![]() |
GenPage.nl |
|||||||
|
Cornelis Foekesz. de Koe (1833-1921) Als je het hebt over betovergrootouders, lijkt het wel of ze uitsluitend oud geweest zijn en nooit kind. En toch isCornelis Foekesz. - in de loop van zijn leven zowel Kees als Knelis genoemd - echt als baby geboren. Zijn moeder Anke Jakobs Faber hoorde z'n eerste kreetjes op 20 januari 1833, 's middags om 3 uur. Sinds Keizer Napoleon hier had geregeerd, bestond de plicht een kind aan te geven bij 'De Burgerlijke Stand' in het bijzijn van twee mannelijke getuigen. Dus toog zijn jonge vader, de 22-jarige Foeke Corneliszoon de Koe, naar de gemeenteambtenaar, samen met zijn vrienden Elias Prins en Willem Willemsz. Pot, beiden schippers uit Woudsend. Dat die vrienden van Foeke schippers waren was niet zo vreemd. De 'Sûdwesthoeke', waarin Woudsend ligt, had in het verleden al veel zeevolk voortgebracht. Maar wat wil je ook, in een plaats gelegen tussen Sloter- en Heegermeer. Beste vissers en prima schippers kwamen er vandaan. Zij vervoerden hun lading via één van de meren en kozen vervolgens de route langs Stavoren of Hindeloopen om daarna op de Zuiderzee af te stevenen, de poort naar verdere oorden. Het eind van het geboortejaar van Cornelis bracht een oudejaarsstorm, die niet de enige storm zou zijn die hij in zijn leven kreeg te trotseren. Toen hij nog maar 8 jaar oud was moest hij zijn vader al missen en alleen met zijn moeder verder. Zij zou nooit hertrouwen maar er werd wel - zo had de wetgever het bedacht - een toeziend voogd over haar en haar kinderen benoemd. Het jaar 1844 kende een verschrikkelijk
strenge winter. Mensen die op pad moesten, bevroren soms onderweg. De twee
daarop volgende jaren zou de aardappeloogst mislukken, waardoor de bevolking
bittere honger leed. Rondom de dorpen waren alleen landweggetjes en paden, die
ontstaan waren door de meest logische routes die mensen keer op keer volgden,
zoals marskramers of bedelaars, landlopers en lieden op zoek naar werk in de
omringende plaatsen. Tot voor kort had je in Nederland nog rekening te houden
met een hier en daar loslopende wolf. Daar kwam in 1845 een definitief einde
aan, toen de laatste in ons landwerd
doodgeschoten. De wegen tussen de grotere plaatsten - die Napoleon door zijn troepen had laten aanleggen ten tijde van Cornelis zijn vader - waren als met een liniaal getrokken. Zo hadden de troepen zich het snelst kunnen verplaatsen. Maar voor Woudsend waren de waterwegen rond het dorp anno 1849 van veel groter belang, want het leven verplaatste zich via vaarten en meren. Vroeger hadden hier heel veel schepen thuisgehoord, en zelfs nu nog telde het dorp 12 zeeschepen. In dat jaar werd in Californië voor het eerst goud ontdekt en ontstond er run op het vinden ervan, die ze de Goldrush noemden. Ook daar waren nog nauwelijks wegen en tienduizenden gelukszoekers trokken daarom van de oost- naar de westkust van Amerika via de zuidelijke waterweg, met medeneming van alle materialen en consumptiegoederen. Ze voeren via Kaap Hoorn en als ze die gevaarlijke punt "gerond" hadden mochten ze zich Kaap Hoornvaarders noemen. Een en ander speelde zich af toen Cornelis als ongeveer 16-jarige werkzaam was als boerenarbeider. Hij vond dat hij het niet erg getroffen had in zijn leven. In de eerste plaats vanwege het vroege overlijden van zijn vader. Maar - zo vertelde hij later over-tuigd - de verplicht gestelde toeziend voogd zou het geld dat er in de familie aanwezig was over de balk hebben gesmeten. Er zou zelfs sprake geweest zijn van Russische aandelen die of ontvreemd waren ('verdonkeremaand' is een ook gehoorde kreet), of plotseling geen waarde meer hadden. Wat daar ook van waar moge zijn: hij had niks om mee te beginnen. Hem restte een gevoel dat hij eigenlijk meer waard was en beter had verdiend. In zijn jeugdig enthousiasme scharrelde
hij eens met de dochter van een scheepsbouwer uit Lemmer. Om indruk
te maken op zijn 'aanstaande schoonvader' leende hij een gouden horloge
met ketting en een paard van de boer waar hij werkte. En zo, hoog te
paard en goud getooid, ging hij om de hand van de dochter vragen. "Het
is kennelijk niks geworden, want een huwelijk met een rijke erfdochter
is er voor Knelis niet geweest", besluit zijn achterkleinzoon Cornelis
Schotanus later dit verhaal droogjes. In 1852 moest hij in dienst - ook al
een uitvinding van Napoleon - en werd 'voor de ligting 1852 ingeschreven
voor de Nationale Militie'. Bij loting kreeg hij nr. 27 en op 1 maart
1853 werd hij ingelijfd. Tenslotte werd hij later "uit hoofde van
expiratie van dienst op den 15e mei 1858 uit de dienst ontslagen."
Veel meer kan ik je over zijn diensttijd vooralsnog niet vertellen.
Wel over de diverse beroepen die Knelis had. Althans, die waar wij van
weten dan:landarbeider, slager, koopman, petroleumverkoper
en aalakervisser. Dat laatst werd al sinds eeuwen gedaan, o.a. vanuit
het niet ver gelegen Workum en Heeg, vanwaar ook intensief handel werd
gedreven met Engeland. Vissers uit de wijde omgeving van Woudsend
namen hun vangst mee in kleine zeilschepen - de ielbûsen -, naar de
meren rond deze plaatsen, waarna ze hun glibberige handelswaar overhevelde
naar een drijvende verzamelplaats, een lêger genaamd. Vandaar uit zorgde
men er vervolgens voor, dat de aal - gratis, door de natuur verstrekt
en dús volksvoedsel nr. 1 - met 'ielaecken' naar Londen werd gebracht.
De vis werd levend vervoerd in beunen en een schip kon ongeveer 7.000
kilo per keer meenemen. In Londen hadden de Heeger vissersschepen zelfs
tot in de dertiger jaren van de 20e eeuw een eigen ligplaats in de Theems.
Buiten de arbeidsplaatsen die deze
tak van bedrijf bood, konden de armste Woudsenders ook nog op een andere
manier aan deze visserij verdienen. In strenge winters hakten ze grote
brokken ijs van 1 bij 1 meter uit sloten en meren, die ze mee naar huis
sleepten om te bewaren. In een krant uit 1961 trof ik een stukje
aan over de IJsvereniging Woudsend die dan 100 jaar bestaat. Opgericht
in 1861 dus, de Knelis jaren. Om dit te vieren was inspiratie gezocht
in de archieven. 'Men kan nauwelijks een glimlach onderdrukken wanneer
men in die oude boeken omsnuffelt' vindt de schrijver. 'Al die kasbescheiden
vormen een weerspiegeling der algemene armoede die er heerste in die
dagen. Men was toen blijder met een rooie cent, dan nu met een gulden.
Baanvegerssjouwden de hele dag met een grote bezem voor
40 cent. Nachtwakers, die een hele koude nacht op het ijs moesten passen
(waarvoor is ons echt niet duidelijk), verdienden 70 centen en
een flinke rheumatiek kregen ze op de koop toe', zo meldt de verslaggever
verder. Gooi nu voor de aardigheid de beide
laatste alinea's eens door elkaar en denk even door, over dat 'waarvoor
is ons echt niet duidelijk'. Zou die ijsvereniging het niet leuk vinden
als er een paar armoedzaaiers grote brokken ijs uit hun keurig geprepareerde
ijsbaan zaagden? Baanvegers kosten toch ook een paar centen en die zouden
dan voor niks aan het werkgeweest
zijn. En wanneer je alleen bij strenge vorst je taak kunt uitoefenen,
zoals genoemd bestuur, wil je wel goed beslagen ten ijs komen, want
als ijsvereniging kan je je niet permitteren door het ijs te gaan. Schaatsen was voor iedere rang en stand,
voor katholiek en protestant. Ik kan niet nalaten je kennis te laten
maken met de 19e eeuwse Pastoor Westers. Hij werd beschreven door dhr.
Aukes, schrijver van Woudsender wetenswaardigheden uit rooms-katholieke
hoek: Als kapelaan reed hij (pastoor Westers dus) in 3 uren over ijs van Harlingen naar Heerenveen. Eens reed hij twee hardrijders achterop, die op weg waren naar een wedstrijd. Het kwam hun eergevoel te na, dat zij door een priester werden gepasseerd. Zij zetten er de vaart in, maar pastoor bleef hun de baas. Met lange forse streken reed hij door en riep de verblufte mannen toe: "Ik sil wol sizze, dat jimme der oan komme"! (18) In 1863 werd - als paradepaard van
de nieuwe tijd - in Londen de eerste metro in gebruik genomen, wat 'toen'
opeens heel dichtbij 'nu' lijkt te brengen. Maar dat er aan 'modern'
zo hier en daar nog wat haperde, mag blijken uit het feit dat er nog
mensen waren die in de overtuiging leefden dat negers geen christenen
waren; dús moesten het welheidenen zijn; dus waren het geen echte mensen;
dus mocht je naar eigen inzicht misbruik van ze maken. Zo zijn er heel
wat Nederlanders die dik aan de slavenhandel hebben verdiend. Het was trouwens onze eigen Koning
Willem III die in deze jaren nog wat aardige meubeltjes zocht om de
lange kale gangen van zijn lievelingspaleis Het Loo wat 'op te fleuren'
. Hij koos daarvoor uiteindelijk ''rijk gesneden buffetkasten met vooruitspringende
geknielde en geketende negerslaven, in ebbenhout''. (Bron: Telegraaf,expositie Wonen in Weelde 17-09-2003 Paul Rem). Op 1 juli 1863 was men in Nederland eindelijk zover, dat de slavernij werd afgeschaft. In 1865 volgde - mede dankzij de inspanningen vanpresident Abraham Lincoln - ook Amerika. Er gaat overigens een verhaal dat Knelis
daar een poosje naar toe zou zijn geweest om geld te verdienen. Zo kon
hij - als oudste zoon - alle schulden vereffenen, die mede dankzij die
foute voogd zouden zijn ontstaan. Bevestiging hiervoor heb ik niet gevonden.
Ik kwam wel zijn broers Jacob en Foeke Cornelis de Koe tegen, die korte
tijd later - op 12 mei 1869-
naar 'America' zijn vertrokken. Ben benieuwd wat er van ze is geworden! Als Cornelis al in Amerika is geweest,
moet dat vóór 1864 geweest zijn. Want van dat jaar weten we dat hij
31 jaar is en op De Dijk in Woudsend woont. Hij trouwt er met Grietje
de Boer en in mei het jaar daarop brengt zij hun eerste kind ter wereld.
Dochter Grietje zou pas in 1870 gevolgd worden door hun zoon 'Lytse'
Foeke. Wist je dat in het geboortejaar van
Foeke (1870 dus) de petroleum lamp werd uitgevonden? Op het laatst van
de brandtijd hingen ze die scheef, om ook de laatste druppel olie er
uit te 'wringen'. Tot dan hadden arme mensen het – met een beetje geluk
- moeten doen met walvisolie, maar vaker nog werd er gedroogde koeienpoep
als brandstof gebruikt. Het is interessant je te realiseren, dat wat
er vandaag is, niet altijd al was. De woonomstandigheden waren belabberd
en artsen drongen er op aan om woningen te verbeteren. Ze vonden op
kleine schaal gehoor, voornamelijk omdat het bij werkgevers begon door
te dringen dat er een verband kon bestaan tussen een slechte woonsituatie
en de gezondheid van hun werknemers. En gezonde arbeiders leveren betere
prestaties, nietwaar? Naast de vaak zware arbeidsomstandigheden werkte
het voedselaanbod ook niet erg mee aan een gezond leven. Het gewone
volk at aardappels met een scheutje azijn of een beetje mosterd en dat
was het dan wel. Ene Vincent van Gogh heeft daar nog een schilderij
van gemaakt. Titel: De Aardappeleters. Kortom, het leven was sober, de kansen
klein en het risico ziek te worden groot. In Woudsend hebben ze daar
ook behoorlijk weet van gehad, zoals tijdens de pokken epidemie, die
er heerste van half augustus 1864 tot einde februari 1865. Maanden leefden
ze met angst en verdriet, omdat er altijd wel iemand in hun omgeving
besmet was geraakt. Het kwam voor, dat er hele straten onbewoond raakten
en groen zagen van het gras, omdat niemand zich er meer durfde te vertonen.
Daar waar het beter ging lieten ze er géén gras over groeien. Er waren weinig communicatie mogelijkheden en waarschuwingen aangaande uitgebroken epidemieën kwamen vaak te laat. Als de overheid toch iets aan het volk wilde melden, hing men op openbare plaatsen een plakkaat op. Het gemeentehuis was daar een goeie plek voor of - bij gebrek daaraan - een boom. Men verdrong zich dan rondom het nieuws en wie niet lezen kon- wat nog al eens voor kwam - stond met z'n gok vooraan. Dan hoorde je vanzelf wel wat de boodschap was! In 1866 heerste er een cholera-epidemie
in Nederland, die het ophangen van een dergelijke boodschap van hogerhand
in Woudsend meer dan rechtvaardigde. Het bevatte tips wát te doen tegen
het dreigende besmettingsgevaar. "MEDEBURGERS" stond er boven
het epistel te lezen, gevolgd door de adviezen: "Uwe privaten moet
Ge dagelijks met schoon water flink afboenen en spoelen. De vloeren
Uwer woning moet Ge daarentegen niet schrobben met water, maar droog
reinigen" en: "Eet geen onrijpe vruchten. Zijn de vruchten
rijp, dan kunt ge die eten, als Ge matig zijt en de vruchten vooraf
zorgvuldig wascht met zuiver water." Nog zo'n handig advies: "Leeft
rustig en blijmoedig, en spaart Uwe krachten" en verklein het risico
van besmetting door "eene teug water te nemen, waarin Gij eenige
druppels verdund zoutzuur hebt opgelost, 4 tot 5 druppels in een bierglas
vol water." Gaat het toch mis, "laat U dan warm toedekken,
met kruiken heet water of zakken heet zand op die deelen van Uw lichaam
waarin Ge krampen gevoelt, of welke zeer koud zijn. Laat die deelen
ook krachtig wrijven met campher-spiritus en laat de doctor halen."
Leef je in plaats daarvan eens in, in de geschetste situatie: Loop je fluitend over straat, leest zo’n mede-deling en voor je het weet heb je al die narigheid op je dak! Angstig kijk je om je heen omdat je zo'n beetje door iedereen besmet kan raken. Plotseling dringt het tot je door dat de baby gisteren wat buikpijn had. En was je vrouw vanmorgen niet misselijk? "Mijn God" denkt Cornelis als gewone jongen dan, "laat ze alsjeblieft de kolere niet in hebben." Want dát was geen lolletje hoor, die cholera. Gelukkig bood het pamflet ook troost. Had je alle adviezen opgevolgd en al het mogelijke gedaan voor jou en de jouwen, dan mocht je "zonder zelfverwijt afwachten wat God over U heeft beschikt." Veel later zou blijken dat dit de
laatste grote cholera epidemie in Nederland was en in veel steden de zwaarste
van de negentiende eeuw. Langzaam begon hier en daar het besef door te dringen
dat de oorzaak gezocht moest worden in besmetting via de waterpompen en
toiletten, waar - zeker in volks 'buurtjes' - gezamenlijk gebruik van het water
werd gemaakt. De discussie die op deze veronderstellingen volgde, zou in een
later stadium leiden tot de aanleg van waterleiding. En Knelis? Die heeft ze misschien nog met eigen ogen gezien, de mensen die de ziekte in hadden. Of die angstig bedachten dat ze in de buurt hadden gestaan van iemand met een hoestbui. En dat was nu juist dé manier waarop tuberculose zich verspreidde. Had je de pech daarmee besmet te raken, teerde je uit en hadden ze nog gelijk ook als ze zeiden dat je de tering in had. Wat zullen ze gebeden hebben voor het wonder van hun gezondheid. Genoeg narigheid nu. Om alle ellende
even van je af te schudden, neem ik je mee naar een nogal bijzonder
krantenstukje dat handelt over hele andere zaken. ''In Istanbul wemelt het van de ongesluierde elegante
vrouwen, die er lol in hebben rond te rijden in cabrioletjes, terwijl
ze ter plekke gefabriceerde roze sigaretjes zitten te paffen. Daar zijn
hun stoere mannen helemaal niet blij mee!'' Echt waar! Het staat tenslotte
in de krant, in de toen trant: ''De straten van Konstantinopel wemelen van
elegante equipages, waarin de bekoorlijkste odalisken zitten, die, iets
ongehoords, met het aangezigt ongedekt hare rose sigarette van Stamboul
rooken.'' En na melding van nog enkele vrijpostigheden schrijft men:
''Thans zijn het de Turksche Othello's die niet tevreden zijn.'' Nooit
gedacht nieuws, Leeuwarder Courant, 21 november 1869. Fronsen automatisch
je wenkbrauwen van. Waaraan Grietje, de eerste vrouw van Cornelis sterft in het voorjaar van 1872 is niet duidelijk. Zij laat hem 3 kinderen na. Cornelis is blijkbaar geen man die lang bij de pakken neerzit. In augustus van datzelfde jaar heeft hij zich een nieuwe vrouw gevonden in Pietertje Ypenga. Een jaar later begroeten zij hun zoon Hidde - ons beter bekend als 'Pake Hidde' - die zou worden gevolgd door nog 3 kinderen, waarvan er twee - Atje en Anke - bleven leven. Op 30 januari 1877 raast er een vliegende
storm over Friesland terwijl op de Fluessen de volbeladen stoomboot
de Willem III vaart. Het schip vergaat en 14 mensen vinden de dood.
Het blijkt een voorbode van de volgende storm in zijn leven, want het
einde van 1880 brengt nieuw verdriet als Pietertje na de geboorte van
hun zoontje Murk sterft. Het jongetje zou 3 maanden later zijn moeder
in het graf volgen. Kort daarop, in 1881, trouwt Cornelis met Foekje
Huistra, die in juni 1888 - naar ik vermoed - in het kraambed, overlijdt.
Hoe dat ging vroeger? Dat weet ik niet
precies. Hoe Knelis in mekaar zat? Dat weten we een beetje uit de overleveringen
én het zal je verbazen. Een gelovige en Bijbelvaste man wordt hij genoemd.
Maar ook een hele boze. Zo boos, dat hij in zijn Bijbel de woorden 'God
is Liefde' doorkraste, omdat de vrouwen die hij liefhad hem elke keer
werden Zes weken nadat Foekje gestorven is
trouwt Knelis met Trijntje van der Eems, die toen al moeder was van
de 16-jarige Sijbren van der Eems. De negentiende eeuw - waarin Cornelis
voor het grootste deel leefde - was economisch gezien bepaald niet de
meest succesvolle die Nederland ooit heeft gekend. Toch vonden er ook
veranderingen ten goede plaats. Soms moest daar flink over gesoebat
worden, maar dat was dan maar zo. De Woudsender bevolking wilde natuurlijk
wél mee in de vaart der volkeren. "Nu in dezen tijd spoorwegen en stoomvaarten
de wereld doorkruisen en langs deze met een vroeger ongekende vlugheid
en regelmatigheid personen en goederen heinde en verre worden vervoerd;
- nu de Telegraafdraad duizende malen sneller de berigten overbrengt,
dan de beste Postdienst in staat is te doen; - nu is al die vlugheid
van beweging, al die besparing van tijd, behoefte geworden voor hem,
die er gebruik van kan maken." Welnu, beste Raad der Gemeente,
Woudsend heeft dit alles nog niet en ''ongelukkig zijn daarom in dit opzigt die
plaatsen, welke van die versnelde gemeenschapsmiddelen verstoken zijn. 't Is
daarom dan ook dat ondergetekenden reeds lang het groote belang hebben ingezien
om Woudsend met het Telegraafnet in verbinding te brengen. Op een
eerbiedwaardige wijze kan dit thans geschieden door den Telephoon, als
verlengstuk van den Telegraaf.'' Wat er verder in de brief staat, zouden we nu zo omschrijven: ''Jullie hebben hier vast wel ergens een potje voor, maar als we mee moeten betalen horen we het wel.'' Op 17 april 1882 klinkt echter: ''MochtUwe Vergadering echter bezwaar maken de daarstelling op kosten der Gemeente te doen plaats hebben, wat ze echter niet vermoeden met 't oog op de menigvuldige gemeentewegen, dan verzoeken Ondergetekenden, van Uwedele Heren te mogen vernemen, op welke voorwaarden zulks kan geschieden, voor welke Som ondergeteekenden zullen moeten instaan, of welk gedeelte der kosten de Gemeente op zich wenscht te nemen.'' Een zware delegatie van 12 heren ondertekent het verzoek. En niet tevergeefs, want het is er tenslotte allemaal gekomen! In 1903 bereikte Cornelis de 70-jarige leeftijd in hetzelfde jaar dat zijn jongste dochter Cornelia 7 jaar werd."Ik ben even oud als mijn vader'' zei ze bij die gelegenheid, ''want wij schelen maar een nulletje. En nul is helemaal niks!" Alhoewel hij op respectabele leeftijd nog kinderen kreeg, hadden zij nooit het gevoel dat hij een oude vader was. Knelis heeft- dat had je al begrepen - van alles gedaan
om aan de kost te komen, maar het meest werkte hij toch bij de boer.
Toen hij op zeker moment op het land onwel was geworden, werd duidelijk
dat dát werk te veel van hem vergde. Hij treurde er niet om en
bedacht z'n volgende job. Hij scharrelde een oud karretje op, zette
daar een olievat op en was vanaf dat moment petroleumverkoper, of beter
gezegd 'pieterolieboer'. Vaak zag je Knelis daarna op de Eewal staan
om te kijken of er in de verte misschien schepen aankwamen waar hij
zijn olie aan kon slijten. Dat handeltje is later nog overgenomen door
zijn oudste zoon Foeke. 'Foeke van de automaat' zeiden ze tegen hem,
omdat de olieton met het kraantje d'r aan trots zo werd genoemd. Het was nog niet zover, Knelis liep
nog met dat oliekarretje en maakte daar geen probleem van. Bovendien: aan
zeuren had je niks; er moesten monden gevoed worden. Hij ging daar op de best
mogelijke manier mee om en vertikte het z'n trots en zijn humor te verliezen.
De ene mens had nu eenmaal de pech arm te zijn (geworden?) en de ander had meer
geluk gehad. Nou en? Daar was ie nog niet minder om? Cornelis-Knelis-Kees werd
daar juist een beetje recalcitrant van! Een heerlijk voorbeeld daarvan vind ik dit voorval. Er woonden in Woudsend twee oude vrijsters, de dames Okma, dochters van een welgestelde boer. Zij hoorden van het bovenstaande verhaal en toen ze Knelis eens tegenkwamen, zeiden ze meewarig, maar meelevend "Wat is het wat, niet Knelis? Dat je op je oude dag nog olie venten moet!" Maar Knelis - die nooit om een antwoord verlegen zat - pareerde onverschrokken: "Dat ligt maar aan jullie dames! Als wij "de lapen gear smite kinne" (als wij nu eens zouden trouwen), dan reed ik mijn karretje op slag hier de plomp in!" Nee, rijk waren Knelis en zijn laatste vrouw Trijntje niet. Al is er wel een foto, waarop Trijntje met kap en kantversiersels staat. Denk zomaar dat ze die geërfd heeft en er heel erg zuinig op was! Als Knelis haar niet getrouwd had, zouden die dames Okma weliswaar een onmogelijke, maar financieel zeer aantrekkelijke partij geweest zijn. Zij waren zelfs zo rijk geboren, datze niets beters te doen hadden dan wat wandelen. Toen Knelis eens achter ze aankuierde, liet hij per ongeluk een harde scheet, waarop de dames geshockeerd omkeken. "Schaam je maar niet hoor dames", zei Knelis toen, "dat overkomt mij ook wel eens!" Prachtige verhalen over Knelis, die werden opgetekend door zijn kleinzoon Cornelis Schotanus. In Woudsender Verhalen Van Vroeger,
vertelt Klaas Knobbe dat als mensen 25 jaar getrouwd waren er geen zaalhuur
betaald kon worden. "Men hield het feest thuis. De kast, de kachel, de
turfbak en een tafeltje voor de kamerplant, veel meer bezat men niet, werden in
een hok opgeborgen en het feest kon beginnen. De vrouw had meestal van tevoren
gespaard om wat rozijnen en een of twee kruikjes brandewijn te kopen, om
hiervan Boerenjongens te maken en wanneer er dan ook nog iemand van de buurt
was die accordeon of harmonica kon spelen, verhoogde dat de feestvreugde."
Tot zover Knelis. Een mens waar je
zelfs nu nog om moet glimlachen. Maar vooral een man, die - ondanks alle
tegenslag die hij kende - zijn humor behield en een feest wist te maken van zijn
leven. > verder naar de vader van Cornelis
Deze pagina is onderdeel van www.genpage.nl |