GenPage

  GenPage.nl

  

Foeke Cornelisz. de Koe (1810-1841)

 

 

Foeke Cornelisz. de Koe

(1810-1841)

 

 

 

 

FOEKE - voorvader van bijna 200 jaar geleden - was een Fransman. Ja, echt waar! Nou, okay, niet dan. Al vind ik, dat je hem een Friese Fransman mag noemen. Het zit zo. Lodewijk Napoleon was in 1806 onze eerste Koning, op die post aangesteld door zijn broer, voormalig Generaal Napoleon Bonaparte, die op zijn beurt sinds 1804 onze keizer was. Lodewijk zwaaide de scepter over wat toen het Koninkrijk Holland heette en dat was ingelijfd bij Frankrijk. Voilà, dan was Foeke een Fransman. Toch?

 

Koning Lodewijk Napoleon zetelde op Het Loo in Apeldoorn, wat hij wel een passende plek voor zichzelf vond, met al die prachtige paviljoens, parken en tuinen. Een bijkomend voordeel was dat het ook nog eens aan de snelweg van Londen naar Moskou lag. Jazeker! Herbergen en andere reismogelijkheden te over dus, als hij enerzijds of anderzijds wilde gaan.

 

In feitehad hij het wel goed met ons voor, deze Franse Louis. Zelfs zo goed, dat zijn grote broer de Keizer, het wat overdreven vond en hem daarop afzette. Wat wel weer jammer was, want de Frans sprekende Lodewijk deed enorm zijn best om zich te bekwamen in het Nederlands en dat vonden de mensen nu juist zo koddig klinken. Vooral als hij zelf zijn titel'Koning' uitsprak, wat bij hem klonk als 'konijn'. En zoveel viel er toch al niet te lachen in Nederland!

 

Wel bij de ouders van Foeke vanzelfsprekend, die dolgelukkig waren met de geboorte van een kerngezonde zoon. Zijn moeder was Sipkjen Foekes Smit, waaruit blijkt dat het op de 23ste oktober 1810 geboren jongetje vernoemd werd naar zijn Pake van Mem's zijde.Als zijn vader Cornelis hem op 11 november van dat jaar ten doop houdt, is dat het achtste kind waar hij dit mee mag doen.

 

Al deze mensen hebben volop weet gehad van de veranderingen die er door de aanwezigheid van Napoleon waren doorgevoerd, zowel de negatieve als de positieve. Er zijn er meerdere te noemen, maar het meest negatieve gevolg was wel het isolement dat hij ons land had opgelegd, waardoor hier een grote achterstand in economische ontwikkeling ontstond. Niet zozeer in het gezin waar Foeke thuishoorde, maar meer in het algemeen, ging het eigenlijk ronduit beroerd met Nederland.

En nu wil je ook de positieve gevolgen weten? Nappie (zo werd Napoleon plagend genoemd) zorgde er voor wij een achternaam kregen. Dat er vrijheid van godsdienst kwam. Dat van iedere burger de stand van zaken werd bijgehouden in een Burgerlijke Stand. Dat iedereen dezelfde maten en gewichten ging hanteren. Dat het conserveren in blik werd uitgevonden, zodat zijn troepen onderweg aan van álles konden doodgaan. Maar meestal niet van de honger. De lange rechte wegen voor snel troepenvervoer danken we ook aan deze kleine generaal en sinds zijn tijd kan je iedereen in ons land met gelijke munt betalen.

 

Wat ook veranderde rond deze tijd waren de herkenningstekens op onze huizen. Tot dan kon je wonen in een huis met een uithangbord (voor houten huizen) of een gevelsteen (voor die van . . . juist ja), waarop de een of andere voorstelling. Het pand droeg dan een fantasienaam als 'In Den Bonte Koe', of 'Den Blaauwen Hoed'. Er waren mensen die - toen Napoleon een achternaam verplicht stelde - zich naar hun woning gingen noemen. Die heten tot vandaag de dag Den Hoed; of misschien zelfs wel De Koe.

 

Het kwam ook vaak voor dat de naam iets met het beroep te maken had dat achter de gevel werd uitgeoefend. Dan woonde je in 'Den Roode Laars' (werkte daar misschiende schoenmaker ?) of 'In den Vergulde Schaar' (wat dacht je van dekleermaker?).En droeg je huis geen gevelsteen? Nou, dan werden bezoekers eenvoudig naar twee huizen naast 'De Vergulde Schaar' verwezen. Maar huisnummers? Nee, die waren nog niet ingeburgerd.

 

Persoonlijk vind ik dat jammer. Lijkt mij juist prachtig als alle huizen een uithangbord van de eerste bewoner dragen. Dan kunnen passanten over een paar honderd jaar nog precies zien wat voor werk je deed. Wat zouden ze dan denken van eentje, waarop een jongeman met een boek in de ene, en een bierglas in de andere hand? Daar woonde vroeger zeker iemand die de invloed van bier op het menselijk lichaam eens diepgaand wilde bestuderen. Zijn huis noemde hij 'Den Gebiologeerden Kaeter'. Ander voorbeeld: als je iets deed met betalingsapparatuur in winkels, dan draagt je huis over een paar honderd jaar nog steeds de naam 'Het Zilveren Kasregister'. En een herenboer plaatste trots de naam van de vrouw des huizes op de gevel, wat zich dan kon vertalen in zoiets als de 'Bertha Maike Hoeve'.

 

Vooruit, nog één voorbeeldje dan. Was je directeur bij Philips, wordt je gevel in het jaar onzes Heeren tweeduizendTWEEHONDERDdrie wellicht nog altijd gesierd met een TV en een wasmachine. Jij bewoonde - héél lang geleden, in 2003 dus - de 'Bruijn en Witgoedt Staete'.En als je back to basics wil, is voor een Philipsman 'In 't Gloeijenden Peertjen' ook nog een optie. Genoeg gefantaseerd nu. Terug naar de orde van de dag.

 

In 1813 kwam er een eind aan het bewind van de man die dit alles mede veroorzaakte. Napoleon verloor de Volkerenslag bij Leipzig. Werd verbannen naar Elba, ontsnapte, kwam terug en regeerde weer 100 dagen. De slag bij Waterloo in juni 1815 betekende de nekslag voor zijn heerschappij, waarna hij opnieuw werd verbannen. Nu naar St. Helena in de Atlantische Oceaan, waar hij in 1821 stierf. Na die Franse tijd kwam er in 1813 weer een Nederlandse Koning op de troon. Hij was de zoon van de als balling naar Engeland gevluchte Willem V en zijn naam luidde Koning Willem I. Een weinig tactvol, ietsje arrogant persoon, die de ondankbare taak had onze gebieden uit een wat apathisch gedrag te halen. En als je duidelijker taal wenst: we waren niet vooruit te branden!

 

Gelukkig was de koning een vooruitstrevend mens, die vernieuwingen en verbeteringen voor zijn grondgebied stimuleerde. Daarnaast was hij dol op geld verdienen, wat hem de bijnaam 'Koopman Koning' opleverde.

 

Onder zijn koninklijk leiderschap zou zich de jeugd van Foeke en z'n broertjes voltrekken. Een jeugd waarin hij ongetwijfeld de plaatselijke school bezocht. Woudsend kan overigens bogen op een lange schooltraditie, want al in de 17e eeuw tref je er een schoolmeester aan. Maar nu was Aaldert Idzerda de laatste onderwijzer die 'een Reeks van Jaren dien Post aldaar, als een Waar Patriot en Getrouw Burger tot genoegen der Ingezeetenen' had waargenomen. Foeke's vader heeft mogelijk nog bij hem in de klas gezeten. Nadat deze oude meester was overleden, verzocht men diens zoon de plaats in te nemen, een functie die hij op dat moment al in Heeg vervulde. In november 1797 verkoos de meerderheid van de stemgerechtigde burgers van Woudsend deze Frederik Idzerda tot opvolger van zijn vader.

 

Het 'geregte of Raad der gemeente Wymbritzeradeel' keurt zijn benoeming vervolgens goed en tekent op 1 mei 1798 voor accoord. Meester Frederik was helaas al overleden toen Foeke naar school ging, maar toch kun je aan zijn ervaringen goed aflezen hoe het toentertijd reilde en zeilde. En alhoewel pas in 1801 de eerste onderwijswet in Nederland z'n beslag kreeg - kinderen moesten les krijgen van bevoegde leraren - kun je er aan zien dat het er wat Woudsend aangaat dus al eerder goed uit zag. We hebben het te danken aan de aanstellingsbrief van meester Frederik, dat de deur van de klas op een kiertje staat. Kom, kijk even mee . . . . De lessen zijn bezig dus doodse stilte graag.

 

Autoriteit liet zich nog gelden en ongehoorzaamheid werd niet getolereerd. De methode was even simpel alsdoeltreffend: 'Wil je niet luisteren, dan moet je maar voelen.' En luisterde je niet? Dan kreeg je rustig een mep met een ding dat er uitzag als een platte houten lepel die ze 'de plak' noemden en waar de jeugd een heilig ontzag voor had. Het kwam uiterst zelden voor dat een ouder het in z'n hoofd haalde een leraar aan te spreken op het gebruik ervan. Als het echt uit de hand liep kon de Schout worden ingeschakeld, maar meestal was het tegendeel aan de orde. Dik tevreden knikte men elkaar toe. 'Die Idzerda? Da's een beste! Hij heeft dat jongvolk goed onder de plak.'

 

De dagtaak die Meester Idzerda opgedragen kreeg, zag er zo uit:

 

Hij 'zal s'daags 2 maal moeten schoolhouden', behalve op zaterdag, dan is 1 keer genoeg. De schooltijden zijn van 9 tot 11 en van 1 tot 3 uur. Maar in de zomertijd - het ''SomerVierendeelsJaar'' - moet hij drie keer per dag 'schoolhouden' en mag de les niet korter zijn dan 2 uur, te weten van 's morgens 8 tot 10 uur, 's middags van 1 tot 3 en in de namiddag van 4 tot 6 uur.

  

Het schoolgeld: 'Van ijder kind lezende en schrijvende zal hij van ijder vierendeelsjaar genieten Seeven Stuivers van Leezen en Schrijven, en Reekenen 22 Stvrs.' Maar in de zomer is dat 5 stuivers voor lezen en schrijven en ''bij Cijferende'' 25 stuivers. Als je uit een naburig dorp moest komen betaalde je niet per kwartaal, maar per week, namelijk 1 stuiver voor lezen en schrijven en 3 stuivers ''Cijfferende''.

 

En wat staat hier voor de leraar tegenover? Wel, 'De schoolmeester zal genieten een vrije Huizinge en bovendien een Jaarlijks Tractement van hondert en dartig Car. Guldens en voor de Administratie der Collecten hondert en vijftig Car. Guldens en in geval der Collecten zal deselve een Jaarlijks Tractement komen te genieten van tweehondert Car. Guldens.'

 

Verder hoorde het luiden van de klok bij een sterfgeval tot zijn taken, want veel schoolmeesters waren tegelijkertijd koster. 'Voor het beluiden van ijder dode zal hij ses Stuivers, en van die onder den 12 Jaar komen te versterven en beluid wordende, zal hij drie Stuivers komen te Genieten.'

 

En wat vrije dagen konden er ook nog af. Hij zal 'vier vacantien kunnen houden - als 1e de Paaschweek, 2de Pinksterweek, 3de de Week van Woudsender Merk en ten 4de de Kerkweek.' De Dorpsvoogden zullen er nauwkeurig op toezien, dat kinderen die ouder zijn dan 6 jaar 'ter deezen School worden gezonden.'

 

Naast de hier genoemde werkzaamheden, waren er nog een paar belangrijke condities. 'Dat tot schoolmeester wort vereischt dat hij ervaren is in de Nederduitsche Taal, alsmede in de Gronden der Nederduitsche Schrijf en Rekenkonst. Dat de schoolmeester niet verpligt zal zijn tot het doen van eenige Kerkendienst. Dog hij zal verpligt zijn het Uurwerk te moeten opwinden en de Klokslag bij de tijdt houden Soo veel als dat behoort en de klok viermaal Daags te Luiden als s'morgens te 5 en 8 Uur, s'namiddags te drie en s'avonds te Seeven uur, dog zal van den 13 October tot den 25 Maart s'morgens te 5 uur vrij van Luiden zijn.'

 

Daarnaast wachtte hem nog een andere schone taak; hij moest de school om de drie weken 'schoonschrobben en Uitspoelen en alle Weeken goed beezem Schoonhouden.'

 

Tenslotte zal hij 'de kinders in alle bescheidenheijd en goede Zeeden onderwijzen opdat dezelve daardoor tot nuttige Leden in de Maatschappij en BurgerStaat kunnen bevordert worden.' Dus bij binnenkomst geen onderuit gezakt gemompel vanonder een baseballpetje ''Hee Fredje, hoe staat ie?" - nauwelijks bescheiden immers! - maar:rechtop en petje af voor een gezamenlijk ''Goede Morgen Meester Idzerda.''

 

Regels moeten er ook wel zijn, anders is het samenspel dat samenleving heet volkomen onmogelijk. Vooral noodzakelijk omdat je - zeker in een kleinere gemeenschap - nu eenmaal op elkaar terug moet kunnen vallen.Om te illustreren hoe sommige zaken in dit dorp vanuit die overtuiging werden aangepakt, vertel ik je iets over de reglementen die Schout Sybes samenstelt op 15 april 1814. Hij deelt Woudsend eerst nauwkeurig in 9 buurten, zodat iedereenprecies weet waar ie aan toe is als er iemand in zijn 'buurt' komt te overlijden. Als jij je nu even je eigen buren voor de geest haalt, laat ik de Schout aan het woord:

 

'Wanneer iemand in een dezer bepaalde Buurten is overleden, zullen de zes naaste Buren verpligt zijn

1e: het lijk naar behoren af te leggen,

2e: de twee naaste Vrouwen der Buurt het doodskleed gereed te maken,

3e: het lijk in de kist te leggen.'

 

Verder vindt de Schout dat 'de Bekendmaking van het overlijden, alsmede het ter begraving verzoeken, zal moeten geschieden door 2 á 4 der naaste Buurvrouwen, naar verkiezen der aangelegenen, doch in geen geval buiten het dorp Woudsend.' En de hele Buurt is volgens eerdergenoemde verdeling 'verpligt de Doodskist ter sterfhuis te brengen, op den dag der Begraving het graf te maken, het lijk volgens plaatselijk gebruik naar het kerkhof te dragen, en onder aarde te brengen.' Kwam dus geen begrafenisondernemer aan te pas.Werd allemaal door de buren onderling geregeld.

 

Met dat buiten de kerk begraven liep Woudsend trouwens 15 jaar vooruit op de plicht dit te doen. De oude kerk, in 1660 gebouwd, zal wel vol gelegen hebben. Tot dan toe was het namelijk een algemeen gebruik, de arme overledenen buiten, en de welgestelde binnen de kerkmuur te begraven. Hoe rijker je was, hoe mooier je laatste plekkie, zoals bij de preekstoel, of bij het doopvont. Dat werd op zeker moment van regeringswege verboden, omdat er door de ontbindende lijken een enorme stank in de kerken hing en - al naar gelang de heersende ziekte - soms ook een pest- of kolerelucht.

 

Maar arm of rijk, ook een 'eens welgesteld' lijk verspreidde een onprettige geur, al hoorde je dan bij de elite groep van rijke stinkerds. Vandaar dat er in 1829 een landelijk verbod kwam op het begraven binnen de muren van de kerk. Vanaf dat moment waren Gemeentes verplicht grond ter beschikking te stellen voor begraafplaatsen. Het heeft nog wel even geduurd voordat dat allemaal goed ging, want lijken buiten de kerk begraven bleek voor de neuzen van wroetende varkens dan wel interessant, voor de argeloze toeschouwer bij zo'n opgraving vormde het een iets minder wenselijke aanblik. Toen er roosters bij de ingang en hekken rondom het hof werden geplaatst, was ook dat probleem opgelost en kon ieder weer zijns weegs gaan.

 

Geert Mak schrijft (4): 'Wie iets van de vroege 19e eeuw wil begrijpen moet permanent voor ogen houden dat de toenmalige Nederlanders op een heel andere manier omgingen met het verschijnsel tijd. Dat tijdsritme werd mede bepaald door het trage vervoer en het lange wachten overal, bij sluizen, bruggen, in een schuit, bij storm en regen. Men kon de tijd niet naar zijn hand zetten, men moest vertragingen accepteren als een deel van het leven, en dat schiep een andere levenshouding.

 

Snelheid was niet de allesbepalende norm. Alle grote, veelal slecht begaanbare wegen waren bezaaid met tolhekken en het moet er vaak druk en vol geweest zijn. Lopen was voor de meeste mensen - uitgezonderd de rijken - nu eenmaal de meest gebruikelijke manier van zich verplaatsen. Afstanden werden niet in kilometers uitgedrukt, maar in looptijd. Veel dorpen lagen op weinig meer dan 'een uur gaans' van elkaar, marktplaatsen zelden op meer dan 25 kilometer, zodat iedereen nooit veel meer dan twee uur gaans - ongeveer 12 kilometer - van een markt en een bestuurlijk centrum vandaan woonde. Verder kwam de gewone Nederlander zelden of nooit.

Een andere manier van vervoer vormde de trekschuit, die niet sneller ging dan 7 a 8 km p. uur maar daarentegen een relatief goedkope manier van reizen was. Postkoetsenen diligences gingen minder frequent en waren voor de gewone man te duur. Vanuit Groningen naar Leeuwarden kostte de 6 uur durende reis per diligence bijvoorbeeldfl. 3,60, terwijl het dagloon van een arbeider ergens tussen fl. 0,50 en fl. 1,-- lag.' Tot zover Geert Mak. Een heerlijk boek trouwens, als je over die tijd wil lezen.

 

Waterwegen vormden de belangrijkste vervoersaders, zeker in de waterrijke Zuidwesthoek van Friesland. 'Woudsend heeft het Heeger-meer ten N.W., het Slooter-meer ten Z., de Wymerts ten N., de Welle ten N.O. en het Koevordermeer verder oostwaarts. Vandaar dat alle schepen, die van Sneek en Ylst naar Slooten, de Lemmer of de Kuinre bestemd zijn, deze plaats voorbijvaren en veelal aandoen, welke menigvuldige doortogt deze aanzienlijke plaats zeer veel levendigheid bijzet. Het is een digt gebouwd dorp, dat nette en zindelijke, met Friese klinkerts aan den kant geplaveide straten voor voetgangers heeft.' (9)

 

Zo wordt er over zijn dorp geschreven in Foekes jonge jaren.

 

In 1819 - hij is dan 9 jaar oud - begint men met het graven van het Noordhollands kanaal, een toppunt van vernuft. In 1821 werken er 10.000 mensen aan, tegen een dagloon van fl. 1,30. Zeker 1000 mensen laten daarbij het leven, door ziekte, kou en voedselgebrek. De veranderingen in Nederland - die niet altijd ook verbeteringen bleken - zouden elkaar in sneltempo opvolgen. Er werden grachten gedempt, oude panden omver gehaald, poorten gesloopt en stadswallen met de grond gelijk gemaakt. En alles uit naam van de vernieuwing of dankzij het ontbreken van financiële middelen de zaken te restaureren.

 

Tijd voor wat ontspanning was er gelukkig ook in het geboortedorp van Foeke. Hij is inmiddels een tiener, alsinjanuari 1823 Woudsend het toneel is voor wedstrijden 'hardrijderij op schaatsen',waarop volgens de Leeuwarder Courant enige duizenden mensen afkwamen. De jeugd van het dorp zal z'n ogen uitgekeken hebben! Er hadden zich 99 mensen ingeschreven, waarvan de meest opvallendeeen heer was, 'die zich tot den wedloop had laten inteekenen, zijnde een man van 314 halve Ned. ponden zwaar, die boven verwachting, tegen een zeer snellen rijder, uitmuntend heeft gereden.' Wat zowel ietszegt over de conditie van de dikke man, als die van het ijs . . . . . .

 

Het ijskoude begin van dit jaar werd gevolgd door een kletsnatte zomer, waarin het in de omgeving van de steden en dorpen zo drassig was, dat men ze nauwelijks kon bereiken. 'Door de regen verzakt de weg steeds, en die verzakking kan men alleen voorkomen door voortdurend puin te storten. Dit verzuimen de boeren wel eens, waardoor de weg onbruikbaar wordt bij regen. Bovendien zijn de wegen kronkeliger dan noodzakelijk, omdat men vroeger kerkelijk grondgebied wilde sparen . . . . . en toch wil men in Friesland nog niet van harde wegen horen.' (4) Woudsend vormde daarop geen uitzondering. Oh ja, wel als het ging om geplaveide wegen binnen de dorpskern. Dat kon je eerder al lezen. Maar goeie verbindingswegen naar andere plaatsen lagen nog ver in het verschiet.

 

In hoofdstad Leeuwarden hakte men al langer met dat bijltje. Daar zie je de eerste regulering van de verkeersstroom in 1789 verschijnen, als men daar de reglementen opstelt 'houdende regels waarnaar een ieder zich bij het rijden met koetsen, wagens, karren, rol- en sleepkoetsen zal hebben te gedragen.' En in 1805 verschijnt er een publicatie 'houdende waarschuwing, dat 's winters, wanneer het glad mocht zijn, telkens 's morgens om 1/2 9 de klok zal luiden ten teken dat ieder zijn straat moet bestrooien.'

 

Verder wordt op een wel heel bizarre manier duidelijk dat de hoofdstad al verharde wegen had. Althans, volgens het Reisdagboek dat Dirk van Hogendorp bijhield toen hij in1823 een voettocht door Friesland maakte. Hij beschrijft daarin o.a. de straffen die werden opgelegd aan de 'gasten' van het plaatselijke tuchthuis: "Tot straf bezigde men het middel van straatslijpen. De veroordeelde gevangene werden zijne voeten gebonden, zijn linkerhand van het lijf af moetende houden, kreeg hij in de rechter een steen, waar mede hij, naar mate van de straf, gewoonlijk twee uur lang, de straat moest slijpen. Het spreekt van zelf dat hij daardoor altijd in eene gebukte houding was, en zoo hij niet met de geëischte spoed de straten slijpten, werd hij door de slagen op zijn billen tot meerdere spoed aangemaand." Zelfs in die tijd waren de meningen over dit soort straffen nogal verdeeld.

 

Toen Foeke 14 jaar was, voltrok zich een ramp, waarbij bovengenoemde problemen volledig in het niet zouden zinken en die aan niemand in de Woudsender gemeenschap ongemerkt voorbij zou gaan. Het was de eerste week van februari en dit is wat er gebeurde.

 

'Bij den watervloed van Februarij 1825, bespeurde men Zaturdags morgens te zeven ure, te Woudsend, tot aller bevreemding, dat er, in weerwil van den hevigen noordwestenwind, een zeer sterke stroom van den zuidkant of van het Slootermeer liep, waardoor bij de dorpsbewoners de vrees voor doorbraak in het Zuiden der provincie ontstond.

 

In tijd van een half uur nam de kracht van deze stroom zoo geweldig toe, dat men zich niet meer veilig op het vaarwater de Ee begeven kon. Tusschen 8 en 9 ure zag men door het spoedig wassen van het water de binnenpolders overloopen, terwijl het 4 1/2 palm hoog uit het Slootermeer over de landen rolde, zoodat binnen weinige oogenblikken van alle polders en omstreken van Woudsend geen plek lands meer zigtbaar was, en de laagste huizen van het dorp, van 5 tot 9 palmen hoog, onder water werden gezet. Deze aanwas duurde tot 2 ure in den volgenden nacht, wanneer tot de hoogte van bijna ééne el boven het winterwater had bereikt.

  

Niet alleen in de omstreken, maar ook in dit dorp was het kommerlijk gesteld, daar 70 huisgezinnen hunne woningen moesten ontvlugten en een twintigtal op de zolders verblijven.' (9) Het moet beangstigend en verschrikkelijk geweest zijn. Er verdronk dan wel niemand, maar op één persoon na werd iedereen in de hierop volgende periode ziek. Een groot deel van de inwoners van Woudsend stierf aan de gevolgen hiervan. In de hele provincie zouden ruim 4000 zielen hetzelfde lot ondergaan. Het kan niet anders of het moet op een tiener als Foeke een enorm diepe indruk hebben gemaakt.

 

Als hij 19 jaar is, meldt hij zich voor de militaire dienst, die sinds de Napoleontische tijd was ingesteld en als beroep geeft hij dan 'boerenknecht' op. In het Gemeente Archief van IJlst bewaren ze de formulieren die bij dergelijke gelegenheden werden ingevuld. Op 29 januari 1829 schrijft men onder nummer 7 van het inschrijfregister van de Nationale Militie ook Foeke in. Hij 'heeft zichzelven voor de inschrijving aangegeven.' Maar dat is nog niet alles. Als je je al een voorstelling van hem gemaakt had, dan kun je die nu toetsen aan de realiteit. Zo zag hij er uit:

 

AangezigtLangwerpig

Voorhoofdrond

Oogenblauw

Neusordinair

mondordinair

kinrond

Haarblond

Wenkbraauwenblond

 

Verder 'geene Merkbare teekenen'.

 

Foeke was een ronde ordinaire blonde! Een pasfoto zou makkelijker en - zeker voor ons - wel zo leuk geweest zijn. Maar de fotografie zou pas een jaar later - in 1830 - worden uitgevonden door ene meneer Nièpce. En dat van dat 'ordinair' had je natuurlijk al begrepen. In deze Franse tijd betekende 'ordinair' zoals je weet gewoon 'gewoon'. Later - bij zijn huwelijk - staat vermeld dat hij 'heeft voldaan aan zijne verpligtingen ten aanzien der Nationale Militie'.

 

Op Nederlands grondgebied gebeurde er in 1830 meer opmerkelijks. De overwegend katholieke Belgen -die tot dan bij Nederland hoorden - kwamen in augustus in Brussel in opstand en zou het uiteindelijk lukken om zich af te scheiden van de voor het merendeel Protestantse Noordelijke Nederlanden. Sommige Katholieke Nederlanders waren vertwijfeld. Het Friesch Dagblad stelt zich de vraag 'Moesten zij nu wensen, dat hun Belgische geloofsgenoten spoedig verslagen werden?' Feit is, dat er verschillende mensen 'een vreemde sympathie voor den Brabanders' voelden.

 

Daar haaks op, stond de mening van de tegenstanders van de opstand, zoals een Friese boer, die in zijn dagboek het niet mis te verstane ''Dood aan alle Brabanders'' optekende. Tegelijk met het geloofsaspect, speelde de pro's en contra's ten opzichte van het koningshuis een belangrijke rol, waarbij het protestantse deel zich achter de Oranjes schaarde. Een aantal katholieken plaatsten geloof en politiek eveneens onder één noemer en was er tegen. De geschiedenis leert, dat dergelijke zaken slecht verenigbaar zijn en daardoor soms uit de hand lopen.

 

Woede in Woudsend. Dat was het gevolg. Er waren zelfs 15 vrijwilligers bereid de strijd aan te binden tegen de Belgen. Sytze Sytzes de Jong - dorpsgenoot, oranjeklant, historie liefhebber, visser en dichter - stond daar helemaal achter en greep de gelegenheid aan een gloedvol gedicht te schrijven. Het resulteerde in een manmoedig krijgslied voor de strijders (18):

 

Vivat, hoezee! De Koning leev'

Waarvoor ik mij te veld begeef!

Hij roept! en wij marcheren

vrijwillig voor het Vaderland.

Het Friese bloed houdt zich constant.

Wij zullen Brabant leren!

 

Vaartwel dan burgers van Woudsend,

Totdat het oproer heeft een end;

Dan kroont ons aller glorie,

Dan keren wij weer blij naar huis.

Verdwenen is het snood gespuis.

Oranje heeft victorie!

Op 7 oktober 1830 schreef de Procureur-generaal bij het Hooggerechtshof te Den Haag over ongeregeldheden die dankzij dit alles hadden plaatsgevonden. Een katholieke dorpsgenoot - en voorstander van de opstand - moest zijn frustraties kwijt en deed dat zo:

'Ate Hyltjes Mulder, korenmolenaar te Woudsend, zoude op den 28 Augustus j.l. 's avonds ten 1/2 10 uren in een openbaar koffyhuis aldaar in tegenwoordigheid en ten aanhooren van onderscheidene mensen gezegd hebben, dat hij van Heeg (een dorp in het kanton Sneek) was gekomen, en nu wist waar de Juweelen van de KroonPrinses van Oranje gebleven waren; - dat de KroonPrins deze zelf had gestolen, teneinde daarmede de schulden, die hij door het spel gemaakt had, te betalen.'

 

Zo, die Ate durfde zeg! Wie A zegt, moet ook B zeggen, moet hij roekeloos gedacht hebben, en toen 'de onvoorzichtigheid dezer uitdrukkingen door iemand in het gezelschap onder het oog gebragt werd, hy daarop geantwoord had ''dat is overal bekend genoeg.'' Van dit lasterlijk gesprek is door den Heer Officier bij den regtbank van eersten aanleg in Sneek een procesverbaal in loco opgemaakt. Er schijnen ook te Woudsend op den 28, 30 en 31 Augustus l.l. nog eenige andere ongeregeldheden te hebben plaatsgehad. Thans is alles wederom rustig.'Tot zover de berichtgeving in het Friesch Dagblad inzake negentiende-eeuwse coffyshop problemen.

 

Economisch gezien was niet iedereen ontevreden over de afscheiding met de Belgen. Er waren er die vonden dat de Zuidelijke Nederlanden toch al te veel geld opslokten. En steden als Amsterdam en Rotterdam waren jaloers op de aandacht die Antwerpen kreeg. Maar voor de Koning voelde het als gezichtsverlies en vormde het een enorme teleurstelling. Vreemd genoeg wilden ze wel de Koning, maar niet zijn koninklijke zetel kwijt. Vandaar dat ie nog steeds 'troont'in dat vroeger Nederland.

 

Willem I zou als gevolg hiervan in 1839 ten gunste van zijn zoon Willem II aftreden, die in 1840 werd gekroond. Wel had Koning Willem de Eerste ons toen inmiddels, dankzij zijn jarenlange strijd tegen de onafhankelijkheid van de Belgen, met een behoorlijke schuld opgezadeld. Aan de andere kant had hij reden genoeg om met trots terug te mogen kijken op de aanleg van het Noordhollands kanaal en nog vele andere waterwegen. Ook de verbetering van het wegennet en de opening van de Eerste Hollandsche IJzeren Spoorweg zouden in zijn regeerperiode hun beslag krijgen. Het proefdraaien vond plaats op 20 september 1839 en de eerste personen werden 4 dagen later vervoerd op een rit van Amsterdam naar Haarlem, waarbij de trein de duizelingwekkende topsnelheid van 38 kilometer per uur haalde.

 

Zoals altijd zaten er twee kanten aan de medaille. Eigenaren van postkoetsen en trekschuiten protesteerden fel tegen de komst van het treinverkeer. Hadden zij niet altijd hun werk naar volle tevredenheid gedaan? Voor hen zou deze zogenaamde vooruitgang immers achteruitgang gaan betekenen? In Friesland hebben deze vakbroeders nog even tijd voor gewenning gekregen. Daar zou het treinnet pas in 1869 helemaal klaar zijn.

 

Nu we toch bezig zijn: wist je dat veel steden, waaronder bijvoorbeeld Leeuwarden, destijds nog hun eigen tijd hanteerden? 'In 1909 kwam er eindelijk een standaardisering, in belangrijke mate dus vanwege het treinverkeer dat de plaatsen via de rails verbond. Die gelijkgetrokken tijd noemden ze daarom ook 'spoortijd'. Toch heeft het toen nog een poos geduurd voordat iedereen niet alleen de klokken bij de stations, maar overal gelijk zette en dezelfde tijdsaanduiding voor iedereen in Nederland ging gelden.' (4)

 

Van dit toekomstbeeld kon Foeke zich in de verste verte nog geen voorstelling maken. Hij hield zich dan ook bezig met zaken die voor de meeste mensen een tijdelijke blinde vlek opleveren: Hij Werd Verliefd.  

Een jongeman van 21 jaar is hij, als 'in het jaar Een duizend acht honderd tweeëndertig, den Vijftienden dag der maand Meij, des voormiddags ten Elf uren' het huwelijk met de uit Abbega afkomstige Anke Jakobsdr. Faber wordt voltrokken. De beide ouderparen geven hun toestemming, evenals de getuigen Douwe Romkes Wijnja, veldwachter uit Oudega, Pieter Feikes Nas, veldwachter uit Heeg, Minse Jans Wijman, bode uit IJsbrechtum en Haring Jacobus de Bock, veldwachter uit Woudsend.

 

De dienstdoende ambtenaar vermeld bij Foeke 'zonder beroep' en noteert bij de bruid hetzelfde. In hun geval géén benijdenswaardige situatie, want het is een dubbeltje op z'n kant, of het tijdsverschil tussen trouwdatum en geboorte van hun eersteling keurig aangepast is geweest aan de gerezen omstandigheden. In het Fries zeggen ze dan ''Dat is ek fan 'e bêdsplanke ôf!''Dat is ook stee gebeurd . buiten de bed. . . .

  

Hoe dan ook, op 20 januari 1833 kwam hun zoon Cornelis ter wereld, in wie wij voorvader Knelis mogen verwelkomen. In gezelschap van zijn twee goeie vrienden - Elias Prins en Willem Willems Pot, die beiden schippers waren - stond Foeke twee dagen later trots voor de plaatselijke klerk om zijn zoon aan te geven. Die tekende er bij aan, dat de nieuwbakken vader werkzaam was als arbeider.Jammer dat er niet bijstaat wat voor arbeid hij dan wel verrichtte. Het verhaal gaat namelijk, dat hij werkzaam geweest zou zijn in de aalakervisserij. Of- en zo ja, wélk werk hij dan wel binnen deze beroepsgroep deed, is nog niet duidelijk. Hier komen een paar mogelijkheden:

 

Aal werd in de meren en sloten rond de Friese dorpen gevangen, met behulp van kleine vissersbootjes. Foeke kan een visser geassisteerd hebben bij zijn werkzaamheden. Als de buit binnen was, werd die naar de schepen van grotere bedrijven gebracht. Foeke kan voor het vervoer naar die bedrijven gezorgd hebben. Zo had je bijvoorbeeld in Heeg het florerende bedrijf van de familie Visser. Hij kan met in- en uitladen van de vis hebben geholpen.

 

Aal was een veel gevraagd product. Niet alleen in Nederland, maar ook daarbuiten. Genoemd Heeger bedrijf vervoerde de vis zelfs met grote regelmaat naar Engeland, waar het - net als hier - volksvoedsel nummer 1 was. Wie weet voer Foeke wel mee naar Engeland om daar hand- en spandiensten te verlenen. Al vanaf 1364 kom je in de archieven zaken aangaande de palinghandel met Engeland tegen. Na 1650 zijn het voornamelijk Friezen die zich daarmee bezighielden.(www.friesscheepvaartmuseum.nl)

 

Friese aalaakschippers hadden zelfs het legendarische privilege altijd een vaste ligplaats te hebben in de Theems, een tegemoetkoming die door de Engelse Koning was verleend. De plaats die er rond deze jaren voor werd vrijgehouden, lag niet ver van de Tower, voor Custom House bij Billingsgate fishmarket.Aan de zogenaamde 'Dutch Mooring' moest altijd minstens één aak liggen -zo was de afspraak - omdat anders het privilege verloren zou gaan. Dat heeft zo al met al toch nog tot 1938 geduurd. Toen werd de laatste aak verkocht en verviel het privilege van de vrije ligplaats. (5)

Al is niet 100 % zeker of hij zich hier werkelijk mee bezighield, zijn er toch een paar aspecten te noemen die in die richting kunnen wijzen. Het waterrijke gebied en het bestaan van het Heeger visbedrijf van de familie Visser maakt het mogelijk. Daarnaast zijn daar z'n twee beste vrienden, Elias en Willem, beiden schipper van beroep. Misschien wel bij dezelfde baas. Bij de bewaard gebleven gegevens van de firma Visser - terug te vinden in het Fries Scheepvaart Museum in Sneek - vind je o.a. de boekhouding. Maar interessante informatie betreffende de schippers, laat staan over vissers of gewone arbeiders op de aken, tref je er niet aan.

 

Verreweg het aardigste puzzeltje in die richting vormt een object dat in het huis van achter - achter -achterkleinzoon Dick de Koe is terug te vinden. Hij is de trotse bezitter van een kleine roodbruine scheepskist, waarop het volgende is te lezen: F.(oeke) K.(orneliszoon) de Koe. De maten: b x d x h / 60 x 28 x 32 cm. Als je dat eens uitmeet, lijkt het een vrij kleine kist. Maar hoeveel hadden de mensen toen en wat nam je voor zo'n kleine trip eigenlijk mee? Zover weg was Engeland nu ook weer niet. En wat had je dan als gewone jongen helemaal nodig? Je papieren, een foto van je geliefde. Schone onderbroek, droge sokken. Daar kwam je toen toch een heel eind mee, lijkt me.  Veel geld had je niet en ook niet nodig, want je at aan boord. Het enige van waarde droeg het scheepsvolk in hun oor. Een gouden ringetje moest er voor zorgen, dat - mocht je overboord slaan en aan vreemde kust aanspoelen - je netjes kon worden begraven. Het zou mooi zijn, als we nog eens wat feiten boven tafel kregen, die duidelijk zouden maken of Foeke inderdaad bij de aalakervisserij betrokken was.

 het scheepskistje van foeke de koe

In februari 1835 is het de beurt aan zijn schoonvader om vernoemd te worden, als de volgende zoon van Foeke en Antje - Jacob - het levenslicht ziet. Hem kun je later terugvinden als 'matroos' en in mei 1869 zou hij, samen met zijn jongste broertje, de grote sprong naar 'America' wagen. Daarvoor zat eerst nog de derde zoon, Murk, die in augustus van het jaar 1837 geboren wordt.

 

In Woudsend hebben ze dan al geruime tijd aangekeken tegen de bouw van een nieuw Godshuis voor de Hervormden. De vorige kerk was er in 1660 geplaatst en die zal de religieuze thuishaven gevormd hebben van Foeke's voorouders. Doch 'aangezien de kerk door verzakking onbruikbaar geworden was, heeft men eene nieuwe gebouwd, waartoe uit het fonds voor noodlijdende kerken 2000 gulden verleend is.' (9)

Bij die afbraak had men 'omstreeks 2 ellen onder den grond, onderscheidene graaw aarden kruikjes en riemschoenen gevonden.' Waarschijnlijk waren dit drinkvaten van de geestelijken van het klooster dat nog weer vóór 1660 op deze plek had gestaan. De eerste bewoners van Woudsend zouden monniken van de orde der Karmelieten geweest zijn. Zodoende. Maar we duiken nog even in de nieuwbouw:

 

'Het leggen van den eersten steen aan dit gebouw, hetwelk een plegtig feest opleverde, is gedenkwaardig gemaakt, doordien bij die gelegenheid, daaraan als renteloos voorschot, door eenige godsdienstvrienden, verstrekt, welk voorbeeld naderhand door anderen vrijwillig gevolgd is. Deze kerk is een kruisgebouw, met een uitmuntend orgel en eenen koepeltoren op vrij hooge kolommen en van de klok en uurwerk voorzien." (9) Als de kerk eindelijk klaar is, stuurt het dankbare kerkbestuur een uitnodiging ''Aan de leden der Hervormde Gemeente van WOUDSEND c.a., die door hunne weldadigheid en hunnen goeden wil hebben meegewerkt tot Stichting van HET NIEUWE KERKGEBOUW, bij gelegenheid van derzelver inwijding den 17 December 1837.'

 

Door de kerken en door haar leden, werd afwijkend gedrag als pervers gezien. Eigenlijk hoorde iedereen wel bij een dergelijke godsdienstige kring, of je nu protestant, katholiek of doopsgezind was. Huwelijken van personen van dezelfde sekse, samenleving zonder huwelijk, niets van dat al werd door de mensen van die dagen als 'normaal' gezien. Homoseksuelen (sodomieten werden ze ook wel genoemd) werden nog regelmatig ter dood gebracht, bijvoorbeeld verdronken in een ton met een deksel er op. Het vandaag verworven recht ánders te zijn, ging toen nog niet op. En waarom zou Foeke daar anders over gedacht hebben.

 

Zijn eerste zorg gold overigens de komende tijd zijn geliefde vrouw, die in november 1840 het leven schonk aan een zoontje, dat ze Hylke noemden. Misschien dat deze zoon al vanaf het begin niet gezond is geweest. Zeker weten we, dat het kindje begin mei het jaar daar-op sterft en Foeke en Anke het naar zijn kleine graf hebben moeten brengen. En voordat dit jaar om zou zijn, zou er nog meer verschrikkelijks volgen. Maar eerst konden ze nog een zomer lang van elkaar genieten.

Het is je duidelijk op welke manier mensen zich meestal verplaatsten: via het water. Je zou kunnen zeggen, dat het dankzij de belangrijke waterweg, de Ee was (hij loopt dwars door Woudsend, zoals je nog wel weet), dat de dorpelingen op de hoogte bleven van de nieuwste ontwikkelingen op allerlei gebied.Mensen die langs kwamen vertelden de laatste nieuwtjes, of dat nu van Lemmer of van Leeuwarden kwam. En nieuws op het gebied van de scheepvaart trok als vanzelf in optocht aan hen voorbij.

 

Soms hadden mensen er moeite mee veranderingen te accepteren. Ze waren zowel gewend, als gehecht aan de stille gang van de zeilschepen. Vandaar dat er een vooroordeel heerste, dat de binnenwateren van Friesland totaal ongeschikt zouden zijn voor de stoomvaart. Maar degenen die een dergelijk schip in de vaart wilden hebben, nodigden - ook niet gek - een aantal journalisten uit om een dagje mee te varen. In te pakken, zouden we nu zeggen. Die schrijven op hun beurt een lovend stukje in de Leeuwarder Courant van 20 juli 1841, met de volgende tekst:

 

'Gisteren hadden wij het genoegen de eerste stoomboot, die de Friesche binnenwateren heeft bevaren, ook Leeuwarden te zien naderen en bij de buurt Schilkampen aanleggen en vertoeven. Wij hebben ons over de doelmatige bouw en inrigting van deze boot, over de nieuwe constructie der stoomwerktuigen en schepraden en over den stillen en snellen gang van het geheel evenzeer verwonderd' en 'Hartelijk wenschen wij, dat deze boot, bestemd voor de vaart tusschen Joure, Sneek en de Lemmer, spoedig in de vaart moge komen.' Dat waseen beste opsteker voor de stoomboot exploitanten en daarmee een geslaagde inpak actie.

 

Mensen met een open oog voor de schoonheid van de zeilvaart schreven echter met verlangen over vervlogen tijden. Want toen 'heerschte daar op den stroom een opgewekt leven en ene bonte bedrijvigheid, waarvan wij, die al dat schoons door de schelle stoomfluit en vettigen kolenwalm, hebben zien verdringen, ons moeilijk meer eene voorstelling kunnen maken.' (1) Toch kon geen nostalgische bespiegeling de nieuwe tijd tegenhouden.

 

Het najaar van 1841 stond voor de deur en voor Foeke en zijn jonge vrouw was het een blije periode, want Anke bleek opnieuw in verwachting te zijn.Heb je er wel eens bij stil gestaan hoe je er in vroeger dagen achter kwam dat je zwanger was? Even een zwangerschapstestje halen was er nog niet bij. Een vrouw zal dat - zeker als het je vijfde kind wordt - wel intuïtief hebben geweten. En verder zal Anke geluisterd hebben naar de boodschap die haar lichaam haar nu gaf: na de dood van hun jongste in mei, mochten ze zich opnieuw verheugen in de geboorte van een kind.

 

De vorst deed vroeg z'n intrede dat jaar. Half november lagen de vaarten en meren al redelijk dicht. Zou Foeke -wie weet geïnspireerd door de schaatswedstrijden die hij in zijn jeugd had gezien - altijd al een warm plekje gehad hebben voor het schaatsen? Of kon hij er een zakcentje bijverdienen door een schaatsbaan uit te zetten? Daar - zo gaat het verhaal -was hij op het Heegermeer mee bezig, toen er iets verschrikkelijk mis moet zijn gegaan. Een moment niet opgelet. Een slechte plek in het ijs. Z'n blauwe ogen groot van verbazing. Een gevecht. Het ongeloof. En dan langzaam maar zeker een bijna weldadig aandoende rust. Foeke zakte weg in een slaap waaruit hij nooit meer zou ontwaken. Zo moet het ongeveer zijn gegaan.

 

Zijn vrouw Anke, zijn jonge kinderen, zijn moeder Sipkjen, allemaal blijven ze vertwijfeld en in diepe rouw achter. Foeke mocht maar 31 jaar worden; een leeftijd waarin je niet zomaar berusting vindt. En toch moeten ze dat. Jacob Jans Bijlsma, Postlooper, en Haring Jacobs de Bock, de veldwachter die negen jaar eerder ook getuige was bij hun huwelijk, geven het overlijden aan bij de Burgerlijke Stand. Zij verklaren dat 'Foeke de Koe, van beroep arbeider, geboren en wonende te Woudsend, echtgenoot van Anke Jacobs Faber, zonder beroep, wonende te Woudsend, zoon van Cornelis de Koe, overleden, en van Sipkjen Foekes Smit, boerin wonende te Woudsend, op den veertienden dag der maand November, des namiddags ten twee ure, uit het vaarwater van het Hegemer meer onder Woudsend, levenloos is opgehouden.'

 

Je moet er toch niet aan denken dat je met zo'n bericht bij een jonge zwangere vrouw moet aankloppen. Toch heeft iemand die immens zware taak op zich moeten nemen. En hoe je het ook wendt of keert, als de begrafenis achter de rug is, moet zij alleen verder. Van hogerhand is Anke dan verplicht een voogd aan te stellen over hun nog jonge kinderen. En al was Foeke maar een gewone arbeider, toch was er blijkbaar wel wat geld in de familie. Er wordt zelfs gesproken van Russische aandelen. Dat had de financiële toekomst van hun kinderen enig houvast kunnen bieden. Maar de aangewezen voogd deed het beter voor zichzelf - zo wordt gefluisterd - dan voor de kinderen De Koe, zodat ze armlastig werden. Zo arm, dat oudste zoon Knelis later naar Amerika gegaan zou zijn om daar - door keihard werken - een fortuintje te vergaren, waarmee hij toen hij terug kwam de schulden kon aflossen. Toen was alles weer op.

 

Waar of niet waar. Wat we weten over de omstandigheden rond Foeke’s dood en de zaken betreffende een eventuele voogd en erfenis, berust vooralsnog op familie overlevering. Meer zekerheden zijn er tot op heden niet.

 

Op 16 juni 1842 bevalt Anke van een jongetje dat zijn vader nooit zou kennen. Ter nagedachtenis aan haar man Foeke, zoon van Cornelis, geeft zij hem die twee namen. Durkje Sjoerds Visser uit Woudsend - een vriendin van Anke? Of misschien de vroedvrouw? - was er bij toen het kleintje ter wereld kwam en zij doet dan ook aangifte van de geboorte. Naast haar staat Willem Willems Pot, goeie vriend van de gestorven Foeke. Hij was het, die zowel bij het eerste, als bij het laatste kind van zijn kameraad als getuige optrad.

 

Foeke heeft te weinig van het leven mogen genieten. Dat neemt niet weg dat hij net zo veel betekent als de mensen die hem voorgingen en die zullen volgen. Omdat alle schakels in een ketting even belangrijk zijn. 'Dood ben je pas als men je is vergeten' luidt een bekend gezegde en in die zin leeft hij voort bij de mensen die af en toe eens aan hem denken. Wie weet hoor jij daar vanaf vandaag ook wel bij.

 

Dag Foeke met je blauwe ogen . . . . .

 

Je bent gebleven in de tijd.

Dat mag geen wonder heten.

Het is een simpel feit dat wij

niet heel veel van je weten.

Je leven was te kort, da's waar.

Maar kijk eens? Niet vergeten!

 

 

> verder naar de vader van Foeke

< terug naar zijn zoon Cornelis

< naar genealogisch overzicht

 

       
|
Niels
|
Dick
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Jelle
|
|

 

Deze pagina is onderdeel van www.genpage.nl