Cornelis Jellesz. [de Koe]

                                                        (ca. 1670-1738)

 

 

 

 

           

            Daar is ie dan, Cornelis Jellesz. De oęrpake wiens wieg in de zeventiende eeuw stond, nu ongeveer Drie-Honderd-en-Drie-en-Dertig jaar geleden.

 

            Zijn vader moet een JELLE geweest zijn. Een wetenschap die je al uit zijn patroniem kunt opmaken. Alhoewel? Niet eens helemáál zeker dat het een 'Jelle' was, want stierf een vader jong en werd een kind opgevoed door de nieuwe man van moeders, werd diens naam ook nog wel eens als patroniem gebruikt.

 

            Hij - die Pa van Cornelis bedoel ik - moet ter wereld gekomen zijn tussen 1625 en 1650, jaren waar later het etiket 'Gouden Eeuw' op is geplakt. Hij leverde een reeks aan roemruchte figuren op, waarvan ik er een paar noem. Beroemde schilders leefden hun levens er in, zoals Rembrandt van Rijn en Jan Steen. Tijdgenoot Jacob Cats schreef zijn moraliserende gedichtjes en kon trots constateren dat zijn gedachten spinsels door zowat de hele Nederlandse bevolking als standaardmening werd verkondigd. En illustere zeelieden als Maarten Harpensz. Tromp en Michiel Adriaensz. de Ruijter kwamen tot heldendom en vierden hun grootste triomfen.

 

Daarnaast had de periode - die het voorportaal vormde van de leef-tijd van Cornelis - niet in de laatste plaats zijn naam te danken aan door slim koopmanschap verkregen kapitaal. Het saldo van de staatskas zag er rooskleurig uit en had dat voor een belangrijk deel te danken aan de scheepvaart. De reizen die onder het gezag van de VOC (Vereenigde Oostindische Compagnie) werden gemaakt spraken het meest tot de verbeelding, omdat het tochten naar exotische verre gebieden betrof. Begrijpelijk ook, want het is tenslotte de onderneming die de 17e eeuw - en Nederland - roem zou brengen als miljoenenbedrijf en eerste multinational ter wereld. Toch is het in feite zo, dat Nederland zijn rijkdommen dankte aan de Oostzeehandel.(3)

 

'In de 17e eeuw was Nederland de groote importeur en koopvaarder van Europa. Het geheele werelddeel werd door den Nederlandschen koopman, van goederen uit Oost en West voorzien. De Nederlandschen Maagd genoot volop van hare krachtige glanzende jeugd. Zijn goede naam dagteekende niet van vandaag of gisteren. Reeds in 1645 getuigde de Deensche Resident te 's-Hage, Martinus Tancken, daaromtrent:

 

"De inwoonders der Vereenichde Nederlanden hebben eerstelick grooter experientie aengaende de Schipvaert, dan de Oosterlinghen (bewoners van de Oostzeekusten) uyt welcke havenen die oock vaeren, connen oock met minder volck haere schepen regeeren.

 

 

Houdende op haere schepen beter mesnagie, ende geven aen het scheepsvolck minder Tractement welck Schipvolck in Hollandt ende Vriesland overvloedich is te becomen ende in de Oostersche (=Oostzee) Steden daerjegens seer raer, Sulcx dat men het daer voor hout, dat een Hollants schip met ses mannen geregeert can werden, daer een schip van gelijkcke groote van de Oosterlingen meer dan thien van noode heeft".' (1, waarin de schrijver S. Haagsma - G.W. Kernkamp aanhaalt, die op zijn beurt Martinus Tancken citeert. Pf)

 

Koopvaarders die het Oostzee gebied bezeilden brachten ons basisproducten voor de bouw van schepen, zoals hout, teer, staven (voor ijzer) en hennep (voor touw). Verder waren de meegebrachte granen pure noodzaak voor de voedselvoorziening in ons land. Beide aspecten zorgden ervoor, dat het de Moedernegotie werd genoemd; een handel die - zoals gezegd - al met al behoorlijk winstgevend was, en die een degelijke financiële basis had gelegd voor de verre vaarten van de VOC schepen.

 

            Niet dat alles nu pais en vree was. Er werd een hele reeks oorlogen uitgevochten en het jaar 1672 staat zelfs te boek als een historisch rampjaar voor de Nederlanden. We werden belaagd door zowel Engelsen als Fransen en de keurvorsten van Keulen en Munster hadden zich daar ook nog eens bij aangesloten. Over die tijd leerden wij: de regering was radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos.

 

            Dat laatste bleek gelukkig niet wérkelijk het geval. Buiten de steun die we ontvingen van o.a. 'erfvijand nummer 1'  Spanje, hadden we een paar kloeke mannen van eigen kweek in huis die in staat waren onze problemen aan te pakken. Buiten de zeehelden die ik net noemde, was daar onze Stadhouder Willem III, evenals politiek zwaargewicht De Witt. Al liep het met de laatste niet goed af. Dat kwam zo.

 

            Het volk was dus redeloos. Zelfs zo onredelijk, dat men de briljante De Witt de Zwarte Piet toespeelde en in hem - onterecht - de grote boosdoener zag. HIJ had verkeerde beslissingen genomen. HIJ was de aanstichter van alle kwaad. De échte helden keken ‘toevallig’ net de andere kant uit en dus sprak niemand de meute tegen die zich tegen hem keerde. Het kwam ze wel goed uit dat er een uitlaatklep gevonden was voor de agressie die er leefde onder het volk, dat daarop De Witt in dat rampjaar 1672 eigenhandig ver-moordde. Gelukkig ontpopte stadhouder Willem III zich steeds meer als een groot poli-ticus. Hij schopte het in 1689 - met de Engelse Maria Stuart als moeder - zelfs tot koning van Engeland, waardoor Nederland uit die hoek voorlopig niets meer te vrezen had.   

 

            Deze periode kenmerkt zich verder door wat nu de ''kleine ijstijd'' genoemd wordt en die zo ongeveer - over de aan- en afloop ervan zijn de meningen nogal verdeeld - duurde van 1430 tot 1850. Volgens het KNMI althans. Stel je daarbij geen zomerse schaatstaferelen voor, want dat zou zwaar overdreven zijn. Wel waren de winters over het algemeen strenger dan gewoonlijk en lag de gemiddelde temperatuur wat lager dan normaal. In het eerste kwart van de 17e eeuw - toen de ijslagen nog dik genoeg waren - zag je een soort zeilschepen met ijzers er onder op de bevroren plassen verschijnen, waarvoor zelfs koninklijke belangstelling bestond.

 

           

De meesten hielden het bij simpeler vermaak. Kolven was al sinds de 13e eeuw een geliefde bezigheid én schaatsen vanzelfsprekend. Rijk of arm, op het ijs leek iedereen wel gelijk. Dichter Hugo de Groot schreef een veelzeggend gedichtje over een edelman die op het ijs aan de rol ging met een boerendeerne; normaal gesproken een uitgesloten samen-zijn! Ook Vadertje Cats hief de waarschuwende vinger en waarschuwde dat 'midden in de kou de jonge lieden branden.'

 

Over Nederlanders zeiden ze niet voor niets: 'Als het vriest, ontdooien ze.'

 

            Veel schilders hebben zich door die koudere winters laten inspireren en maakten plaatjes van prachtige winterlandschappen, van ijspret en van uitglijdende dames die - neem ik aan - onvrijwillig met de billen bloot gingen. Ik stel me zo voor, dat voorvader Cornelis ergens tussen kind en knaap was in het jaar 1679 toen het op 'den 5 febrijwarij soo kout als het bij menschengedencken noeijdt geweest hadt des sondaghs.'

 

Maar is het zo langzamerhand niet de hoogste tijd voor een ontmoeting met Cornelis?

De eerste keer dat we hem tegenkomen, is in zijn toenmalige woonplaats, de stad Workum. Kijk, daar staat ie bij de Dominee om zijn ondertrouw met Baukjen Jurjensdr. Nauta uit Woudsend vast te laten leggen. Aan haar nautische achternaam kun je wel zien dat ze uit een geslacht met luister- en waterrijke lieden moet komen. We schrijven het jaar Onzes Heren 1696. En zo staat het beschreven:

 

'Den 3 Maart Cornelis Jellis Van Workum en Bauck Jurriens van Woldsendt en zijn met Attestatie na Woldsendt gaan trouwen'.

 

Over dat 'Van Workum' achter zijn naam moet ik je nog even iets vertellen. Het enige dat je daaruit kunt opmaken, is dat Cornelis op het moment van zijn ondertrouw, inwoner van Workum was. Niet dat hij er ook werd geboren! Inschrijving in het doopregister van de Hervormde Gemeente van Workum heb ik tenminste niet kunnen vinden. En laten dat nu net de gegevens zijn die je nodig hebt om zeker te weten wie zijn vader was. Dan heb je gelijk de reden te pakken van wat je al eerder begreep: over verste vader Jelle weet ik verder (nog?) niks.

 

Bij feiten moet je je uiteindelijk neerleggen, al is het dan met frisse tegenzin. 'As 't net sile wol, moat men levearje' tenslotte en op basis van wat we nu weten is het volgende beeld op te bouwen.

 

Ondertrouw in Workum dus, voor Cornelis en Bauckje, waarna het gebruik was op drie verschillende data een proclamatie uit te geven. Eigenlijk niet meer dan een openbare aankondiging van het huwelijk dat aanstaande was; meestal aan de deur van de kerk opgehangen of in de zondagsdienst gememoreerd. In die kennisgeving periode zouden eventuele tegenstanders van het huwelijk hun bezwaren nog kenbaar kunnen maken.

 

Wat dat dan wel kon zijn? Van alles eigenlijk. Had een man al een jongedame ten huwelijk gevraagd en wilde hij plotsklaps een ander trouwen, moest de bruiloft wachten. 'Gespierd' is een andere term daarvoor, wat letterlijk betekende dat de mogelijkheid tot een huwelijk werd 'begrensd', tot er meer duidelijkheid was over de situatie.

Soms gebeurde het ook, dat een reizend persoon - een zeeman bijvoorbeeld - al getrouwd was en in een andere stad nog een andere schat beloften van trouw deed. Bleek iemand die escapade te doorzien, werd er uiteraard gespierde taal gesproken en kon de sailor het verder wel vergeten van twee walletjes te eten.

 

Er kwamen geen bezwaren binnen tegen het voorgenomen huwelijk van déze bruid en bruidegom, dus werd er op 26 april 1696 getrouwd in het 17e eeuwse Woudsend, waar de bruid was geboren. De officiële kerkelijke handelingen werden verricht door een jonge dominee waar ik je even aan wil voorstellen: Rinso Haanstra. Aangenaam. Sinds 4 jaar verzorgde hij er de zondagse preken, in de kerk die in 1660 gebouwd was op de funda-menten van het oude klooster. Dat stond duidelijk te lezen op de eerste steen, die was gelegd door de jonge zoon van de toenmalige Grietman, Duco Burmania.

 

Maar nu stond Cornelis dan voor God en Gemeente, die getuigen waren geweest van de woorden van liefde en beloften van trouw die hij had uitgesproken tegenover zijn geliefde Bauckje. Hij keek eens naar het fraaie vers dat bij het orgel geschreven stond, waarvan de laatste juichende klanken langzaam wegstierven. Het luidde:

 

Dit orgelspel, dees tempelgift,

Door een opregte liefdedrift

Van Woudsend's dankbaar volk geschonken,

Moet bij het nedrig kerkgezang

De Godgeheiligde aandacht lang

Tot 's Hoogsten lof en liefde ontvonken.

Zoo strek dit kunststuk meer en meer

Gods Huis tot nut, Gods naam ter eer.

 

Daarmee was de dienst geëindigd en kon het huwelijksbootje van Cornelis en Bauckje van wal steken in Woudsend, waar wagenwegen nog waterwegen waren.

 

De dominee noteerde voor de volledigheid het heugelijke feit in het 'Naem-Register van de personen de welke haer voor Christi genaeden alhier in onse kercke tot Woldsent cum annexis van mij Rinso Haanstra Eccles: ibidem in haren houwelijken staet hebben laten bevestigen' en schrijft met vaste hand:

 

'Ao 1696 Den 26 April, Cornelis Jellis  van Workum, ende Bauck Jurjens van Woldsendt.'

 

Cornelis moet van huis uit al gelovig zijn opgevoed. Als je naar een andere plaats verhuisde, terwijl je in je eigen kerk al 'belijdenis des geloofs' had gedaan, kreeg je van je oude dominee een getuigschrift mee (een attestatie noemden ze dat) voor de nieuwe. Zo wist de gemeente waar je als nieuweling terecht kwam, dat het wel goed met je zat. In dit geval was de boodschap bestemd voor dominee Rinso, die deze bevestiging op zijn beurt voorlegde aan ouderlingen en diakenen; de medegezagsdragers binnen zijn gemeente. 

 

 

 

 

Een aantal maanden na de bruiloft, schreef hij het persoonlijk bij, in de annalen van de Woudsender kerk:

 

'Op 3 december 1696  den kerkenraet vergadert zijnde, zijn hier na aenroepinge van des heeren naam vertoont den Attestatie de eene van Hitje Ates, tegenwoordige huijsvrouw van de outs. Hessel Johannes, komende van Goutum; de andere van Dirck Dirksen Nauta, Mr. Chirurgijn ende Crelisje Martens sijn wijf, komende van Sloten; de derde van Cornelis Jelles, komende van Workum. Hier meede is de kerken-raet met dankzegging tot Godt Almagtig gescheijden.' Nu was Cornelis eindelijk zowel inwoner van Woudsend, als lid van haar geloofsgemeenschap.

 

Rinso Haanstra's leven zou vrijwel parallel lopen met dat van hem. Beiden begonnen zij in die dagen een nieuw leven in Woudsend en startten er een familie. Geen wonder dat hij elk rouwtje en trouwtje van het gezin van Cornelis en Bauckje van dichtbij zou meemaken. En dat gold uiteraard ook voor de borelingen, die hij zou dopen. De eerste daarvan - het is nu 1697 - waarmee het paar werd verblijd, kwam 9 maanden na hun huwelijk ter wereld. Zoals dat eeuwenlang de gewoonte was, kreeg het jongetje - als oudste zoon - de naam van de grootvader van vaderskant en dus overhandigde Cornelis hem trots aan dominee Rinso, die de kleine op 26 januari van dat jaar JELLE doopte.    

 

Hij was het ook, die drie maanden daarna in zijn regelmatig handschrift de dag van Bauckje’s feestelijke belijdenis vastlegde, waarmee zij als volwaardig lid van de Woudsender kerkgemeenschap werd geaccepteerd: 'Op 29 april 1697 den kerkenraet vergadert zijnde, zijn na den roepinge van des heeren naem ontboden 1. Bauck Jurjens, huijsvrouw van Cornelis Jelles, ende Aefke Sijbes, huijsvrouw van Himme Clases, dewelke op de belijdenisse haers geloofs tot de gemeenschap onser kerke zijn aengenomen. 2. Is de kerken raet vertoont, de Attestatie van Riemke Douwes Hoitinga, huijsvrouw van Ds. Rinso Haanstra, predicant alhier.'

 

Dat 'alhier' is natuurlijk Woudsend, waar omstreeks deze tijd - het laatste kwart van de 17e eeuw - aan wat nu de Molestrjitte heet de molen Het Lam werd gebouwd. In een later stadium zouden de zwager van Bauckje, Jelle Cornelis Hollander en haar zusje Haentzen Jurjens Nauta eigenaars van deze koren- of rogmolen worden. Een achtkante bovenkruier monnikkorenmolen met stelling, om het helemaal correct te zeggen.

 

Nu ik er over nadenk: dat zou best eens de manier geweest kunnen zijn waarop Cornelis zijn Bauckje had ontmoet! Laten we eens aannemen dat hij een Koopvaarder was en uit Polen of Duitsland afkomstige granen leverde aan de molenaar van Het Lam.

 

Hij voer op een Smak, ''een groot en  boeierachtige vrachtschip met een grote mast en een bezaanmast, bestemd voor de Westeuropese kustvaart'' (15). Omdat dit type vaartuig maar een kleine diepgang had, kon hij zijn schip midden in Woudsend aanleggen.

 

En het laatste stukje, vanaf het water naar de molen? Daar verdienden de korendragers hun brood.

 

 

Zijn werk zat er op, dus trok hij de stoute schoenen aan, poetste de gespen tot ze blonken en maakte de wandeling van de Eewal naar de molen. Een ontmoeting met de molenaar was altijd handig en kon misschien weer voor nieuwe opdrachten zorgen. Maar onderweg liep hij een leuk famke tegen het lijf. Dat bleek koren op hun molen, . . . . .  en zó is 't gekomen. Misschien dan hč! Want het vervelende is dat ik geen harde feiten heb over zijn besognes en of hij wel schipper was.

 

Als je er van uitgaat dat je een beroep min of meer erfde - vader slager, jij slager - (en je ként zijn zonen inmiddels!), dan zit daar wel enige logica in, vind je niet? En met woon-plaatsen als Workum en Woudsend in zijn bagage, heeft hij - zo goed als zeker - een aan het water gerelateerd beroep gehad. Bovendien waren handel en drijven al sinds jaar en dag zowel broederlijk, als succesvol met elkaar verbonden.

 

Alhoewel Workum, de plaats waar Cornelis tot zijn huwelijk gewoond had, niet direct aan zee lag, was de stad volop betrokken bij de handel op het water. Dat kon omdat er een brede waterweg die It Soal heette van de stad naar de Zuiderzee liep. Anno Nu is hij - in gedempte vorm - de winkel- en hoofdstraat. 'Vooruitgang' noemen ze dat. Workum herbergt sinds die vroege tijden ook haar scheepswerf De Hoop. Al met al dus niet onmogelijk dat hij ooit met een schip vol handel Woudsend aandeed en zich daar een bruid vond.

 

Zie je Friesland in 2003, denk je niet direct aan een zeevarende bevolking. Maar mensen die het weten kunnen schrijven: 'Opmerkelijk toch is het groot aantal Friezen, zoowel van het platteland als uit de steden, welke in dien tijd en ook later, in verschillende rangen op Hollandsche, vooral Amsterdamsche schepen voeren of bij de Oost-Indische Compagie in dienst waren, terwijl menig Friesche koopvaarder zijne vrachten in Holland vond.'(1)

 

Een constatering overigens, waaruit een wederzijds respect spreekt tussen Friezen en Hollanders.

 

Het jaar 1698 gaf opnieuw aanleiding tot dankbaarheid in het gezin van Cornelis en de 25-jarige Bauckje toen er een tweede gezonde zoon werd geboren. Hem noemden ze Roelof en ook hij zou later een varend leven gaan leiden. Nederland vervulde in zijn geboortejaar nog op verschillende fronten een voorbeeldfunctie, waarbij onze scheeps-bouw zelfs in de belangstelling stond bij de machtigste man van Rusland, Tsaar Peter de Grote. Die trok een ouwe buis aan en ging in de leer bij de scheepsbouwers die rond de eeuwwisseling op werven in Zaandam en Amsterdam werkten, waarna hij de opgedane kennis kon doorgeven aan zijn onderdanen.

 

Vooral Amsterdam kon rekenen op zijn bewondering en daarom besloot hij de vorm-geving ervan ''na te bouwen''. En het moest ook nog aan een water zijn, het liefst zoiets als de Amstel. Die plek was snel gevonden en zo bouwde hij - vanuit het niets - zijn naamstad Sint Petersburg aan de Neva, een klus die in 1703 voltooid zou zijn. De eerste die na alle noeste arbeid de rivier stroomopwaarts zeilde was een Friese schipper: Auke Wybes uit Hindeloopen. Zijn reisdoel was St. Petersburg, de stad die uitverkoren was door Tsaar Peter de Grote en waarheen hij 'de geheele scheepvaart en handel van zijn uitgestrekte rijk wenschte te verleggen.' (1)

 

'De Czaar was op de ontvangst van het bericht dat er zich eene groote Nederlandsche fluit aan den mond van de Neva vertoonde en koers zette om de rivier op te zeilen, zóó verrukt, dat hij zelf het schip met eene sloep tegemoet voer en het door de zandbanken heen, naar 'n veilige reede loodste.' Vervolgens werd de schipper uitgenodigd de maaltijd met hen te gebruiken en dáár kreeg hij pas te horen dat het de Tsaar zélf was geweest die hem had binnengeloodst. Peter de Grote op zijn beurt hoorde toen, dat het 'zijne Zaandamsche vrienden Calf waren die het schip hadden bevracht en hem nu deze verrassing hadden bereid', een gebaar dat hij bijzonder kon waarderen van deze reders familie. (1)

 

Aan deze actie heeft schipper Auke Wijbes trouwens nog heel wat plezier beleefd! Hij mocht zijn handel voortaan tolvrij verkopen. Verder kreeg hij bij elk volgend bezoek geschenken én voorrang om in de haven het eerst geholpen te worden, wat een hoop tijdwinst opleverde. Een recht overigens, dat daarna zijn zoon en vervolgens zijn kleinzoon Peter - die naar de Tsaar vernoemd was - erfden. Toen de laatste genoeg meende verdiend te hebben en het varen er aan gaf heeft hij het schip waarvoor dit privilege gold, de ''St. Petersburg'', niet verkocht, maar laten slopen, omdat hij het niet netjes vond 'om ook anderen in de aan de familie geschonken privilegiën te doen delen.' (1)

 

Er waren meer zaken waarover wij veel knowhow in huis hadden, die de Tsaar goed kon gebruiken. Betreffende de ontleedkunde werd er in ons land bijvoorbeeld al vele jaren kennis opgedaan inzake de inwendige mens, in een wetenschap die ''pathologische anatomie'' heet. 'Wij waren op dat gebied zo uniek in de wereld, dat Tsaar Peter de Grote, ter bevordering van de wetenschap in Rusland, omstreeks 1698 een grote verzameling organen op sterk water kocht van de beroemde Amsterdamse anatoom professor Frederik Ruysch. Helaas kwamen de meeste preparaten in bedorven toestand in Rusland aan, omdat de zeelui onderweg de alcohol uit de potten had gedronken.'  (19)

 

Ja, spoelt u maar . . . . .

 

Goed, díe mannen hadden er dan misschien niet zoveel kijk op. Maar beroemde schilders - de fotografen van hun tijd - verbeeldden trots de prachtigste opengesneden en/of gefileerde lijken, waarvoor regelmatig ter dood veroordeelde boeven werden gebruikt. De wetenschap heeft veel te danken aan die jongens, al klinkt het wat luguber allemaal. Maar hadden de artsen toen niet geoefend, ging je nu nog dood aan een blindedarmontsteking. En het is op z'n minst bewonderenswaardig dat een belangrijk man als Tsaar Peter de Grote zich niet te trots voelde kennis te vergaren op terreinen waarbij - en bij mensen in wie - hij zijn meerdere erkende.

 

Terug naar Woudsend nu, een plek die in sommige opzichten lijkt op veel andere dorpen. De mensen kenden elkaar en als het zo uitkwam werd er geruzied en geroddeld. Soms liep dat zo hoog op, dat er derden aan te pas moesten komen om de onenigheden op te lossen en wie waren daar beter voor toegerust dan de kerkelijk leider en zijn hulptroepen. Ontzagwekkend. Onaantastbaar. Onkreukbaar. Ongelofelijk!

 

Zo zijn er op zeker moment wat vrouwen - Godvrezende leden der kerkelijke gemeenschap - die onderling mot hebben. Een serieus probleem, dat met wortel en tak uitgeroeid dient te worden. De dames worden ontboden, de ouderlingen opgetrommeld en ook de dominee geeft acte de présence. Aldus, de 'Kerkenraet vergadert zijnde na aenroepinge van des heeren Gods naem Ontboden drie susteren onser gemeente, dewelke onder malcander verschil hebben.' Er wordt flink wat heen en weer gepraat, maar dankzij 'het tusschen spreken van de kerken-raet is het selve weghgenomen, ende zijn onderlinge versoent.' Missie volbracht en afge'soent'.

 

De schoolmeester van het dorp - Eelke Tjeerds -, had ook al een akkefietje. Hij liet het kerkelijk gezag opdraven, omdat hij er van baalde dat er over hem werd ‘ge ouweneeld’. Hij verrichtte zo hier en daar werkzaamheden voor de kerkenraad, dus dat geklets kon hij niet aan z'n kop hebben. De vermeende roddeltante werd er bij gehaald en dan ontspint zich de toedracht, waarvan wordt verhaald in de notulen:

 

'Op de begeerte van onse school-meester E. Tjeerds ontboden Rinske Simons ter oorsake, dat sij van hem in de visitatie verhaelt hadde, dat hij onlangs was dronken geweest: sij daer op voor ons verschenen is, dit haer voorgedragen zijnde, ontkende dat verhael niet waer seijnde, dat hij van andere sulx gehoort hadde, maer nu  niet weetende, van niet: waerop de kerken-raet, dit aen de meester voorhoudende, en hij betuijgende versekert zijnde dat hij ten onregt hier meede beschuldigd wierde.'

 

Dat was dan maar weer vastgesteld:  schoolmeester écht onschuldig, Rinske écht niet gekletst, probleem over. Dus, stelt Rinso verheugd, 'aenstond zo sake (onder voorsegde), soo verre door haer tusschen-spreeken gebragt heeft dat de beijde in onser aller prasentie onderlinge zijn versoent ende bereedigt, selfs door hantlangenge.'  Kijk aan, verzoend en tot rede gebracht en elkaar zélfs een hand gegeven. Da's mooi!

 

Toch krijgen Meester en Rinske nog een standje, want wérkelijk, de mannenbroeders hadden wel wat anders te doen dan dit soort probleempjes te moeten oplossen. De raad krijgt daarop 'deeze verdere mondelijke belofte, om de en anderen in t foerkomende niet wederom voor de kerkenraet waer te doen komen, naer aen malcanderen sulx bekent te maken, ende onder malcanderen (soo doenlijk) te versoenen, soo de eene ijets moge hebben tegen de anderen, waer toe haer de zegen des Alderhoogsten is toegewenscht.' Amen.

 

Het einde van het jaar 1700 brak aan. Voor Cornelis en Bauckje zou dit de vreemdste jaarwisseling worden die ze ooit gingen meemaken, omdat de Friese overheid wilde overgaan op het gebruik van de Gregoriaanse kalender. De tijd moest daarvoor een tussensprintje maken en er zouden een paar dagen moeten verdwijnen. Op die manier zou men gelijke tred gaan houden met een aantal andere provincies, die of al sinds 1582 de Gregoriaanse kalender hanteerden, of dat rond deze tijd ook zouden gaan doen.

 

Zo stapten ze op 31 december van het jaar 1700 in bed, om de volgende ochtend op 12 januari 1701 hun  bed uit- én de 18e eeuw in te rollen. Veel Friezen lieten zich die 11 dagen niet zomaar afnemen en vertikten het eenvoudig die ''verdwenen'' etmalen in te leveren!

Je bent dit fenomeen vast al tegengekomen bij een van zijn nazaten. Zaken als het betalen van de huur, de start bij een nieuwe baas, en nog veel meer gebeurtenissen, vonden als gevolg van deze "andere inzichten" nog heel wat jaren plaats op de 12de van de maand en niet op de eerste. In Friesland zou dat tot in de 20ste eeuw zo duren!

 

Maar kijk eens wat een nuttig gebruik Cornelis en Bauckje hebben gemaakt van die "lange" nacht: negen maanden later worden ze verblijd met hun dochtertje Beeuw, genoemd naar Bauckje's moeder.

 

Dat was me overigens het jaartje wel, dat 1701. Er werd weer eens overlast ondervonden van overstromingen door dijkbreuken als gevolg van de woeste stormen die over Fries-land joegen. Met angst en beven werd afgewacht of de dijken rond hun woongebied het zouden houden. Op 17 oktober begon de grote angst, die tot 19 oktober zou duren. Een groot deel van zuidelijk Friesland werd door het zeewater overspoeld, doordat de Woud-dijk het begaf. Al sinds eeuwen was het bij dreigende overstromingen de gewoonte een schuilplaats te zoeken in de hoog gelegen kerken. Daar bivakkeerden ze tot het water zou zakken en vonden steun bij hun geloofsgenoten. 

 

Binnen de dorpen en steden was je er sowieso bij gebaat ''bij de groep'' te horen. Gedroeg je je netjes, kon je meestal een zelfde behandeling terug verwachten. Raakte je buiten de boot, lag het anders. Dan moest je je zonder bescherming van een sociale of kerkelijke kring maar zien te redden buiten de dorps- of stadsgrenzen en was je over-geleverd aan landlopers en vagebonden. Rondreizende bedelaars presteerden het zelf het initiatief te nemen en je te dwingen je geld af te staan, waardoor de scheidslijn bedelaar/

dief knap vervaagde.

 

Zo zwierf er allerlei gespuis rond. Moordenaars, geweldplegers, van allerlei uitschot kon je tegenkomen. Mensen die het zo bont gemaakt hadden werden verbannen uit hun stad en mochten geen stap meer zetten voorbij de ban palen. Let maar eens op, je ziet ze nu nog wel eens staan, aan oude dijken, of langs eeuwenoude bospaden; naaldvormige, mans-hoge monumenten uit vervlogen tijd. Omdat dit volk toch ergens aan de kost moesten komen, hadden ze het vaak voorzien op de minder beschermde omgeving van de dorpen.  

 

Maar er zaten ook arme stumpers tussen, die verrekten van de honger en voor hun kinderen alleen wat brood hadden gestolen. Ook dan was de straf onafwendbaar, want voor fouten bestond geen mededogen. Maakte je je schuldig aan een vergrijp, was het krijgen van stokslagen wel het minste dat je kon verwachten. Je werd in het openbaar gebrandmerkt,  je oor werd afgesneden, of je kreeg een knip in je neus. Als je dat nog wáárd was dan. Er werd een grote creativiteit aan de dag gelegd. Alles was okay, als het maar een fijne, goed zichtbare verminking opleverde.

 

Iemand te kijk zetten aan de schandpaal was ook wel "in", waarna je de akeligste verwensingen over je heen kreeg. Als je mazzel had tenminste. Had je dat niet, vormde je hoofd de roos van een onterend dartsspel en fungeerden kluiten aarde, rotte eieren, of - ook wel geinig! - stenen als pijlen. Voor het maken van eenduidige fouten als die van genoemd slachtoffer krijg je vandaag de dag minstens 10 uur taakstraf. Als het procedureel allemaal snor zit dan. Het kan verkeren.

 

Gevangenisstraffen werden bijna niet gegeven. Die instelling was er alleen als wachtkamer op weg naar de berechting, die bij voorkeur in het openbaar werd voltrokken. De doodstraf was heel gewoon. Dieven werden opgehangen en hun lijken werden als afschrikwekkend voorbeeld tentoongesteld. Het liefst langs de inkomende route naar de betreffende plaats. Dan wisten bezoekers maar gelijk waar ze aan toe waren.

 

Terechtstellingen waren familie-uitjes, die druk werden bezocht op evenementen als jaarmarkten en kermissen. Er werden ballades op gemaakt en levensliederen over gezongen. Liefst met een tekst waarin de ter dood veroordeelde ''zelf'' aan het woord kwam, zodat je je wat prettiger kon inleven. Onze man in Woudsend zal daar helemaal niet gek van opgekeken hebben, al zullen de terechtstellingen zelf wel uitgevoerd zijn in de grotere steden.

 

Je kent de veronderstelling dat Cornelis de kost verdiende als koopvaardijschipper. Dan zou hij ook dezelfde gebieden bestreken kunnen hebben als later zijn zonen dat zouden doen, van de Oostzee, tot Frankrijk of nog verder. ''Officieel'' begonnen Friese schippers zo rond 1710 op deze trajecten te varen, maar er moeten eerdere momenten zijn geweest waarop ze de omgeving bezochten. Hoe wisten ze anders zo goed dat er een lieve duit te verdienen was. Het lijkt daarnaast logisch, dat Cornelis - als vader - later zijn zonen met goede raad bij kon bijstaan, dankzij zijn eigen ervaringen.

 

Klopt ook met de verzekeringspapieren die je straks nog zult tegenkomen.  

 

De handel in de 17e eeuw, die de koopvaardij in Nederland goedgezind was geweest, begon aan het einde ervan terug te lopen. Friesland had meegewerkt aan- en meegedeeld in al die voorspoed en zou over het algemeen de 18e eeuw ook goed doorkomen. Maar zeker is 'dat de tegenspoeden, welke de algemeen Nederlandsche koopvaardij gedurende dit tijdvak troffen, ook aan die van dit gewest niet bespaard zijn gebleven.' (1)

 

Het gezegde mocht dan zijn 'De slimste pleagen foar in skipper binne een lek skip en in lilk wiif,' het lijdt geen twijfel dat zeelieden aan heel wat ernstiger gevaren bloot stonden. Kapitaalverlies was er één van, maar het verlies van je leven was ook niet denkbeeldig. 'Gedurende den in 1702 uitgebroken Spaansche Successieoorlog, maakte de Fransche Ridder de Forbin de zee onveilig, tastte telkens onze koopvaarders, ja zelfs meer dan eens geheele handelsvloten aan, terwijl de talrijke Fransche kapers de kroon op het werk zetten.' (1) Hoe het een paar van zijn zoons later met dit soort geboefte is vergaan, heb je misschien al gelezen.

 

Natuurlijk, de bemanning van de oorlogsschepen die de koopvaarders moesten verdedigen, muntten uit door 'manlijke kloekheid en zelfopofferende plichtsbetrachting, doch niet altijd was het succes aan hunne zijde en ook menig onbeschermd koopvaarder viel in handen der kapers.' (1) Onbeschermd (tussen haakjes), omdat menig kapitein het geduld niet kon opbrengen te wachten tot al zijn collega's verzameld waren en maar alvast vertrok om zo weinig mogelijk tijdverlies te hebben. Bovendien, wilde je vrijheid van handelen hebben, duldde je geen vakbroeders in je vaarwater.

 

Voor de kapitein/koopman bleek de balans uit economische overwegingen vaak door te slaan naar de financiële voordelen en werden de gevaren op de koop toe genomen. Het kon nu eenmaal ''Friezen'' of dooien.

 

Later - in 1713 - zou er dankzij de vrede van Utrecht van Franse kant geen dreiging meer zijn op het water, maar echt rustiger werd het er niet op. Voor de verandering brak er nu een oorlog uit in het Noorden. Daar waren wij weliswaar niet rechtstreeks bij betrokken, maar het had toch gevolgen voor het scheepvaartverkeer in het Baltisch gebied. Deze keer was het de 'Zweedsche kaapvaart, die vriend noch vijand ontzag en de Noord- en Oostzee deed wemelen van openbare piraterijen en zeerooverijen.' Toen in 1718 eindelijk de vrede in Zweden terugkeerde, was ons land inmiddels in 1716 tegelijkertijd in oorlog geraakt met Algiers en Marokko 'die nu weer lustig op onze koopvaarders begonnen te kapen.' (1)

 

Maar nu lopen we wel erg op de zaken vooruit. In privé omstandigheden is het voor Cornelis en Bauckje een tijd van afwisselend vreugde en verdriet. Hun enig dochtertje Beeuw sterft en in september 1703 wordt het zusje - dat dezelfde naam krijgt - geboren.

 

Kort daarop zou blijken dat het niet alleen zeerovers of piraten waren die boevenstreken uithaalden. Okay, regels zijn regels, weet ik ook wel. De man in het nu volgende waar-gebeurde verhaal staat ook gerust in zijn recht. Technisch gesproken dan. Maar moreel? Oordeel zelf:

 

December 1703 begon in Friesland met orkaankracht en op de 3e dag van de maand trof de koopvaardijvloot van Hindeloopen een zware slag. Een hevige storm sloeg 23 schepen die voor de stad lagen van hun ankers, waarna ze tussen Zuriger-oord en Ferwoude op 't strand werden gekwakt. Een geweldige schadepost en regelrechte ramp voor de schip-pers, die meestal zowel koopman als deeleigenaar van de schepen waren. De Grietman van Wonseradeel - Tjaard van Aylva - vond dat hij 1/10 van de waarde van de schepen mocht opeisen. Jammer voor de schippers, vond hij, maar zo waren de strandvonders regels nu eenmaal.(1)

 

'Dit kan niet waar zijn', moeten de mannen gedacht hebben en ze protesteerden bij het Hof van Friesland, dat wel begrip kon opbrengen voor de klacht van de schippers. Het Hof bedacht een wijze truc: De Grietman werd verplicht tegen iedere schipper afzonder-lijk te procederen. Dat werd zelfs hem te gek en de Grietman 'geen lust gevoelende om 23 afzonderlijke processen op touw te zetten, liet daarop zijn eisch varen.' (1)

 

Het jaar daarop bracht een nieuw gezicht in de groeiende familie, toen ze hun zoon Reinder verwelkomden. Hij werd op 9 november 1704 in Woudsend gedoopt, een gebeu-ren dat samen viel met de periode waarin aan het oorlogsfront (lees: grotendeels op 't water) nog altijd die Spaanse Successie oorlog woedde. Nederland spande daarin samen met de Engelsen en de Portugezen. Op dat moment dan. Want je moest er helemaal niet raar van opkijken dat, als ons land in oorlog was met een mogendheid, ze het volgende moment met dezelfde partij - als bondgenoten - ten strijde trokken tegen een gezamenlijke andere vijand. Je moest je belangen kennen tenslotte.  

 

'Zo goed als het kon probeerden de koopvaarders zich in te dekken tegen deze risico's. Dat het verzekeren van schepen en lading een essentieel onderdeel van het scheepvaart-bedrijf vormde, staat buiten kijf; het voortbestaan hing er vaak vanaf, zeker wanneer oorlogen de scheepvaart teisterden en stormen over de zee raasden. Als tegenwicht verzekerden Friese schippers zich vaak in Amsterdam. (vrij naar 7)

 

Maar dan start er een verzekeringstraditie in Woudsend, die tot vandaag de dag standhoudt.

 

'Op huijden den 23 Febrius 1705 zijn vrijwillig bij malckanderen gecompareert de gesamentlijcke zeevaerende schippers en resp(ectiev)e ingesetenen van de dorpen Wouds-Endt, Heegh en de Hommerts' omme in dese conjucture tijden van oorlogh en veel vallen-de stormwinden te overwegen wat tot conservatie en standhoudinge van ons gewoone zeevaert en respective kostwinningen nodigh en dienstigh mochte zijn, in welcx doende zijn wij te raede geworden om des te beter in staat te kunnen blieven, met advijs en consent van onsen Hoogh Ed. Heere Grietman Jo(onckhee)r Siuck Gerrolt Juckema van Burmanis te celebreren en aengaen mitsgaders op te rechten een compact onder ons onderges(chrevenen): schippers van voors(chreven): plaetzen, en dat op sodane conditien en artijckulen als hier nae g'exprimeert en uijtgedrukt zijn, wes volcht:'

 

(Dit stukje tekst bestaat uit één zin en vraagt een even lange adem als die van deze traditie inmiddels lang is. Het lijken wel verzekeringspapieren! Verder dus maar, in een verkorte eigentijdse vertaling:)

 

Ten eerste werd vastgesteld dat iedere schipper die onder konvooi op Hamburg voer, op iedere verzekerde 100 gulden aan het kantoor van het Compact 5 stuivers moest betalen. Wilde hij zo nodig zonder de bescherming ervan vertrekken moest hij 7 stuivers betalen. Dat zie je steeds terug en het lijkt ook logisch, omdat ze zélf  zo nodig die risico’s wilden lopen. Deed hij de Eijder of de Hever aan (dat waren de grensrivieren tussen resp. Sleeswijk en Holstein), betaalde hij mét konvooi 6 en zonder 8 stuivers. Boven de Eijder, op Jutland en op Noorwegen iedere reis 8 stuivers. Op Londen, Frankrijk en Duinkerken 10 stuivers en op de Oostzee 15 stuivers.

 

Waarmee we terug zijn bij de eerder gemaakte opmerking dat Friese schippers al eerder dan in 1710 de steven wendden naar de Oostzee gebieden.

 

Leden van het compact konden hun risico's verzekeren tot een bedrag van 1000 car. gld. Als één van hen verlies zou lijden terwijl er onvoldoende geld in kas was, waren de kompanen bereid dit verlies te dekken. Het uit te keren bedrag was niet zo hoog, maar de vergoeding moet je zien als een aanvullend bedrag, gedekt door de eigen gemeenschap. Een extraatje bovenop de zakelijke contracten die ze al bij anderen hadden lopen.

 

 

 

 

 

Vanzelfsprekend werden er regels vastgesteld. Leefden ze die niet na, riskeerde men een 'poena', een straf:

 

1.         Geen stiekeme reisjes zonder te betalen, anders wordt er een boete van 'twee silveren ducatons' opgelegd.

4.         En 'Dat soo ijmant zijn schip door Godts weer en windt mochte komen te verliesen ofte door de viandt gerooft ofte genomen werden,' zal een uitkering genieten van 'ijder gulden ses stvrs:, en dat van quantiteijt soo hoogh een ijder aengeslaegen staat.' Wat betekende dat er nooit meer dan 30% van het verzekerde risico werd uitgekeerd.

 

Zo staan er in totaal 21 regels in, waarvan ik je nog een paar opmerkelijke noem:

 

8.         'Dat niemant van de Compacts persoonen op de jaerlijcxe reeckendagh sal mogen vloecken noch sweeren bij poena van te elcke reijs ses strs:'

9.         'Dat oock niemandt dan een den anderen niet sal mogen schelden nochte injurieren (beledigen) bij poena van te elcke reijs twaliff strs:'

10.       'Dat van ijder vuijstslach sal betaelt worden telcke reis een silveren ducaton, en soo twee samen komen te plockhairen (knokken!) daervoor dubbelde boete betaelen.' (7+17)

 

En,  uhh, het idee dat het van die brave lieden waren moet je dus maar laten varen! 

 

In het oud archief in IJlst (nr. 228), waar dit tot stof weerkerende document van bijna 300 jaar oud te vinden is, zou je het na kunnen lezen. Het aardige is dat er een paar namen op de ledenlijst staan, die me bekend voorkomen. Ene Jelle Cornelis  staat er bij. Dat zijn naam en patroniem van de zwager van onze Cornelis: Jelle Hollander (later de eigenaar van molen Het Lam).

 

Verder kom je een Jurjen Reiners tegen. Dat kan de schoonvader van Cornelis én van genoemde Jelle wel eens zijn, ook bekend onder de achternaam Nauta. Tenslotte zie je een Jelle Jurjens (die in 1719 eigenaar van molen De Jager zou zijn), maar ook een Gosse- en een Uble Jurjens. En laten dat nou net de namen van 3 van Cornelis z'n zwagers zijn. Dan heb je wel een hoop toevalligheden bij elkaar!

 

In die familie van Cornelis en Bauckje moet de geboorte van opnieuw een meisje inmiddels met gemengde gevoelens begroet zijn. Want weer was er een dochtertje Beeuw gestorven en weer kregen ze een meiske geboren dat ze de naam van haar grootmoeder gaven. Gelukkig zou zij de dochter blijken die de volwassenheid zou bereiken. Haar doop vond plaats op 7 augustus van het jaar 1707. Leven en sterven lagen toen dichter bij elkaar dan nu. Het kwam nu eenmaal vaker voor dat kinderen jong stierven. Maar dat neemt niet weg dat blijdschap en verdriet even diep gevoeld zullen zijn als vandaag de dag.

 

Vraag jij je eigenlijk wel eens af wat ''gewoon'' inhield, ten tijde van Cornelis en Bauckje? Zoals: Wat zou er 's avonds op tafel staan? Draadjesvlees, groente en dampende aardappels misschien? Aardappels? Maar die kenden ze nauwelijks!

Vanuit Zuid-Amerika was er - dankzij de ontdekkingsreizen van Columbus - wel een soort zoete aardappel in Spanje terechtgekomen, die door de Inca's bataat genoemd werd. Komt ons woord patat nog vandaan. Maar de pieper zoals wij die kennen? Vergeet het maar. Die zou pas rond 1740 hier geďntroduceerd worden vanwege graantekorten, waar hij qua prijs en wat voedzaamheid betreft een goeie vervanging voor bleek te zijn. Via Frankrijk steeg hij in aanzien én naar noordelijker streken, waar hij zelfs ooit zou opklimmen naar de nummer 1 positie van de volksvoedsellijst.

 

En bier, ook zoiets ''gewoons'', hadden ze dat eigenlijk?

 

Nou, reken maar. Onvoorstelbaar, hoeveel bocht en eigenbrouwsels ze naar binnen kregen. Men schat het op gemiddeld zo'n 3 liter per dag per persoon. Het ontbijt van de gewone man bestond uit brood, dat werd aangelengd met bier, wat het ontbijt tot linke soep maakte. Maar ook bij lunch en avondeten dronken ze bier; kinderen incluis! Hele hordes mensen verkeerden in een voortdurende lichte tot hevige staat van dronkenschap. Bier werd door het ''gemeene volck'' gedronken als water, want dát was dikwijls zo vervuild dat het niet te drinken was.

 

En tandenpoetsen? Echt niet! Ging er wat mis met een gebit, kwam dat bier, of - sterker nog - de jenever goed van pas. Het recept was als volgt: giet de ''patiënt" vol tot een peil van volstrekte onwetendheid. Kieper hem in een kruiwagen,  holderdebolder hem naar een rondtrekkende kwakzalver en voilá! Mocht iemand een behandeling zonder alcoho-lische ondersteuning verkiezen, moest de man zich noodgedwongen met hand én tand verdedigen.

 

Ik geef toe dat Woudsend Dirck Dirksen Nauta in huis had, een Meester Chirurgijn die er samen met zijn vrouw Crelisje Martens was neergestreken. Wie weet ging hij wat meer geciviliseerd te werk.

 

Misschien assisteerde hij ook wel toen er bij Bauckje en Cornelis alweer een scheepje van de helling liep. Tot hun vreugde maakten moeder en kind het goed en Haring - mede bepalende schakel in deze stamreeks! - werd gedoopt op 16 november 1710. Vrees niet, gewoon door de dominee en niet op scheepswijze.

 

De groter wordende kinderen (de oudste, Jelle, was nu al een tiener) zullen wel in de klas gezeten hebben bij schoolmeester Eelke Tjeerds, die ze de eerste beginselen van taal en rekenen bijbracht.

 

In het dagelijks leven gebeurde er van alles, waarvan wij ons nu arrogant verbeelden dat ze ''nieuw'' zijn. Je kon verongelukken, zoals dat de Friese erfstadhouder Johan Willem Friso in 1711 overkwam. Hij verdronk in het Hollands Diep. Ziektes onder mens en dier kwamen veelvuldig voor. Pokken en cholera hebben plaats gemaakt voor SARS en AIDS en mond en klauwzeer onder de veestapel, was toen de pest. Ellende is het en ellende was het. 

 

 

 

Het jaar 1713 had de primeur van een veepestepidemie in Nederland, die ons via Rusland en Azië had bereikt. Tienduizenden dieren gingen er aan ten onder. Mensen waren geneigd dit als een straf van een hogere macht te zien en noemden het ''Gods slaande Hand over Nederland door de pest-siekte onder het rund vee'' . Op 31 juli van het jaar 1714 kwam er in het vervolg hierop een publicatie uit, van de 'Gedeputeerden van de Staten 'sLands van Utrecht, houdende verbod van den invoer van rundvee uit Friesland.' Daar hadden ze Laurens Jan Brinkhorst niet voor nodig.

 

Er werd geschreven over 'Gods wraakzwaardt over Nederlandt vertoont in de zwaare sterfte onder 'trundtvee' en las 'Klaagend Nederland bezogt met sterfte onder het rundvee en swaare storm winden, voorgevallen 26 en 27 februari en 6 en 7 maart 1714.' (16)

 

Kun je je voorstellen? Had je net een ''wraakzwaardt Gods'' achter je kiezen, krijg je nog ''swaare storm winden'' om je oren ook! Bauckje was toen zwanger van de telg die hun gezin zou completeren: Jurjen. We zullen het antwoord nooit weten, maar denk je eens in: daar zaten ze in hun dorp tussen de meren. Zouden de dijken het houden tegen de storm? Was hun huis wel dicht genoeg? Het is goed gegaan want op 5 augustus 1714 werd de jongste telg gedoopt in de kerk uit 1660, die de narigheid gelukkig ook had overleefd.

 

Nog zoiets waarvan je denkt dat het in de ‘good old days’ niet voorkwam:

 

In Leeuwarden vond de Gemeenteraad het nodig de mensen er op te wijzen dat je niet zomaar overal je rotzooi kon dumpen. En, alhoewel ze dat nog niet wisten, gevaarlijk ook vanwege de ratten die het aantrok. Samen met de voor de dood uit vluchtende gezinnen, waren zij de grootste ziekteverspreiders.

 

Daarom verzond de Raad een 'Placcaet ende waerschouwinge om geen as, fulnis, of andere onreynigheyt in de stadsvaerten, of op andere onbehoorlijkcke plaetsen te brengen.'  Goeie raad is duur, maar luisterden ze er ook naar? Of trokken ze zich er niets van aan en dachten: krijg toch allemaal de kolere, val van mijn part allemaal dood? Want dat was een wens die dan wel eens snel in vervulling kon gaan . . . . . .

 

In ''Niets Nieuws Onder De Zon'' tenslotte een laatste voorbeeld. Vandaag zou er geen respect meer zijn voor de politiek, terwijl daar 'vroeger' alleen maar ontzag voor zou hebben bestaan. Nou, hier is tenminste 1 uitzondering daarop!

 

Het jaar is 1716. Ontmoet Dr. Krul en met hem zijn visie: 

 

En die mannen, de Staten-Generaal.

Sy komen by paren,

om te vergaren in Den Haegh.

Sy drincken een glas,

sy doen er een plas,

en laten de saack soo als sy was.

 

 

 

En van de plichtsbetrachting van het ''boven ons gesteld gezag'', heeft Krul ook geen hoge pet op:

 

Sondaghs absent,

maandaghs in 't logement,

dinsdaghs present,

woensdaghs compleet,

donderdaghs niet gereet,

vrijdaghs niets gedaan,

saterdaghs na huys gheghaen.

 

Tot zover Dr. Krul, wiens rijmpjes zoals je ziet nog permanent worden geciteerd.

 

Uit deze tijd stamt een lijst, die men bewaard op het Gemeente Archief van Amsterdam. Er staan een heleboel koopvaardijschippers op vermeld, die op 13 juni 1716 onder bescherming van de admiraliteit richting Oostzee willen zeilen (Pernau-o-). Er is dan een Cornelis Jelles kapitein van het schip "d'Juffr. Christina Maria". Ik zou dolgraag willen weten of het hier gaat om onze Cornelis, maar zekerheid? Die heb ik niet. Ook toen had je al meer hondjes die Fikkie konden heten!

 

De Reëelkohieren van 1717 (inderdaad, leuker kunnen we het niet maken, wel duurder) laten Cornelis in Woudsendt zien als huurder van een ''kaemer'', waarvan de eigenaar Joseph Molkes is. Een jaar dat eindigde in rampspoed door de overstroming die later bekend werd als de Kerstvloed.

 

'In de kerstnacht van 1717 brak een hevige noordwester storm los, die het kustgebied van Nederland, Duitsland en Scandinavië teisterde. Het was de grootste vloed sinds bijna 4 eeuwen. Op het Noordelijke platteland stond het water een paar meter hoog en in de stad Groningen enkele voeten hoog. In de provincie Groningen stierven 2091 mensen en moest er worden opgetreden tegen plunderaars, die onder het mom mensen te willen redden huizen en boerderijen leegroofden. In Friesland kwamen meer dan 150 om.' (www.w8.nl)

 

Houtzaagmolen De Jager kreeg in 1719 zijn plekje aan de Ee en zou dat behouden tot vandaag de dag. Als je d'r verstand van hebt: het is een achtkante bovenkruier op vier-kante onderbouw, wat een typisch Friese molen is. Cornelis en Baukje zullen met meer dan normale belangstelling de ontwikkelingen hebben gevolgd, omdat de opdrachtgevers voor de bouw van deze hypermoderne zaaginstallatie Bauckjes broer Jelle Jurjens Nauta (later Zoethout, dankzij het goeie hout dat hij leverde) en schoonzus Geertje Dirks waren.

 

Je kunt je nauwelijks voorstellen wat een dergelijk groot 'gevaarte' - zo prominent aan de Ee gelegen - betekend moet hebben voor de dorpsgemeenschap. De aangebouwde schu-ren gaven het gebouw een nog grootser aanzien. Het water van de kolk, waar de stammen in werden bewaard, was vlakbij de deur. Het woonhuis van de eigenaars, met het ''naam-bordje'' trots in de gevel, op een paar minuten loopafstand. Veel dorpelingen hadden hun dagelijks brood te danken aan deze molen en de in hout handelende koopvaarders vonden er een goede afnemer.  

 

Dan is eindelijk het moment aangebroken, waarop we dit voorouderpaar met iets grotere zekerheid in verband kunnen brengen met de scheepvaart. Het is 1728 en één van de scheepstimmermannen van Woudsend is Obbe Haantjes. Daarnaast is hij de zwager van Cornelis, want hij is getrouwd met Swaentie, een jongere zus van Bauckje. Ze geven Obbe de opdracht een scheepscasco te bouwen, in hun tijdstaal een 'schuite hol' genoemd. Omdat daar een hoop geld mee gemoeid is, komt er een notaris aan te pas om alles juridisch waterpas te laten verlopen. Een schrijver legt vast wat er is afgesproken:  

 

            'Cornelis Jelles en Baukjen Jurriens, Echtelieden te Woudsend, bekennen en verklaren deugdelijk schuldig en ten achteren te wezen aan Obbe Haantjes en zijn vrouw, de Som van drie honderd car. gldns', voor de 'coop en leverantie van zekere Schuite hol.' Over de rekening worden afspraken gemaakt en - zoals gebruikelijk - zeggen ze Obbe toe, dat, als ze niet op tijd mochten betalen ('in cas van wanbetalinge'), hij recht heeft op de 'Schuijte' en het 'op alle plaatsen, havenen, Stromen, Rivieren en wateren, 't zij buijten of binnen-lands zal mogen aantasten, ontzeijlen, ontroeren, vervoeren, waar 't haar zal gelieven.' 

 

Was getekend: Cornelis Jelles. En Obbe Haantjes onderschrijft de afspraak met zijn 'zelfs gezette merk' (zijn kruisje), wat evenveel waard was als je niet kon schrijven.

 

Dat geeft toch te denken, vind je niet? Waarvoor hadden Cornelis en Bauckje een scheepscasco nodig? Om in te laten timmeren zodat Cornelis er mee kon uitvaren? Was hij dan inderdaad een koopvaarder, zoals we veronderstellen? Of kochten ze het om samen met anderen het schip te exploiteren in een partenrederij?

 

Nog een mogelijkheid: was het misschien bedoeld voor één van hun zonen? Geloof me, ik zocht me wezenloos naar het antwoord, maar zonder succes. Wel weten we nu dat Cornelis zich de aankoop van zo'n casco kon permitteren en dus geen onbemiddeld man was.

 

In Nederland aan Zee kreeg men met een nieuw fenomeen te maken. Sinds 1729 vormde Willem IV het opperste wereldlijke gezag over Friesland en het was onder zijn stadhou-derschap dat men opnieuw het hoofd moest bieden aan ernstige problemen. Via Zeeland waren de Nederlandse wateren bevolkt geraakt door de paalworm. Biologen opgelet: hun zondagse naam is teredo navalis, een broertje van mossel en oester.

 

Er wordt gedacht dat ze meegekomen zijn met ver reizende schepen, zoals die van de VOC. Griezels waren het, die wel tot 30 cm lang konden worden en 'gezegend' waren met de mogelijkheid al schrapend dwars door hout te vreten. Van buiten af zag het resultaat er uit als wat simpele gaatjes, maar miljarden paalwormen zorgden voor evenzoveel gangenstelsels in het houtwerk dat onze kustverdediging vormde.

 

Hun vraatzucht was zo groot, dat rond 1731 sluizen, duikers en de palen, die de uit aarde en wierplaggen bestaande dijken bijeenhielden, groot gevaar liepen. Bij de eerste storm konden ze als luciferhoutjes afknappen en er moest heel wat werk verzet worden dit te verhelpen of te voorkomen.

 

 

In gebedsdiensten werd er voor een oplossing van deze nieuwe ramp gebeden en een dominee  uit het Friese Gaast schreef er acht tijdpreken over, onder de wonderlijke titel: ''Het gezegende Nederland of een gedeelte van den in nood van overstrooming door een zeltzaam wormgeknaauw of de wormplage in 't paalwerk van de zeedijken''. (18)

 

Ook nu was het credo Ora et Labora. Bid en werk, want praatjes vullen geen gaatjes. Met schepen werden stenen aangevoerd uit Scandinavische landen. Drentse hunebedden werden ruw uit hun eeuwenlange slaap gerukt en de keien aan stukken geslagen. Extra dijken - slaperdijken genoemd - werden aangelegd achter de al bestaande. En verder kon je alleen maar hopen dat het Luctor et Emergo - ik worstel en kom boven - niet in de praktijk uitgetest hoefde te worden.

 

Al deze ontwikkelingen werden door Cornelis en Bauckje nauwlettend gevolgd, want hun leven zat vol van  raakvlakken met deze problematiek. Schepen hadden uiteraard ook te lijden onder deze hongerige plaag. Om ze te beschermen werden trucs bedacht, zoals het aanbrengen van een extra laag hout op de scheepshuid. Nog beter was het die laag vast te klinken met massa's dicht bijeen geplaatste spijkers met een grote kop. Roestvorming zou er verder voor zorgen dat de laag ondoordringbaar werd. Meerdere keren dacht men dat het leed geleden was, maar het is later toch nog een paar keer voorgekomen dat de knagers het leken te winnen. Ze hebben zich zo knap in onze samenleving gewurmd, dat er tot vandaag de dag rekening met ze gehouden moet worden.

 

Er zaten ook veel mooie kanten aan het bestaan van Cornelis. Het gevoel van overwin-ning als hij ondanks plotseling opkomende stormen zijn schip in veilige haven had weten te brengen. De wind, de zon, de golven, hij had er altijd van genoten en die liefde voor zijn vak had ie overgebracht op zijn kinderen. En met resultaat, want zonder uitzondering kozen de zonen de weg van het water en werden kapitein op een schip. Ze voeren over de Europese kustwateren als succesvolle koopvaarders en zijn allemaal terug te vinden als ze voor anker gingen in Helsingřr om een Sontpas te halen.

 

Het pad naar de toekomst van Bauckje en Cornelis was nu niet lang meer. Met de mensen van hun jaren deelden ze de herinnering aan hun jeugd. Cornelis zou zijn zonen nog veel hebben kunnen vertellen van 'vroeger', maar die ervaringen werden  ruimschoots over-spoeld door de nieuwe, waarvan zijn kinderen vertelden als ze op bezoek kwamen. En ach, waar zou ie die moderne jeugd van 1730 eigenlijk ook mee vermoeien.

 

De kring van tijdgenoten werd steeds kleiner. Zwager Jelle Hollander was inmiddels overleden en schoonzus Haentzen had het maar druk met het bestieren van de rogmolen. De januarimaand van 1733 bracht de zwaarste tik toe in het bestaan van Cornelis, toen Bauckje stierf. Dominee Rinso Haanstra - nog steeds een vaste waarde in het dorp - zal hem troostende woorden hebben toegevoegd en schreef het bericht in de boeken bij: Bauckjen Jurjens, obiit 15 januarij.

 

De laatste ontmoetingen met Cornelis lopen via officiële kanalen. Uit de Reëelkohieren van 1734  blijkt dat Cornelis Jelles - woonachtig  in Wouds-End - onder nr. 37 vermeld staat als eigenaar van een woning, waarvan de huur 14.--.-- opbracht. Daarnaast moest hij de ''5e en 6e penning'' betalen, wat neerkwam op 2-6-10.

Een paar jaar later, in 1738, is het huurbedrag hetzelfde gebleven, maar betaalt hij 1.-15.-- aan 6e en 8e penning voor dit huis.

 

Dan is ook voor Cornelis de laatste bladzijde geschreven. Aan het eind  van dat jaar gaat hij voorgoed voor anker en wordt zijn sterfdatum bijgeschreven in het lidmatenboek van de kerk in Woudsend. 'Cornelis Jelles, obiit 6 november 1738' noteert dominee Rinso.

 

Trotse ouders. Dat zijn Cornelis en Bauckje ongetwijfeld geweest. Dankbare ook, omdat het hun kinderen zo goed ging. Tijdens de zoektochten naar hun handel en wandel, ben ik al die zonen wél, maar Cornelis niet één keer tegengekomen met de achternaam De Koe. Dat zou ook pas in 1811 verplicht worden. Toch droegen zij hem al een eeuw daarvoor.

 

Maar waarom dan? Een aansteller was je en kapsones had je, als je je in deze tijd van een achternaam bediende en reken maar dat de goegemeente je dat zou laten voelen ook! Behalve? Ja inderdaad, behalve als je van rijke of van voorname komaf was! Een ding is wel duidelijk, Cornelis en zijn kinderen behoorden tot deze categorie. De familie De Koe stond wel degelijk in aanzien.

 

Waar de naam DE KOE uiteindelijk vandaan komt wordt hiermee niet opgelost. Er zijn wel opties. Ze kunnen in Woudsend een huis bewoond hebben met een gevelsteen waarop een koebeest stond. Of Cornelis had een schip dat 'De Koe' heette. Dat zou zijn kroost bombarderen tot kinderen van de schipper van De Koe. Op zich niet ongebruikelijk, want in bijna alle havenplaatsen tref je daarvan voorbeelden aan. In Friesland bestaat er een familie Lam, waarvan het vast staat dat een voorvader een schip met die naam had, dus vul maar aan met Schaap, De Mol, De Hondt, De Haan en natuurlijk De Koe.

 

En waar dat schip 'De Koe' dan gebleven is? Het antwoord moet ik je schuldig blijven. Oh ja, ik vond er wel een paar, maar het tijdsbeeld zette me op het verkeerde been en dus kon ik nooit met zekerheid vaststellen óf Cornelis Jellesz. schipper was en zo ja, of dat op het schip DE KOE was. Omdat ik nu eenmaal denk dat het zo is, maar ook in een serieuze poging dat hard te maken, zet ik hier de feiten op een rij:

 

-           We weten dat het stadse dorp Woudsend in de 18e eeuw alles met de koopvaardij te maken had.             Daarmee is het klimaat en de mogelijkheid geschapen. 'Er is waar- schijnlijk geen dorp in Friesland geweest, dat zoveel smakschippers - die ook eigenaars waren - telde als Woudsend.' (15) 

-           Duidelijk is ook de verstrengeling met een aantal handelsdisciplines in de schoon-familie van Cornelis.          Zijn zwager Obbe Haantjes, de scheepstimmerman die hout nodig had om zijn werk te kunnen verrichten. Zwager Jelle Jurjens met z’n hout-zaagmolen en zwager Jelle Hollander op de korenmolen, ook zij waren aangewe-zen op de vrachten die binnen kwamen op vol beladen schepen.

-           En als laatste de koopvaarders die de familie De Koe zelf rijk was. Uitgangspunt daarbij is, dat zonen meestal hetzelfde beroep kozen als hun vader. Je weet dat de kinderschaar van Cornelis en Bauckje uitsluitend bestond uit varende zonen. De logica dat hun vader slager was, is daarom ver te zoeken.

 

 

''Enkele families schenen uit louter smakschippers te bestaan, zoals die der de Koe's'' schrijft een journalist en hij noemt daarbij hun namen ''Roelof Cornelis de Coe, Jelle Cornelis de Coe ('een rijke smakschipper') en Haring Cornelis de Koe, allen smakschipper.'' (15) Nu is het de schrijver van dit stukje niet kwalijk te nemen, maar bij zijn opsomming ontbraken nog twee zonen. De broers Reinder en Jurjen waren inmiddels dan wel vertrokken uit Woudsend, maar horen toch zeker thuis bij deze handvol zonen van Cornelis en Bauckje!

-           Tenslotte is het zeker, dat het echtpaar een scheepscasco kocht. Dat geeft denk ik de stevigste duw in de richting van het idee dat Cornelis een varend bestaan heeft geleid. Zolang ik geen andere berichten tegenkom, hou ik het er dus maar op dat zowel hij, als alle 5 zijn zonen hun heil zochten op het water.

 

Misschien was zelfvertrouwen wel de kurk waarop zij dreven, want natuurlijk wisten ze dat ze aan de meest riskante kant van de handelsvaart stonden. Afwachten hoe anderen het er van af brachten lag ze niet zo.

 

Zíj lieten hun gezin soms voor maanden alleen. Zíj moesten over uitstekende stuurmans- capaciteiten beschikken om de platbodem schepen te bevaren. Hún kennis en kunde maakte vaak het verschil tussen een wel of niet geslaagde transactie. Zíj liepen gevaar als zeerovers ze aanklampten. Zíj trotseerden extreme weersomstandigheden om mens en vracht veilig te stellen. En om dit alles financieel mogelijk te maken, riskeerden zíj al hun bezittingen.

 

In de annalen van Woudsend kom je ze niet veel tegen, de mannen van De Koe. Toch hoorden zij bij de belangrijke groep mensen die uitvoer om handel te drijven en er voor zorgde dat anderen konden delen in Frieslands welvaren. De eerder aangehaalde jour-nalist verwoordt het zo: ''Ook de De Koe's mag men een bekende Friese familie noemen.'' (15) Zonder koopvaarders was er voor geldschieters weinig voor te schieten, was het rustig op de werven en stonden de molens stil. De geschiedenis van Woudsend is in belangrijke mate geschreven door deze familie en al die andere handelende varenslieden, zoals die in dit dorp hebben geleefd. Sa is 't en net oars.

 

Zo, voorvader Cornelis, dat was dan zomaar een pleidooi voor jouw bedrijfstak, maar meer nog voor jou en je zonen. Met plezier gedaan, al was het alleen maar omdat ik de trotse moeder ben van één van jouw achterkleinkinderen. Voor hem schreef ik dit verhaal.

 

Omdat het heden, de optelsom is van het verleden.

 

 

 

 

< terug naar zoon Haring

< naar genealogisch overzicht

 

       
|
Niels
|
Dick
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Jelle
|
|

 

Deze pagina is onderdeel van www.genpage.nl

©  Lydia Hoogland - 23 april 2003