![]() |
GenPage.nl |
|||||||
|
Foeke Cornelisz. de Koe (1810-1841) FOEKE - voorvader van bijna 200 jaar geleden
- was een Fransman. Ja, echt waar! Nou, okay, niet dan. Al vind ik,
dat je hem een Friese Fransman mag noemen. Het zit zo. Lodewijk Napoleon
was in 1806 onze eerste Koning, op die post aangesteld door zijn broer,
voormalig Generaal Napoleon Bonaparte, die op zijn beurt sinds 1804
onze keizer was. Lodewijk zwaaide de scepter over wat toen het Koninkrijk
Holland heette en dat was ingelijfd bij Frankrijk. Voilà, dan
was Foeke een Fransman. Toch? Koning Lodewijk Napoleon zetelde op Het Loo in
Apeldoorn, wat hij wel een passende plek voor zichzelf vond, met al die
prachtige paviljoens, parken en tuinen. Een bijkomend voordeel was dat het ook
nog eens aan de snelweg van Londen naar Moskou lag. Jazeker! Herbergen en
andere reismogelijkheden te over dus, als hij enerzijds of anderzijds wilde
gaan. In feitehad
hij het wel goed met ons voor, deze Franse Louis. Zelfs zo goed, dat
zijn grote broer de Keizer, het wat overdreven vond en hem daarop afzette.
Wat wel weer jammer was, want de Frans sprekende Lodewijk deed enorm
zijn best om zich te bekwamen in het Nederlands en dat vonden de mensen
nu juist zo koddig klinken. Vooral als hij zelf zijn titel'Koning' uitsprak, wat bij hem klonk als 'konijn'. En zoveel
viel er toch al niet te lachen in Nederland! Wel bij de ouders van Foeke vanzelfsprekend, die
dolgelukkig waren met de geboorte van een kerngezonde zoon. Zijn moeder
was Sipkjen Foekes Smit, waaruit blijkt dat het op de 23ste oktober
1810 geboren jongetje vernoemd werd naar zijn Pake van Mem's zijde.Als zijn vader Cornelis hem op 11 november van
dat jaar ten doop houdt, is dat het achtste kind waar hij dit mee mag
doen. Al deze mensen hebben volop weet gehad van de veranderingen die er door de aanwezigheid van Napoleon waren doorgevoerd, zowel de negatieve als de positieve. Er zijn er meerdere te noemen, maar het meest negatieve gevolg was wel het isolement dat hij ons land had opgelegd, waardoor hier een grote achterstand in economische ontwikkeling ontstond. Niet zozeer in het gezin waar Foeke thuishoorde, maar meer in het algemeen, ging het eigenlijk ronduit beroerd met Nederland. En nu wil je ook de positieve gevolgen
weten? Nappie (zo werd Napoleon plagend genoemd) zorgde er voor wij
een achternaam kregen. Dat er vrijheid van godsdienst kwam. Dat van
iedere burger de stand van zaken werd bijgehouden in een Burgerlijke
Stand. Dat iedereen dezelfde maten en gewichten ging hanteren. Dat het
conserveren in blik werd uitgevonden, zodat zijn troepen onderweg aan
van álles konden doodgaan. Maar meestal niet van de honger. Wat ook veranderde rond deze tijd
waren de herkenningstekens op onze huizen. Tot dan kon je wonen in een huis met
een uithangbord (voor houten huizen) of een gevelsteen (voor die van . . .
juist ja), waarop de een of andere voorstelling. Het pand droeg dan een
fantasienaam als 'In Den Bonte Koe', of 'Den Blaauwen Hoed'. Er waren mensen
die - toen Napoleon een achternaam verplicht stelde - zich naar hun woning
gingen noemen. Die heten tot vandaag de dag Den Hoed; of misschien zelfs wel De
Koe. Het kwam ook vaak voor dat de naam
iets met het beroep te maken had dat achter de gevel werd uitgeoefend. Dan
woonde je in 'Den Roode Laars' (werkte daar misschiende schoenmaker ?) of 'In den Vergulde Schaar'
(wat dacht je van dekleermaker?).En droeg je huis geen gevelsteen? Nou, dan
werden bezoekers eenvoudig naar twee huizen naast 'De Vergulde Schaar'
verwezen. Maar huisnummers? Nee, die waren nog niet ingeburgerd. Persoonlijk vind ik dat jammer. Lijkt
mij juist prachtig als alle huizen een uithangbord van de eerste bewoner
dragen. Dan kunnen passanten over een paar honderd jaar nog precies
zien wat voor werk je deed. Wat zouden ze dan denken van eentje,
waarop een jongeman met een boek in de ene, en een bierglas in de andere
hand? Daar woonde vroeger zeker iemand die de invloed van bier op het
menselijk lichaam eens diepgaand wilde bestuderen. Zijn huis noemde
hij 'Den Gebiologeerden Kaeter'. Ander voorbeeld: als je iets deed met
betalingsapparatuur in winkels, dan draagt je huis over een paar honderd
jaar nog steeds de naam 'Het Zilveren Kasregister'. En een herenboer
plaatste trots de naam van de vrouw des huizes op de gevel, wat zich
dan kon vertalen in zoiets als de 'Bertha Maike Hoeve'. Vooruit, nog één voorbeeldje dan. Was je directeur bij Philips, wordt je gevel in het jaar onzes Heeren tweeduizendTWEEHONDERDdrie wellicht nog altijd gesierd met een TV en een wasmachine. Jij bewoonde - héél lang geleden, in 2003 dus - de 'Bruijn en Witgoedt Staete'.En als je back to basics wil, is voor een Philipsman 'In 't Gloeijenden Peertjen' ook nog een optie. Genoeg gefantaseerd nu. Terug naar de orde van de dag. In 1813 kwam er een eind aan het bewind
van de man die dit alles mede veroorzaakte. Napoleon verloor de Volkerenslag
bij Leipzig. Werd verbannen naar Elba, ontsnapte, kwam terug en regeerde
weer 100 dagen. De slag bij Waterloo in juni 1815 betekende de nekslag
voor zijn heerschappij, waarna hij opnieuw werd verbannen. Nu naar St.
Helena in de Atlantische Oceaan, waar hij in 1821 stierf. Gelukkig was de koning een vooruitstrevend mens,
die vernieuwingen en verbeteringen voor zijn grondgebied stimuleerde. Daarnaast
was hij dol op geld verdienen, wat hem de bijnaam 'Koopman Koning' opleverde. Onder zijn koninklijk leiderschap zou
zich de jeugd van Foeke en z'n broertjes voltrekken. Een jeugd waarin
hij ongetwijfeld de plaatselijke school bezocht. Woudsend kan overigens
bogen op een lange schooltraditie, want al in de 17e eeuw tref je er
een schoolmeester aan. Het 'geregte of Raad der gemeente Wymbritzeradeel'
keurt zijn benoeming vervolgens goed en tekent op 1 mei 1798 voor accoord.
Meester Frederik was helaas al overleden toen Foeke naar school ging,
maar toch kun je aan zijn ervaringen goed aflezen hoe het toentertijd
reilde en zeilde. En alhoewel pas in 1801 de eerste onderwijswet in
Nederland z'n beslag kreeg - kinderen moesten les krijgen van bevoegde
leraren - kun je er aan zien dat het er wat Woudsend aangaat dus al
eerder goed uit zag. We hebben het te danken aan de aanstellingsbrief
van meester Frederik, dat de deur van de klas op een kiertje staat.
Kom, kijk even mee . . . . De lessen zijn bezig dus doodse stilte graag.
Autoriteit liet zich nog gelden en
ongehoorzaamheid werd niet getolereerd. De methode was even simpel alsdoeltreffend: 'Wil je niet luisteren, dan moet
je maar voelen.' En luisterde je niet? Dan kreeg je rustig een mep met
een ding dat er uitzag als een platte houten lepel die ze 'de plak'
noemden en waar de jeugd een heilig ontzag voor had. Het kwam uiterst
zelden voor dat een ouder het in z'n hoofd haalde een leraar aan te
spreken op het gebruik ervan. Als het echt uit de hand liep kon de Schout
worden ingeschakeld, maar meestal was het tegendeel aan de orde. Dik
tevreden knikte men elkaar toe. 'Die Idzerda? Da's een beste! Hij heeft
dat jongvolk goed onder de plak.' De dagtaak die Meester Idzerda
opgedragen kreeg, zag er zo uit: Hij 'zal s'daags 2 maal moeten schoolhouden', behalve op zaterdag, dan is 1 keer genoeg. De schooltijden zijn van 9 tot 11 en van 1 tot 3 uur. Maar in de zomertijd - het ''SomerVierendeelsJaar'' - moet hij drie keer per dag 'schoolhouden' en mag de les niet korter zijn dan 2 uur, te weten van 's morgens 8 tot 10 uur, 's middags van 1 tot 3 en in de namiddag van 4 tot 6 uur. Het schoolgeld: 'Van ijder kind lezende
en schrijvende zal hij van ijder vierendeelsjaar genieten Seeven Stuivers
van Leezen en Schrijven, en Reekenen 22 Stvrs.' Maar in de zomer is
dat 5 stuivers voor lezen en schrijven en ''bij Cijferende'' 25 stuivers.
Als je uit En wat staat hier voor de leraar tegenover?
Wel, 'De schoolmeester zal genieten een vrije Huizinge en bovendien
een Jaarlijks Tractement van hondert en dartig Car. Guldens en voor
de Administratie der Collecten hondert en vijftig Car. Guldens en in
geval der Collecten zal deselve een Jaarlijks Tractement komen te genieten
van tweehondert Car. Guldens.' Verder hoorde het luiden van de klok
bij een sterfgeval tot zijn taken, want veel schoolmeesters waren tegelijkertijd
koster. 'Voor het beluiden van ijder dode zal hij ses Stuivers, en van
die onder den 12 Jaar komen te versterven en beluid wordende, zal hij
drie Stuivers komen te Genieten.' En wat vrije dagen konden er ook nog
af. Hij zal 'vier vacantien kunnen houden - als 1e de Paaschweek, 2de
Pinksterweek, 3de de Week van Woudsender Merk en ten 4de de Kerkweek.'
De Dorpsvoogden zullen er nauwkeurig op toezien, dat kinderen die ouder
zijn dan 6 jaar 'ter deezen School worden gezonden.' Naast de hier genoemde werkzaamheden,
waren er nog een paar belangrijke condities. 'Dat tot schoolmeester
wort vereischt dat hij ervaren is in de Nederduitsche Taal, alsmede
in de Gronden der Nederduitsche Schrijf en Rekenkonst. Dat de schoolmeester
niet verpligt zal zijn tot het doen van eenige Kerkendienst. Dog hij
zal verpligt zijn het Uurwerk te moeten opwinden en de Klokslag bij
de tijdt houden Soo veel als dat behoort en de klok viermaal Daags te
Luiden als s'morgens te 5 en 8 Uur, s'namiddags te drie en s'avonds
te Seeven uur, dog zal van den 13 October tot den 25 Maart s'morgens
te 5 uur vrij van Luiden zijn.' Daarnaast wachtte hem nog een andere schone taak;
hij moest de school om de drie weken 'schoonschrobben en Uitspoelen en alle
Weeken goed beezem Schoonhouden.' Tenslotte zal hij 'de kinders in
alle bescheidenheijd en goede Zeeden onderwijzen opdat dezelve daardoor tot
nuttige Leden in de Maatschappij en BurgerStaat kunnen bevordert worden.' Dus
bij binnenkomst geen onderuit gezakt gemompel vanonder een baseballpetje ''Hee
Fredje, hoe staat ie?" - nauwelijks bescheiden immers! - maar:rechtop en petje af voor een gezamenlijk
''Goede Morgen Meester Idzerda.'' Regels moeten er ook wel zijn, anders
is het samenspel dat samenleving heet volkomen onmogelijk. Vooral noodzakelijk
omdat je - zeker in een kleinere gemeenschap - nu eenmaal op elkaar
terug moet kunnen vallen.Om
te illustreren hoe sommige zaken in dit dorp vanuit die overtuiging
werden aangepakt, vertel ik je iets over de reglementen die Schout Sybes
samenstelt op 15 april 1814. Hij deelt Woudsend eerst nauwkeurig in
9 buurten, zodat iedereenprecies weet waar ie aan toe is als er iemand
in zijn 'buurt' komt te overlijden. 'Wanneer iemand in een dezer bepaalde Buurten is
overleden, zullen de zes naaste Buren verpligt zijn 1e: het lijk naar behoren
af te leggen, 2e: de twee naaste Vrouwen der Buurt het
doodskleed gereed te maken, 3e: het lijk in de kist te leggen.' Verder vindt de Schout dat 'de Bekendmaking
van het overlijden, alsmede het ter begraving verzoeken, zal moeten
geschieden door 2 á 4 der naaste Buurvrouwen, naar verkiezen der aangelegenen,
doch in geen geval buiten het dorp Woudsend.' En de hele Buurt is volgens
eerdergenoemde verdeling 'verpligt de Doodskist ter sterfhuis te brengen,
op den dag der Begraving het graf te maken, het lijk volgens plaatselijk
gebruik naar het kerkhof te dragen, en onder aarde te brengen.' Kwam
dus geen begrafenisondernemer aan te pas.Werd allemaal door de buren onderling geregeld. Met dat buiten de kerk begraven
liep Woudsend trouwens 15 jaar vooruit op de plicht dit te doen. De
oude kerk, in 1660 gebouwd, zal wel vol gelegen hebben. Tot dan toe
was het namelijk een algemeen gebruik, de arme overledenen buiten, en
de welgestelde binnen de kerkmuur te begraven. Hoe rijker je was, hoe
mooier je laatste plekkie, zoals bij de preekstoel, of bij het doopvont.
Dat werd op zeker moment van regeringswege verboden, omdat er door de
ontbindende lijken een enorme stank in de kerken hing en - al naar gelang
de heersende ziekte - soms ook een pest- of kolerelucht. Maar arm of rijk, ook een 'eens welgesteld' lijk verspreidde een onprettige geur, al hoorde je dan bij de elite groep van rijke stinkerds. Vandaar dat er in 1829 een landelijk verbod kwam op het begraven binnen de muren van de kerk. Vanaf dat moment waren Gemeentes verplicht grond ter beschikking te stellen voor begraafplaatsen. Het heeft nog wel even geduurd voordat dat allemaal goed ging, want lijken buiten de kerk begraven bleek voor de neuzen van wroetende varkens dan wel interessant, voor de argeloze toeschouwer bij zo'n opgraving vormde het een iets minder wenselijke aanblik. Toen er roosters bij de ingang en hekken rondom het hof werden geplaatst, was ook dat probleem opgelost en kon ieder weer zijns weegs gaan. Geert Mak schrijft (4): 'Wie iets
van de vroege 19e eeuw wil begrijpen moet permanent voor ogen houden dat de
toenmalige Nederlanders op een heel andere manier omgingen met het verschijnsel
tijd. Dat tijdsritme werd mede bepaald door het trage vervoer en het lange
wachten overal, bij sluizen, bruggen, in een schuit, bij storm en regen. Men
kon de tijd niet naar zijn hand zetten, men moest vertragingen accepteren als
een deel van het leven, en dat schiep een andere levenshouding. Snelheid was niet de allesbepalende
norm. Alle grote, veelal slecht begaanbare wegen waren bezaaid met tolhekken
en het moet er vaak druk en vol geweest zijn. Lopen was voor de meeste
mensen - uitgezonderd de rijken - nu eenmaal de meest gebruikelijke
manier van zich verplaatsen. Een andere manier van vervoer vormde
de trekschuit, die niet sneller ging dan 7 a 8 km p. uur maar daarentegen
een relatief goedkope manier van reizen was. Postkoetsenen diligences gingen minder frequent en waren
voor de gewone man te duur. Vanuit Groningen naar Leeuwarden kostte
de 6 uur durende reis per diligence bijvoorbeeldfl. 3,60, terwijl het dagloon van een arbeider ergens tussen
fl. 0,50 en fl. 1,-- lag.' Tot zover Geert Mak. Een heerlijk boek trouwens,
als je over die tijd wil lezen. Waterwegen vormden de belangrijkste
vervoersaders, zeker in de waterrijke Zuidwesthoek van Friesland. 'Woudsend
heeft het Heeger-meer ten N.W., het Slooter-meer ten Z., de Wymerts
ten N., de Welle ten N.O. en het Koevordermeer verder oostwaarts. Vandaar
dat alle schepen, die van Sneek en Ylst naar Slooten, de Lemmer of de
Kuinre bestemd zijn, deze plaats voorbijvaren en veelal aandoen, welke
menigvuldige doortogt deze aanzienlijke plaats zeer veel levendigheid
bijzet. Het is een digt gebouwd dorp, dat nette en zindelijke, met Friese
klinkerts aan den kant geplaveide straten voor voetgangers heeft.' (9)
Zo wordt er over zijn dorp
geschreven in Foekes jonge jaren. In 1819 - hij is dan 9 jaar oud - begint
men met het graven van het Noordhollands kanaal, een toppunt van vernuft.
In 1821 werken er 10.000 mensen aan, tegen een dagloon van fl. 1,30.
Zeker 1000 mensen laten daarbij het leven, door ziekte, kou en voedselgebrek.
De veranderingen in Nederland - die niet altijd ook verbeteringen bleken
- zouden elkaar in sneltempo opvolgen. Er werden grachten gedempt, oude
panden omver gehaald, poorten gesloopt en stadswallen met de grond gelijk
gemaakt. En alles uit naam van de vernieuwing of dankzij het ontbreken
van financiële middelen de zaken te restaureren. Tijd voor wat ontspanning was er gelukkig
ook in het geboortedorp van Foeke. Hij is inmiddels een tiener, alsinjanuari 1823 Woudsend
het toneel is voor wedstrijden 'hardrijderij op schaatsen',waarop volgens de Leeuwarder Courant enige duizenden mensen
afkwamen. De jeugd van het dorp zal z'n ogen uitgekeken hebben! Het ijskoude begin van dit jaar werd
gevolgd door een kletsnatte zomer, waarin het in de omgeving van de
steden en dorpen zo drassig was, dat men ze nauwelijks kon bereiken.
'Door de regen verzakt de weg steeds, en die verzakking kan men alleen
voorkomen door voortdurend puin te storten. Dit verzuimen de boeren
wel eens, waardoor de weg onbruikbaar wordt bij regen. In hoofdstad Leeuwarden hakte men al
langer met dat bijltje. Daar zie je de eerste regulering van de verkeersstroom
in 1789 verschijnen, als men daar de reglementen opstelt 'houdende regels
waarnaar een ieder zich bij het rijden met koetsen, wagens, karren,
rol- en sleepkoetsen zal hebben te gedragen.' En in 1805 verschijnt
er een publicatie 'houdende waarschuwing, dat 's winters, wanneer het
glad mocht zijn, telkens 's morgens om 1/2 9 de klok zal luiden ten
teken dat ieder zijn straat moet bestrooien.' Verder wordt op een wel heel bizarre
manier duidelijk dat de hoofdstad al verharde wegen had. Althans, volgens
het Reisdagboek dat Dirk van Hogendorp bijhield toen hij in1823 een
voettocht door Friesland maakte. Hij beschrijft daarin o.a. de straffen
die werden opgelegd aan de 'gasten' van het plaatselijke tuchthuis:
"Tot straf bezigde men het middel van straatslijpen. De
veroordeelde gevangene werden zijne voeten gebonden, zijn linkerhand
van het lijf af moetende houden, kreeg hij in de rechter een steen,
waar mede hij, naar mate van de straf, gewoonlijk twee uur lang, de
straat moest slijpen. Het spreekt van zelf dat hij daardoor altijd in
eene gebukte houding was, en zoo hij niet met de geëischte spoed de
straten slijpten, werd hij door de slagen op zijn billen tot meerdere
spoed aangemaand." Zelfs in die tijd waren de meningen over dit
soort straffen nogal verdeeld. Toen Foeke 14 jaar was, voltrok zich
een ramp, waarbij bovengenoemde problemen volledig in het niet zouden zinken en
die aan niemand in de Woudsender gemeenschap ongemerkt voorbij zou gaan. Het
was de eerste week van februari en dit is wat er gebeurde. 'Bij den watervloed van Februarij 1825,
bespeurde men Zaturdags morgens te zeven ure, te Woudsend, tot aller
bevreemding, dat er, in weerwil van den hevigen noordwestenwind, een zeer
sterke stroom van den zuidkant of van het Slootermeer liep, waardoor bij de
dorpsbewoners de vrees voor doorbraak in het Zuiden der provincie ontstond. In tijd van een half uur nam de kracht
van deze stroom zoo geweldig toe, dat men zich niet meer veilig op het
vaarwater de Ee begeven kon. Tusschen 8 en 9 ure zag men door het spoedig
wassen van het water de binnenpolders overloopen, terwijl het 4 1/2
palm hoog uit het Slootermeer over de landen rolde, zoodat binnen weinige
oogenblikken van alle polders en omstreken van Woudsend geen plek lands
meer zigtbaar was, en de laagste huizen van het dorp, van 5 tot 9 palmen
hoog, onder water werden gezet. Niet alleen in de omstreken, maar
ook in dit dorp was het kommerlijk gesteld, daar 70 huisgezinnen hunne woningen
moesten ontvlugten en een twintigtal op de zolders verblijven.' (9) Het moet
beangstigend en verschrikkelijk geweest zijn. Er verdronk dan wel niemand, maar
op één persoon na werd iedereen in de hierop volgende periode ziek. Een groot
deel van de inwoners van Woudsend stierf aan de gevolgen hiervan. In de hele
provincie zouden ruim 4000 zielen hetzelfde lot ondergaan. Het kan niet anders
of het moet op een tiener als Foeke een enorm diepe indruk hebben gemaakt. Als hij 19 jaar is, meldt hij zich
voor de militaire dienst, die sinds de Napoleontische tijd was ingesteld en als
beroep geeft hij dan 'boerenknecht' op. In het Gemeente Archief van IJlst
bewaren ze de formulieren die bij dergelijke gelegenheden werden ingevuld. Op
29 januari 1829 schrijft men onder nummer 7 van het inschrijfregister van de
Nationale Militie ook Foeke in. Hij 'heeft zichzelven voor de inschrijving
aangegeven.' Maar dat is nog niet alles. Als je je al een voorstelling van hem
gemaakt had, dan kun je die nu toetsen aan de realiteit. Zo zag hij er uit: AangezigtLangwerpig Voorhoofdrond Oogenblauw Neusordinair mondordinair kinrond Wenkbraauwenblond Verder 'geene Merkbare
teekenen'. Foeke was een ronde ordinaire blonde!
Een pasfoto zou makkelijker en - zeker voor ons - wel zo leuk geweest
zijn. Maar de fotografie zou pas een jaar later - in 1830 - worden uitgevonden
door ene meneer Nièpce. En dat van dat 'ordinair' had je natuurlijk
al begrepen. In deze Franse tijd betekende 'ordinair' zoals je weet
gewoon 'gewoon'. Later - bij zijn huwelijk - staat vermeld dat hij 'heeft
voldaan aan zijne verpligtingen ten aanzien der Nationale Militie'. Op Nederlands grondgebied gebeurde
er in 1830 meer opmerkelijks. De overwegend katholieke Belgen -die tot dan bij Nederland hoorden - kwamen in
augustus in Brussel in opstand en zou het uiteindelijk lukken om zich
af te scheiden van de voor het merendeel Protestantse Noordelijke Nederlanden.
Sommige Katholieke Nederlanders waren vertwijfeld. Het Friesch Dagblad
stelt zich de vraag 'Moesten zij nu wensen, dat hun Belgische geloofsgenoten
spoedig verslagen werden?' Feit is, dat er verschillende mensen 'een
vreemde sympathie voor den Brabanders' voelden. Daar haaks op, stond de mening van
de tegenstanders van de opstand, zoals een Friese boer, die in zijn
dagboek het niet mis te verstane ''Dood aan alle Brabanders'' optekende.
Tegelijk met het geloofsaspect, speelde de pro's en contra's ten opzichte
van het koningshuis een belangrijke rol, waarbij het protestantse deel
zich achter de Oranjes schaarde. Woede in Woudsend. Dat was het gevolg. Er waren
zelfs 15 vrijwilligers bereid de strijd aan te binden tegen de Belgen. Sytze
Sytzes de Jong - dorpsgenoot, oranjeklant, historie liefhebber, visser en
dichter - stond daar helemaal achter en greep de gelegenheid aan een gloedvol gedicht
te schrijven. Het resulteerde in een manmoedig krijgslied voor de strijders
(18): Vivat, hoezee! De Koning
leev' Waarvoor ik mij te veld begeef! Hij roept! en wij marcheren vrijwillig voor het Vaderland. Het Friese bloed houdt zich constant. Wij zullen Brabant leren! Vaartwel dan burgers van Woudsend, Totdat het oproer heeft een end; Dan keren wij weer blij naar huis. Verdwenen is het snood gespuis. Oranje heeft victorie! Op 7 oktober 1830 schreef de Procureur-generaal bij
het Hooggerechtshof te Den Haag over ongeregeldheden die dankzij dit alles
hadden plaatsgevonden. Een katholieke dorpsgenoot - en voorstander van de
opstand - moest zijn frustraties kwijt en deed dat zo: Zo, die Ate durfde zeg! Wie A zegt,
moet ook B zeggen, moet hij roekeloos gedacht hebben, en toen 'de onvoorzichtigheid
dezer uitdrukkingen door iemand in het gezelschap onder het oog gebragt
werd, hy daarop geantwoord had ''dat is overal bekend genoeg.'' Van
dit lasterlijk gesprek is door den Heer Officier bij den regtbank van
eersten aanleg in Sneek een procesverbaal in loco opgemaakt. Er schijnen
ook te Woudsend op den 28, 30 en 31 Augustus l.l. nog eenige andere
ongeregeldheden te hebben plaatsgehad. Thans is alles wederom rustig.'Tot zover de berichtgeving in het Friesch Dagblad inzake negentiende-eeuwse
coffyshop problemen. Economisch gezien was niet iedereen
ontevreden over de afscheiding met de Belgen. Er waren er die vonden
dat de Zuidelijke Nederlanden toch al te veel geld opslokten. En steden
als Amsterdam en Rotterdam waren jaloers op de aandacht die Antwerpen
kreeg. Maar voor de Koning voelde het als gezichtsverlies en vormde
het een enorme teleurstelling. Vreemd genoeg wilden ze wel de Koning,
maar niet zijn koninklijke zetel kwijt. Vandaar dat ie nog steeds 'troont'in dat vroeger Nederland. Willem I zou als gevolg hiervan in
1839 ten gunste van zijn zoon Willem II aftreden, die in 1840 werd gekroond.
Wel had Koning Willem de Eerste ons toen inmiddels, dankzij zijn jarenlange
strijd tegen de onafhankelijkheid van de Belgen, met een behoorlijke
schuld opgezadeld. Aan de andere kant had hij reden genoeg om met trots
terug te mogen kijken op de aanleg van het Noordhollands kanaal en nog
vele andere waterwegen. Zoals altijd zaten er twee kanten aan de medaille. Eigenaren van postkoetsen en trekschuiten protesteerden fel tegen de komst van het treinverkeer. Hadden zij niet altijd hun werk naar volle tevredenheid gedaan? Voor hen zou deze zogenaamde vooruitgang immers achteruitgang gaan betekenen? In Friesland hebben deze vakbroeders nog even tijd voor gewenning gekregen. Daar zou het treinnet pas in 1869 helemaal klaar zijn. Nu we toch bezig zijn: wist je dat veel steden, waaronder bijvoorbeeld Leeuwarden, destijds nog hun eigen tijd hanteerden? 'In 1909 kwam er eindelijk een standaardisering, in belangrijke mate dus vanwege het treinverkeer dat de plaatsen via de rails verbond. Die gelijkgetrokken tijd noemden ze daarom ook 'spoortijd'. Toch heeft het toen nog een poos geduurd voordat iedereen niet alleen de klokken bij de stations, maar overal gelijk zette en dezelfde tijdsaanduiding voor iedereen in Nederland ging gelden.' (4) Van dit toekomstbeeld kon Foeke zich
in de verste verte nog geen voorstelling maken. Hij hield zich dan ook
bezig met zaken die voor de meeste mensen een tijdelijke blinde vlek
opleveren: Hij Werd Verliefd. Een jongeman van 21 jaar is hij, als 'in het jaar
Een duizend acht honderd tweeëndertig, den Vijftienden dag der maand
Meij, des voormiddags ten Elf uren' het huwelijk met de uit Abbega afkomstige
Anke Jakobsdr. Faber wordt voltrokken. De beide ouderparen geven hun
toestemming, evenals de getuigen Douwe Romkes Wijnja, veldwachter uit
Oudega, Pieter Feikes Nas, veldwachter uit Heeg, Minse Jans Wijman,
bode uit IJsbrechtum en Haring Jacobus de Bock, veldwachter uit Woudsend.
De dienstdoende ambtenaar vermeld bij
Foeke 'zonder beroep' en noteert bij de bruid hetzelfde. In hun geval
géén benijdenswaardige situatie, want het is een dubbeltje op z'n kant,
of het tijdsverschil tussen trouwdatum en geboorte van hun eersteling
keurig aangepast is geweest aan de gerezen omstandigheden. In het Fries
zeggen ze dan ''Dat is ek fan 'e bêdsplanke ôf!''Dat is ook stee gebeurd . buiten de bed. . . . Hoe dan ook, op 20 januari 1833 kwam
hun zoon Cornelis ter wereld, in wie wij voorvader Knelis mogen verwelkomen.
In gezelschap van zijn twee goeie vrienden - Elias Prins en Willem Willems
Pot, die beiden schippers waren - stond Foeke twee dagen later trots
voor de plaatselijke klerk om zijn zoon aan te geven. Die tekende er
bij aan, dat de nieuwbakken vader werkzaam was als arbeider. Aal werd in de meren en sloten rond
de Friese dorpen gevangen, met behulp van kleine vissersbootjes. Foeke
kan een visser geassisteerd hebben bij zijn werkzaamheden. Als de buit
binnen was, werd die naar de schepen van grotere bedrijven gebracht.
Foeke kan voor het vervoer naar die bedrijven gezorgd hebben. Zo had
je bijvoorbeeld in Heeg het florerende bedrijf van de familie Visser.
Hij kan met in- en uitladen van de vis hebben geholpen. Aal was een veel gevraagd product. Niet alleen in Nederland, maar ook daarbuiten. Genoemd Heeger bedrijf vervoerde de vis zelfs met grote regelmaat naar Engeland, waar het - net als hier - volksvoedsel nummer 1 was. Wie weet voer Foeke wel mee naar Engeland om daar hand- en spandiensten te verlenen. Al vanaf 1364 kom je in de archieven zaken aangaande de palinghandel met Engeland tegen. Na 1650 zijn het voornamelijk Friezen die zich daarmee bezighielden.(www.friesscheepvaartmuseum.nl) Friese aalaakschippers hadden zelfs het legendarische privilege altijd een vaste ligplaats te hebben in de Theems, een tegemoetkoming die door de Engelse Koning was verleend. De plaats die er rond deze jaren voor werd vrijgehouden, lag niet ver van de Tower, voor Custom House bij Billingsgate fishmarket.Aan de zogenaamde 'Dutch Mooring' moest altijd minstens één aak liggen -zo was de afspraak - omdat anders het privilege verloren zou gaan. Dat heeft zo al met al toch nog tot 1938 geduurd. Toen werd de laatste aak verkocht en verviel het privilege van de vrije ligplaats. (5) Al is niet 100 % zeker of hij zich
hier werkelijk mee bezighield, zijn er toch een paar aspecten te noemen
die in die richting kunnen wijzen. Het waterrijke gebied en het bestaan
van het Heeger visbedrijf van de familie Visser maakt het mogelijk.
Daarnaast zijn daar z'n twee beste vrienden, Elias en Willem, beiden
schipper van beroep. Misschien wel bij dezelfde baas. Bij de bewaard
gebleven gegevens van de firma Visser - terug te vinden in het Fries
Scheepvaart Museum in Sneek - vind je o.a. de boekhouding. Maar interessante
informatie betreffende de schippers, laat staan over vissers of gewone
arbeiders op de aken, tref je er niet aan. Verreweg het aardigste puzzeltje in
die richting vormt een object dat in het huis van achter - achter -achterkleinzoon
Dick de Koe is terug te vinden. Hij is de trotse bezitter van een kleine
roodbruine scheepskist, waarop het volgende is te lezen:
In februari 1835 is het de beurt aan
zijn schoonvader om vernoemd te worden, als de volgende zoon van Foeke
en Antje - Jacob - het levenslicht ziet. Hem kun je later terugvinden
als 'matroos' en in mei 1869 zou hij, samen met zijn jongste broertje,
de grote sprong naar 'America' wagen. Daarvoor zat eerst nog de derde
zoon, Murk, die in augustus van het jaar 1837 geboren wordt. In Woudsend hebben ze dan al geruime
tijd aangekeken tegen de bouw van een nieuw Godshuis voor de Hervormden. De
vorige kerk was er in 1660 geplaatst en die zal de religieuze thuishaven
gevormd hebben van Foeke's voorouders. Doch 'aangezien de kerk door verzakking
onbruikbaar geworden was, heeft men eene nieuwe gebouwd, waartoe uit het fonds
voor noodlijdende kerken 2000 gulden verleend is.' (9) 'Het leggen van den eersten steen aan dit
gebouw, hetwelk een plegtig feest opleverde, is gedenkwaardig gemaakt,
doordien bij die gelegenheid, daaraan als renteloos voorschot, door
eenige godsdienstvrienden, verstrekt, welk voorbeeld naderhand door
anderen vrijwillig gevolgd is. Deze kerk is een kruisgebouw, met een
uitmuntend orgel en eenen koepeltoren op vrij hooge kolommen en van
de klok en uurwerk voorzien." (9) Door de kerken en door haar leden,
werd afwijkend gedrag als pervers gezien. Eigenlijk hoorde iedereen
wel bij een dergelijke godsdienstige kring, of je nu protestant, katholiek
of doopsgezind was. Huwelijken van personen van dezelfde sekse, samenleving
zonder huwelijk, niets van dat al werd door de mensen van die dagen
als 'normaal' gezien. Zijn eerste zorg gold overigens de
komende tijd zijn geliefde vrouw, die in november 1840 het leven schonk
aan een zoontje, dat ze Hylke noemden. Misschien dat deze zoon al vanaf
het begin niet gezond is geweest. Zeker weten we, dat het kindje begin
mei het jaar daar-op sterft en Foeke en Anke het naar zijn kleine graf
hebben moeten brengen. En voordat dit jaar om zou zijn, zou er nog meer
verschrikkelijks volgen. Het is je duidelijk op welke manier mensen zich meestal
verplaatsten: via het water. Soms hadden mensen er moeite mee veranderingen te accepteren. Ze waren zowel gewend, als gehecht aan de stille gang van de zeilschepen. Vandaar dat er een vooroordeel heerste, dat de binnenwateren van Friesland totaal ongeschikt zouden zijn voor de stoomvaart. Maar degenen die een dergelijk schip in de vaart wilden hebben, nodigden - ook niet gek - een aantal journalisten uit om een dagje mee te varen. In te pakken, zouden we nu zeggen. Die schrijven op hun beurt een lovend stukje in de Leeuwarder Courant van 20 juli 1841, met de volgende tekst: 'Gisteren hadden wij het genoegen de eerste
stoomboot, die de Friesche binnenwateren heeft bevaren, ook Leeuwarden te zien
naderen en bij de buurt Schilkampen aanleggen en vertoeven. Wij hebben ons over
de doelmatige bouw en inrigting van deze boot, over de nieuwe constructie der
stoomwerktuigen en schepraden en over den stillen en snellen gang van het
geheel evenzeer verwonderd' en 'Hartelijk wenschen wij, dat deze boot, bestemd
voor de vaart tusschen Joure, Sneek en de Lemmer, spoedig in de vaart moge
komen.' Dat waseen beste opsteker voor
de stoomboot exploitanten en daarmee een geslaagde inpak actie. Mensen met een open oog voor de schoonheid van de zeilvaart schreven echter met verlangen over vervlogen tijden. Want toen 'heerschte daar op den stroom een opgewekt leven en ene bonte bedrijvigheid, waarvan wij, die al dat schoons door de schelle stoomfluit en vettigen kolenwalm, hebben zien verdringen, ons moeilijk meer eene voorstelling kunnen maken.' (1) Toch kon geen nostalgische bespiegeling de nieuwe tijd tegenhouden. Het najaar van 1841 stond voor de deur
en voor Foeke en zijn jonge vrouw was het een blije periode, want Anke
bleek opnieuw in verwachting te zijn.Heb je er wel eens bij stil gestaan hoe je er in vroeger dagen
achter kwam dat je zwanger was? De vorst deed vroeg z'n intrede dat
jaar. Half november lagen de vaarten en meren al redelijk dicht. Zou
Foeke -wie weet geïnspireerd
door de schaatswedstrijden die hij in zijn jeugd had gezien - altijd
al een warm plekje gehad hebben voor het schaatsen? Of kon hij er een
zakcentje bijverdienen door een schaatsbaan uit te zetten? Daar - zo
gaat het verhaal -was hij op het Heegermeer mee bezig, toen er
iets verschrikkelijk mis moet zijn gegaan. Zijn vrouw Anke, zijn jonge kinderen,
zijn moeder Sipkjen, allemaal blijven ze vertwijfeld en in diepe rouw
achter. Foeke mocht maar 31 jaar worden; een leeftijd waarin je niet
zomaar berusting vindt. En toch moeten ze dat. Je moet er toch niet aan denken dat
je met zo'n bericht bij een jonge zwangere vrouw moet aankloppen. Toch
heeft iemand die immens zware taak op zich moeten nemen. En hoe je het
ook wendt of keert, als de begrafenis achter de rug is, moet zij alleen
verder. Van hogerhand is Anke dan verplicht een voogd aan te stellen
over hun nog jonge kinderen. Waar of niet waar. Wat we weten over de omstandigheden rond Foeke’s dood en de zaken betreffende een eventuele voogd en erfenis, berust vooralsnog op familie overlevering. Meer zekerheden zijn er tot op heden niet. Op 16 juni 1842 bevalt Anke van een
jongetje dat zijn vader nooit zou kennen. Ter nagedachtenis aan haar man Foeke,
zoon van Cornelis, geeft zij hem die twee namen. Durkje Sjoerds Visser uit
Woudsend - een vriendin van Anke? Of misschien de vroedvrouw? - was er bij toen
het kleintje ter wereld kwam en zij doet dan ook aangifte van de geboorte.
Naast haar staat Willem Willems Pot, goeie vriend van de gestorven Foeke. Hij
was het, die zowel bij het eerste, als bij het laatste kind van zijn kameraad
als getuige optrad. Foeke heeft te weinig van het leven
mogen genieten. Dat neemt niet weg dat hij net zo veel betekent als
de mensen die hem voorgingen en die zullen volgen. Omdat alle schakels
in een ketting even belangrijk zijn. 'Dood ben je pas als men je is
vergeten' luidt een bekend gezegde en in die zin leeft hij voort bij
de mensen die af en toe eens aan hem denken. Je bent gebleven in de tijd. Dat mag geen wonder heten. Het is een simpel feit dat wij niet heel veel van je weten. Je leven was te kort, da's waar. Maar kijk eens? Niet vergeten! > verder naar de vader van Foeke < terug naar zijn zoon Cornelis
Deze pagina is onderdeel van www.genpage.nl |