolgens door bekende oorzaken allengs zeer verminderd.' (9) Hij was vast niet het type dat zich
zonder slag of stoot gewonnen gaf, maar moest wel altijd beducht zijn voor
lieden die minder recht door zee waren. Dan waren het de Barbarijsche rovers
die op strooptocht waren, dan weer de Duinkerker kapers. En Engelse piraten
maakten het helemaal bont. Die hadden de gewoonte om - ondanks gesloten
verdragen! - de koopvaarders aan te vallen en op te brengen (=gedwongen naar
Engeland te laten varen), waar ze óf wel alle koopwaar ontnamen, óf ook het schip.
Alhoewel aanvaringen met dergelijke
lieden maar voor een deel gedocumenteerd zijn, zijn er toch een paar
voorbeelden te geven. Schipper Gerbrand Sybouts hadden ze
te pakken gehad op z'n smak. Hij vertelt dat er 's morgens 8 uur een Engelse
kaper, varend onder Franse vlag (de snoodaard!) langszij kwam en er 7 man uit
de sloep aan boord stapte. De onverlaten braken 'de luiken met bijlen open,
smeten de wouw op 't dek van 't schip en hebben pakken en balen openge-sneden
en opengekapt en daaruit genomen 't geen hun aanstond.' Vervolgens laadden ze
de goederen in hun sloep en alsof het nog niet genoeg was - gaat Gerbrand
uiterst verontwaardigd verder - 'dwongen zij mij in de Roef daar zij mij
gehouden hadden hun een soopje te geven, en zij zopen toen meest al den drank
uit.' (1) En jij denkt dat dat ongemerkt aan
die jongens van De Koe voorbij ging? Dat geloof je toch niet echt hè? Van
Haring zelf vond ik nog geen bewijzen, maar in 1758 werd zijn jongste broertje,
schipper 'Jurian Corns de Koe volgens brief uit Crosique door de Engelschen
genomen en opgebracht.'En oudere broer
Roelof de Koe kreeg tijdens één reis maar liefst DRIE keer bezoek van de
schavuiten. Hij kwam op 14 juli 1758 vanuit Bordeaux in Rotterdam aan, waar hij
rapporteert dat hij: 'Den 4 dito tusschen Bevezier en Virleij
aan boord kreeg 3 Engelsche Zeerovers die hem ontstolen hebben 10 stukken
brandewijn. Den 6en in de Hoofden quam een andere Zeerover aan boord, die een
vaam á 16 van een kabeltros kapte en medenam. En nog wat verder komende, kreeg
hij een andere zeerover aan boord, die een nieuw kleed van Touwe en een nieuwe
tros medenam, en zo, na boord schietende met een snaphaan na den schip-per met
een kogel [ho, wacht eens even: wel richting Roelof dus!], omdat hij zeide dat
zij Dieven waren.' (1) Nou, dat liet aan duidelijkheid niets te wensen
over. Roelof was dat tuig spuugzat! En dat gedoe met die snaphaan? Was ie niet
van onder de indruk.Dieven waren het!
Uitschot! En dat zou ie ze vertellen ook! Je wil weten wat dat is, een
snaphaan? Een soort pistool, waar - om het kruid te laten ontbranden - de haan
over een vuursteentje glijdt, wat een 'snappend' of schrapend geluid maakt. Nu
we toch bezig zijn: de plaats Bevezier - waar Roelof de eerste ongewenste
bezoekers aan boord kreeg - lag aan de zuidkust van Engeland en met Virleij
bedoelt hij het aan de westkust van Frankrijk gelegen St. Valeri. Nog één
weetje toe: Wat ze toen De Hoofden noemden, heet nu Het Kanaal. Dichter bij huis, vond Haring nieuw geluk bij Dirkje Ages (ook wel Durkje genoemd), met wie hij in 1758 trouwt. Met haar sticht hij - afwisselend in Woudsend, Elahuizen en Lemmer woonachtig - een nieuw gezin. Financiële problemen hebben ze niet gekend, zo blijkt, want iedere keer duikt hij weer op bij belasting aangelegenheden, de zogenaamde speciekohieren. In het jaar 1759 betaalt hij in Woudsend voor 3 personen en 1½ schoorsteen (ja, daar moest je toen schoorsteengeld voor betalen!) en in 1761 nog voor 1½ schoorsteen en 2 personen, omdat zijn oudste zoon Marten toen inmiddels was getrouwd. Haring was in die tijd nog veel op het water te vinden. Kijk maar: Datum:Thuishaven:Vertrokken uit:Met als bestemming:Lading: ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ 19-06-1761WoudsendHamburgOostzeeBallast 26-07-1761WoudsendRigaBremenRogge 19-04-1762FrieslandBremenOostzeeBallast 23-05-1762LemmerKoningsbergenMedemblikTarwe 13-07-1762LemmerAmsterdamOostzeeBallast 21-09-1762LemmerRigaAmsterdamRogge 14-07-1763FrieslandAmsterdamOostzeeBallast 17-08-1763LemmerRugenwaldeAmsterdamBalken 06-10-1763LemmerAmsterdamOostzeeBallast 12-11-1763LemmerStettinAmsterdamStaven Hij schuimt het Oostzeegebied af
rond de 4e september 1762, zo te zien. 't Is maar te hopen dat hij de file toen
gemist heeft, want op die dag was het verschrikkelijk druk in Helsingør. Maar
liefst 135 schepen liepen er binnen, dus er zal een flinke rij gestaan hebben,
bij het tolhuis! In datzelfde jaar 1762 verhuist hij volgens het lidmatenboek 'na de Lemmer.'Op 24 maart 1763 kiest 'Haring Cornelis de Koe - Schipper in de Lemmer' ervoor de nalaten-schap van zijn eerste vrouw Gerrijtje, met zijn oudste en haar enige zoon bij de notaris te regelen. Zij hadhem 'Een agtste part schip bij Marten werdende gevoerd' nagelaten en de 'Huizinge C:ann bij de laatstgenoemde bewoont, geleegen tot Woudsend, hebbende de Ee ten Oosten en Sake Durks ten Westen,' waarmee zoon Marten eigenaar werd van het huis waar hij al in woonde. In de koopvaardij was een trage maar
gestage achteruitgang te bespeuren en 'as it tij keart, moatte de beakens
forset wurde.' Vanaf 1770 tot 1780 kom je Haring tegen in
"Elahuijsen" waar hij kennelijk brood ziet in het boerenbedrijf. In
1770 bezit hij er namelijk '9 koeien, 2 rieren en een peerd,' maar later, in
1780, is zijn veestapel uitgebreid naar '17 koeien, 6 rieren en 2 peerden'. Of hij daarnaast ook nog voer - hij was toen
inmiddels 70 jaar - is niet 100% zeker, maar de combinatie boer/schipper is op
zich niet ongebruikelijk. Het is 1772 - hij woont dan nog in
Elahuizen - als hij 'gesamentlijk met zijn naaste Bloedvrinden Sekere Huisinge
met de annex plaats vrij van Grondpagt, Maij 1773 vrij van Huisinge, wordende
by Sytse Tjeerds de Fries als huurder bewoondt staande te Woudsend' verkoopt,
wat weer geld in het laatje bracht voor Haring. En voor zijn broers natuurlijk,
want dat is de vertaling van het prachtige begrip "Bloedvrinden''. De februarimaand van 1774 brengt de
Leeuwarder Courant alweer een onheilspellend bericht dat paniek onder de mensen
teweeg brengt. Er zou een 'gewigtige en in veele duizend Jaaren
misschien niet weder voorkomende Conjunctie der vijf Planeeten' plaatsvinden.
Wat hield dat in: nou, op 8 mei van dat jaar zouden de Maan, Mercurius, Venus,
Mars en Jupiter - vanaf de aarde gezien - in hetzelfde sterrenbeeld staan.En de mensen waren als de dood dat het einde
der tijden nu toch wérkelijk was aangebroken. Een fanatieke predikant uit Bozum
stookte dat vuurtje nog eens op, door angstaanjagende advertenties te plaatsen
over de ''Ontsloping of Vernieling van het gantsche Zonne-stelzel''. Pas nadat de gewraakte datum zonder
rampen voorbij was gegaan keerde de rust lang-zaam weer. Helemaal nadat Eise
Eisinga, een eenvoudige wolkammer uit Franeker - die 'eenen den Friesen zoo
eigene neiging voor wiskundige kennis had' - op het idee kwam een model van het
zonnestelsel te maken. Dan konden de mensen zelf zien dat het alleen maar léék
of de planeten elkaar raakten. Hij bouwde het op zijn zolder en in later jaren
zou een bezoeker die door Eise was rondgeleid noteren: 'Wij wisten niet wat wij
meer moesten bewonderen: de durf van de onderneming, de voortreffelijkheid en
precisie van de uitvoering of de onbegrijpelijke eenvoud van de maker. Jammer
dat dit kunstige gewrocht niet te verplaatsen is en met het huis ten onder moet
gaan.' [4] Dat ook die angst ongegrond was, blijkt uit het feit dat het anno
2003 dit ‘kunstige gewrocht’ nog steeds bewonderd kan worden in Franeker. De oudste broer van Haring - Jelle - was inmiddels overleden. Hij had een rijk en succesvol bestaan geleid en de nodige pecunia verzameld in zijn arbeidzaam varend leven. Twee keer was hij getrouwd geweest, maar beide huwelijken bleven kinderloos. Zijn tweede vrouw was Pytje Blaumus uit Bolsward. Met haar is hij - tot aan zijn dood - maar een paar jaar getrouwd geweest. Pytje volgde haar man in 1771 in het graf. Die achtergrond moet je even weten, want met hun beider erfenis is het een en ander aan de hand. Het waarom weet ik niet, maar er ontstond onenigheid, of, zoals het in de bescheiden staat er ''is proces ontresen''. Het geschil handelde tussen háár broer en zuster enerzijds, en Haring en zijn broers anderzijds. Wat zou de oorzaak geweest kunnen zijn van dit
probleem? Waarom waren ze het niet eens? Leek het misschien onredelijk dat
Pytje na zo'n kort huwelijk alles erfde en haar familie daarin deelde? Jelle
was immers niet onbemiddeld. Al in 1749 - vér voor zijn huwelijk met Pytje dus
- wordt hij in de quotisatie kohieren een 'Rijke Grootschipper' ge-noemd. Of
lag er een andere reden aan ten grondslag? Geen idee. Feit is dat haar familie
een inventarislijst maakte, die door de oude Grietman werd gecontroleerd en
goed bevonden. Waar maakten Haring en zijn broers
zich nu helemaal druk om? Dat ga ik je vertellen. Het is terug te vinden in een
acte met daarin een 'Inventarisatie en beschrijvinge van alle de Goederen
Nagelaten door Pytje Blaumus, weduwe van Jelle de Koe te Woudsend, overleden op
den 22 maart 1771, over wiens nalatenschap egter tussen de ervgenamen van haar,
en haar wln man proces is ontresen, hetwelk op den 12 february 1774 door tussenspraak
van de Hoog wel gebooren Heer S.G.J.B. Rengers, old Grietman over
Wymbritseradeel is geaccordeert.' Goed, toegegeven, het is helemaal
niet netjes nieuwsgierig te zijn naar de financiële positie van een ander. Maar
wie zegt dat we netjes zijn. Rondneuzend in de privé-boeken van Jelle en Pytje
komen we tegen: 'De vastigheden (het onroerend goed) zijn publyeq
bij strijkgeld vercogt'. Opbrengst 928-15-8. 'De Imboelen Huisgeraden gemaakt Silver en verdere
Mobilia' worden verkocht. E.e.a. brengt 648-1-00 op. Verder bezat het echtpaar ''Scheepsportien'' in
circa 7 schepen, waaronder 1/16 portie in t'Coffeschip van schipper Freerk
Hendriks, 1/32 van een schip van Age Okkes en zo nog meer; stuk voor stuk voor
honderden guldens. Maar ze hadden ook ''1/8 portie in t Coffeschip door Marten
Harings de Koe (voor Jelle: z'n neef, voor deze stamreeks: voorvader Marten)
als schipper gevoerd, getauxeerd op vijv hondert gulden'' in eigendom. Ze hadden ''obligatien'', ''brieven en
instrumenten'' en ''handschriften'' tesamen voor een paar duizend gulden. Onder
het kopje ''Silver & Goud'' staat 'Het Silver en Goud t geen niet vercogt
is, samen waardig vijvhondert gulden.' En het hoofdstuk ''Gereedpenningen'' -
vertaal het maar als 'los muntgeld' - meldt dat 'De Gereede penningen sampt
(tesamen met) vreemde stukken in drie sogenaamde spaarpotten samen twaalv
hondert guldens' waard waren. Alles bij elkaar opgeteld, werd het vermogen
vastgesteld op 27906-4-0 Carolingische Guldens! Daar bovenop was er al 'Aan de Ervgenamen van
Jelle de Koe betaald volgens Accoord door tussensprake van de Hoog wel geboren
Hr. Old Grietman Rengers een suma van vijv Duisent C:guldens.' Misschien
bedoeld alspleister op de wonden van de
''naaste Bloedvrinden'' van Jelle? De gebroeders de Koe een, alhoewel niet
onaanzienlijk, maar relatief klein geldbedrag, maar tevens de plicht de rest te
delen met de familie van Pytje? De kosten voor de begrafenissen staan er ook bij
vermeld: 'De schulden 's doods Costen samen Renderen vier Hondert &
veertien C: guldens.' En laat me je vertellen dat dát een enorm bedrag is, als
je rekening houdt met de tijd en plaats waarin dit speelde! Tenslotte was er nog geldverlies vanwege demensen aan wie Jelle kennelijk geld geleend
had, maar die vooralsnog niet in staat bleken dit terug te betalen. Alles voor
een totaal van 3562-0-0. Het eindsommetje? De provijtelijke Staat dezes Boedels 27906-4-0 De Schadelijke8976-0-0 ------------- 18930-4-0 Moest nog geïncasseerd worden3562-0-0 ------------- Blijft over22492-4-0 Al met al een zeer behoorlijk bedrag, dat de twee
families moesten delen. En zeker een bedrag dat voor beide partijen de moeite
waard was om zich druk over te maken! Terug nu, naar de dagelijkse
beslommeringen van Haring zelf. In 1779 werd het steeds duidelijker, dat het op
het gebied van de koophandel behoorlijk aan het rommelen was. Een hele rij bij
de zeevaart betrokken Friese heren had een geschrift ondertekend, waarin zij de
regering wezen op de domme beslissingen die er - naar hun mening - waren
genomen.Engeland en Frankrijk waren
weer eens in oorlog met elkaar en Nederland was daar niet direct bij betrokken.
Lees waar ''Zyne Majesteit'' - en dus de regering - mee akkoord was gegaan: 'Men', zeggen de Friese zegslieden 'stelt
dus nu de Scheepen onder de Neederlandsche Vlag vaarende bloot, om ook door de
Oorlogscheepen, Kapers, Commissie Vaarders &c. van de Koning van Vrankryk
aangehouden, gevisiteerd, opgezonden, en weg genomen te worden!'Hun ogen hadden toch de nodige gevaren langs
zien komen. De meest ruige weersomstandigheden hadden ze beleefd. Piraten,
zeerovers en kapers hadden ze het hoofd geboden. Oorlogen hadden ze gezien bij
de vleet. Bleek nu het gevaar van binnenuit te komen! Ging daar nota bene hun
eigen regering er mee akkoord, dat de Fransen ze mochten bestelen en
beschieten. Ze konden niet eens meer terugvallen
op de hulp van Nederlandse konvooischepen. Welnee, ze moesten het zelf maar
uitzoeken. En op financieel gebied hadden ze er ook al aan moeten geloven. Maar
dat ze niet meer vrij de zeeën konden bevaren vonden ze nóg erger dan belasting
betalen, en noemden ze 'zaaken ruim zoo schadelyk, als de belas-tingen door Zyne
Majesteit op de inkomende Vaart en die der Cabotage gelegd.' Het gevolg zou zijn 'dat geene
Kooplieden ergens hunne Waaren off Speculatien zullen durven vertrouwen aan de
Vlag van deeze Staat' en dat ze voortaan blootgesteld zouden zijn aan de
aanvallen 'zoo wel van de Eene, als van de Andere der Oorlogende Mogendheeden.'
Een 'schynschoon genot van Vreede, als off de Republique weezenlyk het ongeluk
hadde, van zelvs in deeze Oorlog te deelen.' Uit deze periode bewaren ze in
Amsterdam de Monster Rolle van een mysterieuspersoon, die wel groter zee had overgevaren. Puzzel even mee en stel je
een man voor in de respectabele leeftijd van zo'n jaartje of 75. Bij gebrek aan
een daartoe bevoegd specialist hebben de paar tanden die hij nog heeft de
houdbaarheids datum ruim overschreden. Klanken willen dan nog wel eens anders
overkomen. Hij noemt z'n naam - beetje verveeld, binnensmonds - tegen alweer
zo'n nieuw broekie. 'Blaaskaak’ denkt hij,’kent me niet eens!' en zijn antwoord
klinkt als ''Henrick Onnes de Koe''. Dat is althans wat broekie verstaat en vervolgens
opschrijft. Zou je daar met goed fatsoen
'henrickonnesdekoe', 'herringkornelesdekoe' uit kunnen halen? Of misschien
zelfs Haring Cornelis de Koe? Of was het een truc van Haring en wilde hij
gewoon zijn naam niet zo duidelijk zeggen? Ik zie hem er toe in staat. Als je
bovendien weet dat zijn in Amsterdam zetelende ''Heer'', of Boekhouder in dit
geval de naam Hylke Jacobs Tromp droeg en dat dát onmiskenbaar duidt op Friese
Zuidwesthoek achtergronden?Zou die
veronderstelling toch best wel eens de juiste kunnen zijn? Werd varen onder Nederlandse vlag -
normaal gesproken toch z'n trots en visitekaartje - hem te gevaarlijk?Nou, de regering kon nog zulke stomme beslissingen
nemen, hém kregen ze niet klein. Haring, die in 1780 weer in Woudsend was gaan
wonen, hanteerde gewoon een truc die hij van Engelse kapers had geleerd: Op 26 augustus 1785 maakte ''Henrich
Onnes de Koe''zich gereed om uit te
varenonder Parijse vlag en op 6
maart 1789 kom je hem met hetzelfde schip - De Wilhelmina - tegen als hij
"op avontuer" gaat onder Paapenburger vlag. Daarmee kregen de
eerder genoemde ondertekenaars van het bezwaarschrift dan toch gelijk in hun
pessimistische veronderstelling, dat de kooplieden zich niet meer onder de
Nederlandse vlag zouden durven vertonen. Nee, zeker weten we het natuurlijk
niet, maar mij zou het niks verbazen als dit verhaal nog klopt ook. Hij lijkt
mij wel een man die met zóveel plezier buitengaats ging, dat ie het liefst in
het harnas wilde sterven. Een man waarop deze bespiegeling van toepassing is: 'Wie heeft er echter nog niet gekend van die oude
Oostzeevaarders, wier hart open en wier tong los raakte, enkel bij het hooren
van de naam Elseneur. Oude knoestige zeerobben, die nog in verrukking kwamen
bij de herinnering aan zoo menige joyeuse entrée in de Oresont, met honderden
schepen tegelijk, die, na ''vertold'' te zijn, gelijk een vlucht witte zwanen
langs 't eiland Hveen door de Drogen streken, om zich verder in de Oostzee te
verspreiden.' (1) Snap je? Zo'n type dus. Het is nu kort voor de
Napoleontische tijd en tussen het Nederlandse volk en de regerende Stadhouder
lijkt alles nog koek en ei. Op 8 maart 1788 - de verjaardag van Prins Willem V
- wordt er dan ook in veel dorpen en steden volop feest gevierd, natuurlijk ook
in de Friese hoofdstad. 'Op de heuchelyke verjaardag van Zyn
Doorluchtigste Hoogheid den heere prinse erfstadhouder is het geschut alhier,
zes maal op de stadswallen gelost, de toorens waren met vlaggen vercierd, en
van de nieuwe toorn hoorde men een fraai musiek en klokkenspel' doet de
Leeuwarder Courant verslag op 12 maart. En 'in den Dorpe St. Anna Parochie'
waren ze flink uit hun dak gegaan en hadden feest gevierd onder het 'gedurig
lossen van kanonties en snaphaanen, als mede het afsteeken van vuurraders en
swermers.' Nou, dan weet je het wel! Wat we verder nog over voorvader
Haring terugvonden, is het laatste bewijs dat hij tot op hoge leeftijd een
handelend mens bleef. Het Proclamatieboek van Hemelumer Oldephaert laat zien
dat hij in 1790 - als niet kapot te krijgen 80-jarige! - nog wat grond koopt
voor de 'zom van negen en dertig Car.gls. van 44 stuijvers ijder te betaalen in
een termijn.' ' Haring Cornelis de Koe woonagtig
te Wouds End b.b. en C.C. op de coop van seekere een Pond= Rietland afgeperkt,
geleegen in den dorpe Elahuijzen en aldaar belast op no. 1 met 11 stuiv. -6
Penn, hebbende de cooper (=Haring) zelve ten Oosten Westen en Noorden en de
verkoper ten Zuijden voorders met zodanige gerechtigheeden als van ouds zijn
aanbehorende.' 1e proclamatie den 25 September 1790, 2e proclamatie den 9e october 1790, 3e proclamatie 13 November 1790. Je mag wel haast aannemen, dat deze
actieve voorvader pas na deze proclamaties - waarbij hij zelf dus al eigenaar
bleek van de stukken land ten oosten, westen en ten noorden van zijn nieuwste
aankoop - het leven liet voor wat het was. En met de aankoop van het zuidelijke
deel, legt Haring zelf het laatste puzzelstukje vanzijn leven neer. > verder naar de vader van Haring
Deze pagina is onderdeel van www.genpage.nl |