![]() |
GenPage.nl |
|||||||
|
Hidde Cornelisz. de
Koe (1873-1968)
Over voorvader HIDDE de Koe heb ik het al gehad. Je weet wel, die met de druiphoed bij die begrafenis. Hij bereikte een zeer respectabele leeftijd; daarom zijn er over hem nog belevenissen te vertellen, die werden opgetekend uit de mond van mensen die hem persoonlijk hebben gekend. Maar laat ik beginnen bij het begin. Zijn leven begon in augustus 1873 in het huisje van zijn vader Cornelis, dat aan De Dijk stond in Woudsend. Daar woonde Knelis met zijn nieuwe vrouw Pietertje, die naast de zorg voor haar kersverse echtgenoot, ook die voor de kinderen van diens eerste vrouw op zich had genomen. En Hidde, haar eersteling, werd vernoemd naar haar vader Hidde Ypenga. Om maar met de deur in huis te vallen: Ook Hidde werd niet geboren met een gouden lepel in de mond. Verwarming was er nauwelijks en ze moesten het - om maar wat te noemen - stellen zonder elektriciteit en stromend water. Als er ergens genoeg van was, dan was het van kou, honger en armoede. Maar vergis je niet, humor hadden ze wél en ze koesterden hun geluksmomenten. Die waren nog gratis ook! Gewone mensen waren het, van vlees en bloed. Ik zal je een voorbeeld geven uit hun dagelijks leven. Als ze hun behoefte moesten doen - gewone mensen zei ik toch al? -, gingen ze naar buiten waar het hûske stond. Daar namen ze plaats op een plank met een gat d'r in waaronder een ton stond. Als dat hûske boven het water was, had je geen ton nodig; dan plonsde alles rechtstreeks de sloot in. Behalve bij vrieskou natuurlijk, want dan bevroor het gedeponeerde óók.
Die periode lijkt eeuwen geleden, maar het zal rond 1964 geweest zijn, dat we in het bromnozem tijdperk op een rood-met-gouden Batavus Whippet, de tocht van Amsterdam naar Friesland maakten. Nog steeds had Hidde ('Pake Hidde' toen inmiddels) een plee achter z'n huisje in de Midstrjitte van Woudsend. Ik heb het nooit met eigen ogen gezien, maar die tonnen werden twee keer per week met een kar opgehaald en geleegd. Dat moet haast wel een kleurige en geurige verschijning geweest zijn. In sommige plaatsen werd hij dan ook schertsend de Boldootwagen genoemd, de naam van een toen veel gebruikt reukwatertje. Toiletpapier, zoiets waarvan je denkt dat het er áltijd is geweest, bestaat pas sinds ongeveer 1945. Vóór die tijd - en uit zuinigheidsoverwegingen ook nog ver erna - was het begrip 'recycling' al volop in gebruik. In stukken gescheurde oude kranten waren ideaal, net als folders, opengescheurde enveloppen of zakjes van de vleeswaren. Alhoewel die laatste optie - voor het móóie - toch van een te gladde structuur was. Sorry, even afgedwaald. Voorlopig was
Hidde pas geboren en daar pakken we de draad weer op. Achteraf denken
we dat het door voedselgebrek gekomen is dat hij een klein kereltje
was en ook zou blijven. 'Lytse' Hidde werd hij dan ook meestal genoemd,
'kleine' Hidde. Over z'n kindertijd vertelde hij later zelf, dat ze
vaak naar bed werden gestuurd zonder voedsel, maar met een stuk rauwe
raap om op te kouwen. Daar was geendoorkomen aan natuurlijk, maar zo léék het tenminste of ze iets
hadden gegeten. Het woord 'verantwoord' stond nog niet als vanzelfsprekend
voor 'voedsel'. Met alleen het laatste was je al de koning te rijk.
Als je tegen z'n Mem Pietertje gezegd zou hebben dat er ooit papieren luiers zouden bestaan, zou ze vreemd hebben opgekeken. Zij kookte de stoffen luiers gewoon in een teil op het vuur. Want - zo had ze geleerd van d'r moeder -: als het water, helder en rein, zo moet de was van de huisvrouw zijn. Nog niet eens makkelijk, want zeep was duur en bezat dus niet. Vervolgens droogde ze alles op het bleekveld en klaar was ze. Voor mensen met een zwak gestel was het een barre tijd. Vooral vrouwen hadden het vaak zwaar te verduren. Hun lichaam verzwakte door de bevallingen en het ontbrak ze aan de juiste voeding om te herstellen. Bovendien lag het peil van de hygiëne anders dan vandaag. Niet door onwil, maar door onwetendheid. Toch al verzwakt, kregen infecties en ziektes dan al snel een kans. Zo moet het ook gegaan zijn met Hidde’s moeder. Nog maar 7 jaar was Hidde toen zijn Mem in november 1880 stierf. En ze waren nog wel zo blij geweest toen een week geleden z'n broertje Murk was geboren. Tot overmaat van ramp stierf dat ventje ook nog, toen het nog maar 3 maanden oud was. Wat zal die kleine Hidde een verdriet hebben gehad, want hij was een teerhartig jongske. De lagere school gaf wat afleiding. Hij kwam er graag en was leergierig. Vol overgave zoog hij de verhalen op over schooiers en schepen, over prinsen en piraten. En als Meester vertelde over roemruchte zeeslagen, luisterde Hidde ademloos. Zijn favoriete vak was de vaderlandse geschiedenis. Hidde wist er zoveel van, dat hij de bijnaam "Hidde de Ruijter" kreeg, naar zijn grootste zeeheld: Michiel Adriaansz. de Ruijter. Hij smulde van de verhalen die over hem werden verteld en wist dat Michiel een gewoon jongetje was geweest, dat een hoop kattenkwaad uithaalde. Maar ook dat hij een slimme man werd, die - om piraten pootje te lichten - het dek van de onder zijn gezag staande schepen in liet smeren met boter, waardoor de rovers genadeloos onderuit gingen. In een blauw geruite kiel, stond Michieltje aan het wiel, de ga-ha-ha-ha-hansche dag. Ha, dat was nog eens een kerel! Lang heeft de schoolperiode niet geduurd. Nog een geluk dat in 1874 het 'kinderwetje van Van Houten' door de regering was aangenomen, waarin kinderarbeid ónder de 10 jaar strafbaar werd gesteld. Kon hij in ieder geval tot die leeftijd de lessen volgen. Want al was je nog zo knap of braaf, een arbeiderskind ging niet lang naar school. Om je bij de les te houden hadden leraren hun eigen specialiteit: je oor werd uit de plooi gedraaid of je kreeg een zwiep met het 'Spaanse riet' en geloof me, dat wilde wel aankomen! Als jongen stond hij regelmatig te
kijken als bij de smid de vuren hoog werden opgestookt en hij het geluid
van de hamer op het aambeeld hoorde. Het was zijn grote droom ooit smid
te worden. Maar een opleiding daarvoor kon Knelis - z'n Heit - niet
betalen en hij kon nu eenmaal geen ijzer met handen breken. Zo gebeurde
het dat Hidde als 10-jarig jochie boerenarbeider werd. Allerhande handen
waren welkom bij de boer en vooral tijdens de hooitijd heerste
er een drukte van belang. Vier uur 's morgens moesten eerst de paarden
uit het land gehaald worden. En de knecht kreeg dan een beschimmeld
stuk roggebrood om de beesten te lokken. Op een dag zag een boer dat
zijn knecht een paard misgreep en hij kreunde 'Och heden, de dei is
al wei!' (Deze dag is nu al naar de knoppen!).Dit vrolijke type werd beschreven door ervaringsdeskundige Klaas
Knobbe. (7) In de Leeuwarder Courant (4 mei 1887)
verschijnt het bericht dat het dragen van de 'Friesche kleederdracht
nog zeer in zwang' is. Bij mannen is alleen 'de hooge zijnden windpet
het eenige overgeblevene.' Vrouwen dragen 'hare oorijzers, zwarte rokken,
lange paarsche jakken en een streng koralen in plaats van een kraagje.
Bij sommigen is dit gouden hoofddeksel met prachtige kant overtrokken.'
Nou, dat zal dan wel de kledij zijn waarin Hidde de boer en boerin regelmatig
zag, maar hij zal zijn ouders zelden zo gezien hebben. Kwamen ze bij
slecht weer - na een dag hard werken - doorweekt thuis, gingen de kleren
uit, die dan op een houten rekje voor de kachel werden gehangen. Vervolgens
zaten ze die dan in hun bibberende blootje droog te kijken, want andere
kleding hadden ze gewoon niet! Die officiële klederdracht zou ook geen outfit zijn waarmee een boerenknecht of meid de hooitijd door zou komen. Ze zouden je al aan zien komen. Het normale kloffie was beter berekend op hard werken. Maar ook aan deze zware klus kwam een eind. En als dan de laatste rit van dat jaar met de hooiwagen achter de rug was, keek iedereen, van boer tot knecht - opgelucht en blij. Van de boerin kreeg je het feestelijke heamiel (hooimaal) en de goedgehumeurde boer liet soms de fles rijkelijk rond gaan, waardoor het een vrolijke boel werd. (7) Hidde is tussen de bedrijven door ook
nog in dienst geweest. Al in het begin van de 19de eeuw had Keizer Napoleon
Bonaparte bepaald dat jonge mannen verplicht hun land moesten dienen.
De Nationale Militie werd dat genoemd. Die plicht zou blijven tot de
negentiger jaren van de 20e eeuw. Had je mazzel kon je uitgeloot worden,
maar zo zou het bij Hidde niet gaan. Die kreeg een oproep voor de lichting
van 1893 no. 4 en werd ingelijfd op 6 maart van datzelfde jaar. Scherpschutter was ie én een trotse
ook. Dankzij die specialiteit kreeg hij een dubbeltje meer soldij dan
de gewone Jan Soldaat en dat was niet niks! Om zich te handhaven tussen
zijn dienstmakkers prentte Lytse Hidde zichzelf in: 'Ik mag dan wel
van het platteland komen, maar denk nu maar niet dat ze mij klein krijgen.
Dat bén ik toevallig al!' Het bevolkingsregister laat zien dat
Hidde na zijn diensttijd de boerenarbeid weer oppakte, want op 12-05-1895 gaat
hij naar Ypecolsga, op 12-05-1896 naar Langweer, op 15-07-1898 naar Sloten en
op 12-05-1899 naar de Indijk. Waarom je de 12de van een maand zo vaak terugziet
als aanvangsdatum kon je al lezen in het verhaal over Hessel. Maar 12 mei was voor iedereen speciaal.
'Alde Maaie' wordt die dag ook genoemd. Het was dan van oudsher topdrukte op de
Friese wegen, omdat pachtboeren dan vertrokken naar de door hen gehuurde
boerderijen. Vaak liepen ze met de handkar, waarop ze dan wat huisraad hadden
gestapeld en vastgesjord. En landarbeiders zag je - hun boeltje op de nek - in
files lopen, op weg naar de diverse boerenplaatsen om het seizoen aan te
vangen. In Nederland was op 6 september 1898
inmiddels een knap 18-jarig meisje met hermelijnen mantel Koningin geworden.
Haar naam: Wilhelmina. Het moet een prachtige gebeurtenis geweest zijn,
vooral dankzij de 'natuurlijke wijze waarop de koningin onder den breeden
mantel den arm ophief ten hemel. Er heerschte een algemeende ontroering;
men zag zakdoeken tevoorschijn komen, ook bij mannen met vergrijsde
haren.' De Amsterdamse bevolking verraste haar bij die
gelegenheid met de door de Gebroeders Spijker gebouwde Gouden Koets. Pas toen
zij in 1901 met Prins Hendrik trouwde zou ze hem voor het eerst gebruiken,
waarmee een traditie was geboren. De inhuldiging in Amsterdam vond plaats in de
Nieuwe Kerk op de Dam, op een moment dat Hidde nog onwetend was van het feit
dat hij daar vele jaren later ook zou staan, toen zijn zoon Hessel in dezelfde
kerk in het huwelijk trad. Van onze voorouders heb je het idee
dat ze altijd in hun dorp of er in de buurt werkten, maar niets is minder
waar. Toen Hidde een jongeman was, ging hij vanuit Friesland vaak naar
Duitsland om er in de melkstallen van Duitse boeren te werken. Als de
verdiensten ergens hoger lagen, ging je gewoon. Hij zal die seizoensarbeid
heel wat keren hebben meegemaakt. Maar het was toch in z'n geboortedorp,
dat hij z'n vrouw tegenkwam: Durkje Hesselsdr. de Jong. Hij trouwde
haar in 1901 en binnen een paar jaar bestond hun gezin uit 5 personen,
waarvan Pietertje de eerste was, gevolgd door Hessel, waarna tweede
dochter Anne het levenslicht zag. De kinderen waren nog klein toen Hidde
soms zijn hele gezin mee naar Duitsland nam, maar dat vertelde ik al
eerder. Later liet hij ze thuis en reisde er samen met z'n zwager Jabik heen. Hidde was een rustig type, maar z'n zwager had haar op de tanden en was voor de duvel niet bang. Het schijnt zelfs voorgekomen te zijn dat ze daar zo'n heftige ruzie met iemand kregen, dat Jabik de man z'n oor er af sloeg. Toen zijn ze hem voor de zekerheid toch maar gesmeerd vanuit Duitsland. Als je de man nog gekend hebt, sta je er niet altijd bij stil, maar in zíjn tijd werd de auto uitgevonden (1883), die in 1896 in Nederland werd geïntroduceerd. Dit driewielig vehikel met een 5 pk gasmotor bereikte de verpletterende snelheid van 20 kilometer per uur. Het jaar 1889 bracht de 'bewegende film' en in 1893 kwam kippengaas voor het eerst op de markt. In 1897 had nog maar 1 op de 140 Nederlanders een fiets, waaronder - op proef - een aantal rijksveldwachters. En Wilhelmina, die in 1898 gekroond was, zou in mijngeboortejaar - 1947 - nog steeds Koningin zijn. Zij kreeg dan wel een Gouden Koets, gouden tijden waren het allerminst. Steeds meer machines deden mensenwerk, wat tot grote werkeloosheid leidde. De trein nam veel werk over van de schippers, die daar op hun beurt weer van baalden. Zij hadden toch altijd het vrachtverkeer via de waterwegen goed verzorgd? Op 2 november 1901 kopte het Nieuwsblad van Friesland: 'In 't Noordoosten der Provincie staat de mond der beurt- en vrachtschippers niet van klagen stil.' Maar de vernieuwingen waren onomkeerbaar en had je niks, zorgde je dat je hier of daar wat bij verdiende. Hidde deed dat door bij te klussen als drager bij begrafenissen. 'De overledene werd vanuit Woudsend naar de begraafplaats in Ypecolsga vervoerd door een rouwkoets met een zwart paard er voor. Daar aangekomen werd de ouderwetse zwarte doodskist van zes planken verder gedragen door arbeiders van diverse pluimage. Samen met W. Kingma en Grote Jelle, behoorde Lytse Hidde tot de vaste dragers, waarvan er één een hoge hoed op had die zo oud en verschierd was dat het wel leek of de kat er jongen in had gekregen' schrijft Klaas Knobbe. (Dat zal toch niet de hoed van Hidde geweest zijn, die een duik in de prutsloot had gemaakt?) Daarnaast had Hidde nog een extra taak: hij was klokkenluider. Sinds 1979 staat er op die begraafplaats van Ypecolsga een nieuwe klokkenstoel, maar op diezelfde plek moet er al eeuwen één gestaan hebben. De klok stamt uit de 14e eeuw en heeft zelfs de tweede wereldoorlog overleefd dankzij z'n ouderdom. Puur geluk overigens, want honderden klokken - ook uit kerken - werden in oorlogstijd naar Duitsland gebracht, om omgesmolten te worden tot wapens of ander tuig.(7) Nieuw was het luiden van die klok op de begraafplaats overigens niet. 'Lawaai maken' was sinds jaar en dag - net als vuurwerk - een probaat middel om boze geesten te verjagen. Die ondingen loerden namelijk op de ziel van de overledenen. Vandaar! Er wordt gezegd dat, als je Lytse Hidde zag, die met zoveel overgave en de tong half uit de mond zich wezenloos stond te luiden, je wel moest geloven dat er geen boze geest meer in de buurt durfde komen! (7) Inkomsten er bij sprokkelen en zuinig
zijn, zo lukte het Hidde het hoofd boven water te houden met zijn opgroeiende
gezin. Als hij vleeswaren voor Durkje moest halen, verzocht hij de slager
om de papiertjes en het kartonnetje achterwege te laten, want dat woog
maar mee. Zou hij me daar duur vlees betalen en er karton voor krijgen,
nou, mooi niet! Durkje deed op haar eigen manier haar best en breide,
stopte en verstelde alle kleding net zo lang, tot er geen draad meer
van over was, de kinderen het ouderlijk huis verlaten hadden en ze samen
oud geworden waren. In het al eerder genoemde en
geroemde boekje Woudsender Verhalen van vroeger, komt een verhaal voor over de
'Ouden van dagen tocht', dat ik bijna integraal - al is het dan hier en daar in
mijn eigen woorden -overneem. Het gaat
namelijk o.a. over de inmiddels bejaarde Pake Hidde en Beppe Durkje. Omdat er vroeger niet veel gelegenheid was voor een
uitstapje, werd er op initiatief van enkele burgers een comité opgericht
voor de zogenaamde ouden van dagen tocht. Vooraf werd een collecte gehouden
om de kosten te dekken en particulieren stelden hun auto inclusief chauffeur
beschikbaar. Zo had de kaashandelaar een wat vreemde auto die recht
omhoog was en veel op een 'huodsjedoaze' (een hoedendoos) leek, en waren
er auto's die vooraf en zelfs onderweg met een kan water - voor koeling
- bijgevuld moesten worden. De langverwachte dag brak aan en de
ouden van dagen stonden in hun zondagse plunje klaar bij de oude Waag,
terwijl de leden van de commissie druk in de weer waren met het regelen
en verdelen van de zitplaatsen. Hidde en Durkje kwamen in de 'huodsjedoaze'
terecht en de reis begon. Onderweg werd gestopt voor koffie en de eventuele
sanitaire behoeften. In Nijverdal zou nog een dinertje opgedist
worden, voor de heren voorafgegaan door een slokje voor eigen rekening;
voor de vrouwen een advocaatje of een wijntje. De lange rijen tafels
met alles er op en er aan waren een lust voor het oog. De obers bleven
gerechten aandragen, wat een paar dames de waarschuwing ontlokte maar
op te passen om niet te veel van het goede te krijgen. Een stevig heer,
gewapend met een haaskarbonade, liet zich de kans zich eens te buiten
te gaan niet ontnemen en riep 'Ik? Ik fret alles op, ik kin het no krije!'
Weer een ander manspersoon ging zo onhandig met de juslepel om dat die
in de juskom viel, zodat de corsage van de naast hem gezeten dame onder
de vettigheid kwam. Bij de brug stondende jeugd en de leden van het korps al te wachten om de
oudjes met muziek binnen te halen. Hidde had een lief en zacht karakter. Durkje stond op 't laatst krom van de reumatiek. Ze was dan niet altijd vrolijk en lag veel op bed. Ondanks die ongemakken was ze niet op haar mondje gevallen. Als Hidde al eens woorden met haar had, ging hij een straatje om en als hij dan thuiskwam, deed hij maar weer gewoon. Omdat hij zielsveel van haar, en niet van ruzie hield. En als hij haar daarmee bij zich had kunnen houden, had hij nog wel duizend straatjes voor haar om willen gaan. Maar in 1950 overleed zijn geliefde Durkje. Hij had zich nooit de luxe van het zeuren kunnen permitteren en ging door, dankbaar voor wat er geweest was. Hij kuierde regelmatig door Woudsend en maakte hier en daar een praatje. Ik weet nog hoe hij ons eens meetroonde naar de Bovenmeester. Aanbellen, pet in de hand, 'Dag Meester', 'Dag Hidde. Kom er in!' Met van trots glimmende oogjes keek hij achterom: Kijk, daar hadden we zeker niet van terug, dat hij zomaar werd binnen genodigd bij een zo hoog geplaatst persoon als het Hoofd der School! Die pet was op zeker moment een doorn in het oog van dochter Anne. Zij kocht een nieuw exemplaar voor hem en gooide het oude in het vuilnisvat. Het onding was volgens haar bijna zo oud als haar vader zelf en die was al 90. Maar dan had ze toch buiten haar zuinige Heit gerekend, want toen ze een volgend keer naar de nieuwe pet informeerde, ontdekte ze dat die keurig ingepakt in de kast lag. De oude had ie uit de bak gevist en zat als vanouds op z'n hoofd. En de nieuwe? Die zou hij wel bewaren voor 'later'. Zuinigheid was hem dan wel - dankzij het ontbreken van de paplepel - bijgebracht, maar gierig was hij niet. Pier Mulder zijn kleinkind en zoon van zijn dochter Pietje, kwam in zijn diensttijd wel bij hem. Dan stopte Pake Hidde hem een paar centen in de hand, waar Pier dan hartstikke blij mee was. Ook wandelde Pake eens met Sake Popma - zijn aangetrouwde kleinzoon - in de Buorren van Wartena toen hij opeens zei (na eerst gekeken te hebben of niemand hem kon horen!): 'Ik ben niet onbemiddeld hoor Sake, ik heb wel een paar honderd gulden.' Uiteindelijk overleefde hij zijn
vrouw nog 18 jaar. Jaren waarin hij veel bezoek kreeg van zijn kinderen en
kindskinderen, waaronder zijn kleindochter Durkje en haar man Sake Popma. Ook
kleinzoon Hidde de Koe kwam er regelmatig met zijn vrouw Nel. Genoeglijke
avonden waren het, waarbij ze om het houtkacheltje zaten en naar Pake Hidde
luisterden, die zijn smeuïge verhalen met een sausje van humor overgoot, waarna
het piepkleine zoldertje werd beklommen en iedereen tevreden grinnikend in
slaap viel. Het zijn de verhalen die ik hier opschreef. De laatste jaren van zijn leven verbleef hij in een bejaardenhuis in Sneek en voelde zich er fantastisch. Alles verzorgd, z'n bedje gespreid, z'n eten bereid; wat kon een mens nog meer verlangen. Er zijn zelfs nog opnamen van de belevenissen die hij daar vertelde aan iedereen die er op bezoek kwam. Een gouden document van de tevreden mens Hidde Cornelisz. de Koe. Toen hij, bijna 95 jaar oud, werd verenigd
met zijn Durkje, waren alle boze geesten al gevlogen, nog vóór de klokken
zelfs maar hadden geluid. Met déze man in de buurt, hadden zíj
hier niets meer te zoeken. > verder naar de vader van Hidde
Deze pagina is onderdeel van www.genpage.nl |